Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:1108

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-07-2022
Datum publicatie
15-07-2022
Zaaknummer
21/00794
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:103, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2020:3685, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. IPR. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens verzuim inschrijving rechtsmiddel (art. 3:301 lid 2 BW jo. art. 433 Rv?). Gezag van gewijsde van in Nederland erkend Belgisch verstekvonnis; art. 33 Verordening Brussel I. Staat gezag van gewijsde Belgisch vonnis in de weg aan oordeel hof in deze procedure? Art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/1847
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/00794

Datum 15 juli 2022

ARREST

In de zaak van

1. ALL TECHNOLOGY INVESTMENT GROUP N.V.,
gevestigd te [woonplaats], België,

hierna: ATI,

2. [eiser 2],
wonend te [woonplaats], België,

hierna: [eiser 2],

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: ATI c.s.,

advocaat: A.C. van Schaick,

tegen

1. ABC WONEN B.V.,
gevestigd te Wanssum, gemeente Venray,
hierna: ABC

2. [verweerder 2],
wonend te [woonplaats],
hierna: [verweerder 2],

3. [verweerder 3],
wonend te [woonplaats],
hierna: [verweerder 3]

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: ABC c.s.,

advocaat: J.P. van den Berg.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/04/114635/HA ZA12-76 van de rechtbank Limburg van 17 juli 2013, 20 mei 2015, 2 september 2015 en 6 september 2017;

  2. de arresten in de zaak 200.234.037/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 december 2018 en 1 december 2020.

ATI c.s. hebben tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.

ABC c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van het in cassatie bestreden arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 1 december 2020 en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) (De rechtsvoorgangster van) ABC en ATI hebben op 11 juli 2008 een overeenkomst gesloten, waarbij ABC zich heeft verbonden om na ontwikkeling door ATI van een racesimulator, € 3.000.000,-- te investeren in ATI voor de verdere ontwikkeling en verkoop van die simulatoren (hierna: de investeringsovereenkomst). Tot zekerheid van de nakoming van de investeringsovereenkomst heeft ABC een groot aantal roerende en onroerende zaken aan ATI “verpand”.

(ii) Als tegenprestatie voor de investering heeft [eiser 2], de op dat moment enig aandeelhouder van ATI, aan ABC het recht verleend om, zodra de investering voor het onder (i) genoemde bedrag van € 3.000.000,-- had plaatsgevonden, 30 van de 61 aandelen in ATI over te nemen voor de prijs van € 1,-- per aandeel.

(iii) In april 2010 heeft ATI aanspraak gemaakt op de toegezegde € 3.000.000,--. ABC heeft laten weten het genoemde bedrag niet ineens te kunnen voldoen. Tot zekerheid voor de nakoming van de investeringstoezegging door ABC hebben vervolgens ABC c.s. recht van hypotheek verleend op een aantal aan ABC c.s. toebehorende onroerende zaken.

(iv) Ter uitvoering van de investeringstoezegging heeft ABC in de periode van mei tot en met oktober 2010 in totaal € 135.000,-- aan ATI voldaan. In februari 2011 hebben [verweerder 2] en [verweerder 3] een bedrag van € 774.919,-- aan ATI voldaan.

(v) Bij notariële akte van 6 april 2011 heeft ABC een woning en grond (tezamen drie onroerende zaken) aan ATI geleverd, waarbij de koopprijs van € 411.000,-- is verrekend met de schuld van ABC uit de investeringsovereenkomst. Op basis van een koopovereenkomst van 6 februari 2012 heeft ATI op 8 maart 2012 de desbetreffende onroerende zaken teruggeleverd aan ABC.

(vi) Bij verstekvonnis van de rechtbank van koophandel Tongeren (België) van 23 mei 2011 is voor recht verklaard dat ABC haar contractuele verplichtingen voortspruitend uit de investeringsovereenkomst niet nakomt en is ABC onder meer veroordeeld om aan ATI € 2.054.236,94 te betalen.

(vii) Tegen het verstekvonnis van 23 mei 2011 hebben ABC c.s. geen verzet of hoger beroep aangetekend. Wel hebben zij een verzoek gedaan tot herroeping van het verstekvonnis. Bij vonnis van 5 februari 2013 heeft de rechtbank Tongeren ABC c.s. niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot herroeping op de grond dat ABC c.s. al voor de bestreden beslissing en voor het vervallen van de termijnen voor de gewone rechtsmiddelen, op de hoogte waren van hetgeen zij aan de herroeping ten grondslag leggen.

2.2

ABC c.s. vorderen in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, onder meer vernietiging van de investeringsovereenkomst en alle daaraan gelieerde rechtshandelingen, en veroordeling van ATI c.s. tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen en tot schadevergoeding. In reconventie vorderen ATI c.s., voor zover in cassatie van belang, onder meer veroordeling van ABC c.s. tot opheffing van ten laste van ATI c.s. gelegde beslagen en veroordeling van ABC c.s. tot teruglevering van enkele onroerende zaken.

2.3

De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van ABC c.s. afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van ATI c.s. gedeeltelijk toegewezen en ABC veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis drie, in het vonnis nader omschreven, onroerende zaken aan ATI terug te leveren en over te dragen. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat indien de teruglevering en overdracht niet binnen deze termijn zijn uitgevoerd, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming en handtekening van ABC en dat de notaris alsdan met het vonnis de onroerende zaken aan ATI kan overdragen.

2.4

In hoger beroep heeft het hof bij tussenarrest1 de incidentele vordering van ATI c.s. tot (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring van ABC c.s. in hun hoger beroep afgewezen. ATI c.s. hebben aan deze incidentele vordering ten grondslag gelegd dat ABC c.s. hebben nagelaten het hoger beroep overeenkomstig het bepaalde in art. 3:301 lid 2 BW binnen acht dagen na het instellen daarvan in te schrijven in het rechtsmiddelenregister, bedoeld in art. 433 Rv. Het hof heeft in dat verband overwogen:

“3.8. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is geweest van onbevoegde vertegenwoordiging van ATI ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 6 februari 2012, terwijl de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid niet dan wel onvoldoende onderbouwd door ABC is gesteld. Dat betekent dat de koopovereenkomst in rechte moet worden geacht nimmer geldig te zijn geweest. In verband met het causale stelsel van artikel 3:84 lid 1 BW leidt dat ertoe dat achteraf bezien op 8 maart 2012 de onroerende zaken niet aan ABC zijn overgedragen. Weliswaar heeft op die datum levering plaatsgevonden, maar de voor overdracht vereiste geldige titel of beschikkingsbevoegdheid ontbrak. De eigendom van de onroerende zaken wordt aldus geacht steeds bij ATI te zijn gebleven, zodat die eigendom haar niet meer bij notariële akte (…) behoeft te worden geleverd. De (…) veroordeling tot teruglevering van ABC aan ATI kan dan ook niet worden aangemerkt als een uitspraak die ex artikel 3:300 lid 2 juncto 3:301 lid 1 BW in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte of deel van een zodanige akte. De in artikel 3:301 lid 2 BW neergelegde eis van inschrijving van het hoger beroep in het rechtsmiddelenregister geldt bijgevolg niet.”

2.5

Bij eindarrest2 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd, de vorderingen van ABC c.s. deels toegewezen en de vorderingen van ATI c.s. afgewezen. Daartoe heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

ABC c.s. beroepen zich in dit geding op bedrog en wensen de investeringsovereenkomst te vernietigen. ABC c.s. stellen in de kern dat ATI helemaal niets heeft gedaan voor de bouw van de racesimulator. Het hele project was volgens ABC c.s. “lucht”. ATI c.s. hebben volgens ABC c.s. de door ABC verstrekte bedragen in eigen zak gestoken en voor eigen gewin en genot opgemaakt. (rov. 6.12)

ATI c.s. hebben onvoldoende weersproken dat ABC tot het aangaan van de investeringsovereenkomst is bewogen door opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededelingen van ATI of door het verzwijgen van feiten die ATI verplicht was mee te delen (in de zin van art. 3:44 lid 3 BW). Het gaat hierbij om (a) mededelingen die ertoe strekken dat er daadwerkelijk een project was voor de racesimulator, en/of (b) het verzwijgen van feiten zoals het ontbreken van daadwerkelijke werkzaamheden en uitgaven voor het project, en/of (c) het verzwijgen van het oogmerk om de gelden voor andere doeleinden aan te wenden, zoals privé-uitgaven van [eiser 2]. (rov. 6.15)

Aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep van ABC c.s. op bedrog is daarom in beginsel voldaan. (rov. 6.17)

ATI c.s. hebben zich, als verweer tegen de vordering van ABC c.s. tot vernietiging van de investeringsovereenkomst, beroepen op een verstekvonnis van de rechtbank te Tongeren. (rov. 6.22)

Het Belgische vonnis heeft gezag van gewijsde en moet door de Nederlandse rechter worden erkend. Het gezag van gewijsde staat echter niet in de weg aan de beslissingen in dit arrest over het bedrog, de onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. De procedure in België ging over de nakoming van de investeringsovereenkomst. Dit was de rechtsbetrekking die in die procedure aan de orde was. Tegen ABC is verstek verleend; zij heeft geen verweer gevoerd. Het bedrog betreft een andere rechtsbetrekking, die niet aan de orde was in die procedure. ATI c.s. hebben niets naar voren gebracht waaruit volgt dat deze rechtsbetrekking in de fase van de herroepingsprocedure op zodanige wijze onderdeel is geworden van de rechtsstrijd, dat de beslissingen van de Belgische rechter in de weg staan aan het oordeel dat het hof in dit arrest geeft. (rov. 6.23)

ATI c.s. voeren verder aan dat [verweerder 2] in een Belgische strafzaak is veroordeeld voor het valselijk opmaken van stukken en dat [verweerder 2] deze stukken heeft gebruikt om door tussenkomst van een ander de zeggenschap over ATI gedurende enige tijd te verkrijgen. Het hof verwerpt dit verweer. Het klopt dat [verweerder 2] is veroordeeld zoals ATI c.s. aanvoeren, maar dat is voor de beoordeling van het beroep op bedrog niet van belang. De omstandigheid dat [verweerder 2] bepaalde stukken valselijk heeft opgemaakt en gebruikt, neemt niet weg dat ATI c.s. ABC in een eerder stadium hebben bedrogen. (rov. 6.27)

De slotsom is dat het beroep van ABC c.s. op bedrog slaagt. De investeringsovereenkomst zal op grond van bedrog worden vernietigd. Het hof zal de vorderingen van ABC c.s. op dit punt toewijzen. (rov. 6.28)

De handelwijze van ATI c.s. levert ook een onrechtmatige daad op van ATI en [eiser 2] jegens ABC c.s. Voldoende aannemelijk is dat ABC c.s. door de handelwijze van ATI c.s. mogelijk schade hebben geleden. Het hof zal ook de vorderingen van ABC c.s. op dit punt toewijzen. (rov. 6.29)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen de afwijzing in het tussenarrest van de incidentele vordering van ATI c.s. tot (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring van ABC c.s. in hun hoger beroep. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de rechtbank in haar eindvonnis een veroordeling heeft uitgesproken als bedoeld in art. 3:301 lid 1 BW, dat op het moment dat het hoger beroep werd ingesteld de mogelijkheid bestond dat het vonnis daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering zou treden, en dat daarom het hoger beroep van ABC c.s. tijdig in het rechtsmiddelenregister (art. 433 Rv) ingeschreven had moeten worden. Daarnaast klaagt het onderdeel dat het hof in strijd met art. 24 Rv heeft geoordeeld dat in verband met het causale stelsel van art. 3:84 lid 1 BW, achteraf bezien de eigendom van de onroerende zaken steeds bij ATI is gebleven, zodat die eigendom haar niet meer bij notariële akte behoeft te worden teruggeleverd en de veroordeling tot teruglevering niet kan worden aangemerkt als een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte. Dit standpunt lag niet in de stellingen van ABC c.s. besloten, aldus het onderdeel.

3.2.1

Het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW dat het rechtsmiddel binnen acht dagen na het instellen daarvan moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, strekt ertoe dat bij inschrijving in de openbare registers van een uitspraak die in de plaats treedt van (een deel van) een tot levering bestemde akte als bedoeld in art. 3:89 BW, zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek, geen rechtsmiddel is ingesteld. Dit is van belang voor de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen.3 De rechter dient ambtshalve na te gaan of aan het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW is voldaan.4

3.2.2

Art. 3:301 lid 2 BW heeft een beperkte strekking. Gelet op de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid is er geen grond het toepassingsbereik van deze bepaling uit te breiden tot gevallen die niet door de wettekst worden bestreken, of waarin de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is. Daarom moet worden aangenomen dat de eis van inschrijving in het rechtsmiddelenregister slechts geldt voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering is getreden of nog kan treden. Een vernietiging van de uitspraak kan immers alleen in die gevallen ertoe leiden dat de inschrijving van de uitspraak in de openbare registers achteraf bezien niet tot eigendomsoverdracht heeft geleid.5

3.2.3

De rechtbank heeft in haar eindvonnis ABC veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis drie onroerende zaken aan ATI terug te leveren en over te dragen, en heeft daarbij bepaald dat indien de teruglevering en overdracht niet binnen deze termijn zijn uitgevoerd, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming en handtekening van ABC en dat de notaris alsdan met het vonnis de onroerende zaken aan ATI kan overdragen (zie hiervoor in 2.3). De hier bedoelde onroerende zaken waren bij notariële akte van 6 april 2011 door ABC aan ATI geleverd en op 8 maart 2012, op basis van een koopovereenkomst van 6 februari 2012, teruggeleverd aan ABC (zie hiervoor in 2.1 onder (v)).

3.2.4

Het hof heeft in rov. 3.8 van het tussenarrest, samengevat, overwogen dat de rechtbank in het bestreden vonnis heeft vastgesteld dat er sprake is geweest van onbevoegde vertegenwoordiging van ATI ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 6 februari 2012, terwijl de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid niet, dan wel onvoldoende onderbouwd door ABC is gesteld. Dat betekent dat de koopovereenkomst geacht moet worden nimmer geldig te zijn geweest. Gelet op het causale stelsel van art. 3:84 lid 1 BW brengt dit mee dat, door het ontbreken van een titel voor de levering, op 8 maart 2012 de onroerende zaken niet aan ABC zijn overgedragen en dat de eigendom van de onroerende zaken steeds bij ATI is gebleven, zodat die eigendom haar niet meer bij notariële akte hoeft te worden geleverd, aldus het hof.

Dit oordeel komt erop neer dat uit het bestreden vonnis van de rechtbank zelf blijkt dat dit niet in plaats van (een deel van) de akte van levering kon treden. Hiervan uitgaand heeft het hof terecht geoordeeld dat in dit geval art. 3:301 lid 2 BW niet van toepassing is. De verplichting van het hof om ambtshalve te beoordelen of aan het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW is voldaan (zie hiervoor in 3.2.1), omvat de verplichting om te toetsen of art. 3:301 lid 2 BW van toepassing is. Daarom kon het hof bij deze beoordeling mede acht slaan op feiten en omstandigheden die uit het vonnis van de rechtbank blijken, ongeacht de vraag of ABC c.s. deze ten grondslag hebben gelegd aan hun verweer tegen de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van ATI c.s.

3.2.5

Uit hetgeen hiervoor in 3.2.1-3.2.4 is overwogen, volgt dat onderdeel 1 faalt.

3.3

Onderdeel 2 richt klachten tegen rov. 6.15-6.29 van het eindarrest, waarin het hof het beroep van ABC c.s. op vernietiging van de investeringsovereenkomst wegens bedrog van ATI c.s. heeft gehonoreerd en heeft geoordeeld dat de handelwijze van ATI c.s. ook een onrechtmatige daad oplevert jegens ABC c.s., en tegen een aantal hierop voortbouwende overwegingen van het hof. Het onderdeel klaagt onder meer dat deze oordelen van het hof onjuist, dan wel onbegrijpelijk zijn in het licht van het gezag van gewijsde van verschillende uitspraken van de Belgische burgerlijke en strafrechter, die in dit geding zijn overgelegd. Het hof had althans zijn oordeel in het licht van deze uitspraken nader moeten motiveren, aldus het onderdeel.

3.4.1

Ingevolge het in deze zaak toepasselijke art. 33 Verordening Brussel I6 worden de in een lidstaat gegeven beslissingen in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces. De omvang van het gezag van gewijsde dat aan de op deze voet erkende beslissing toekomt, wordt bepaald door het recht van het land waarin de beslissing is gegeven.7

3.4.2

Het hof heeft in rov. 6.23 van het eindarrest onderkend dat het verstekvonnis van de rechtbank Tongeren van 23 mei 2011 door de Nederlandse rechter moet worden erkend. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat het gezag van gewijsde dat aan dit vonnis toekomt niet in de weg staat aan de beslissingen van het hof over het bedrog, de onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan, omdat dit een andere rechtsbetrekking betreft, die niet aan de orde was in de procedure in België, ook niet in de fase van de herroepingsprocedure tegen het verstekvonnis. Dat oordeel berust klaarblijkelijk op zijn uitleg van het Belgische recht. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof hiermee het gezag van gewijsde heeft miskend dat naar Belgisch recht toekomt aan het verstekvonnis van 23 mei 2011 en aan de daarop volgende uitspraken in de herroepingsprocedure, stuit het onderdeel af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Datzelfde geldt voor zover het onderdeel klaagt dat naar Belgisch recht in civiele procedures gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen die zijn gegeven in de strafrechtelijke uitspraken die in dit geding zijn overgelegd.

3.4.3

De overige klachten van onderdeel 2 kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt ATI c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABC c.s. begroot op € 7.086,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 15 juli 2022.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5196.

2 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3685.

3 HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, rov. 3.4; HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647, rov. 3.2.2.

4 HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647, rov. 3.2.3.

5 HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, rov. 3.5.

6 Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.

7 HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9766, rov. 3.4.4; HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1332, rov. 3.6; HvJEU 4 februari 1988, zaak 145/86, ECLI:EU:C:1988:61, punt 10.