Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:1093

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-07-2022
Datum publicatie
15-07-2022
Zaaknummer
21/05110
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:480, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Verzoek aan rechter-commissaris tot aanpassing vrij te laten bedrag dat op grond van art. 21, aanhef en onder 2º, Fw is vastgesteld; art. 69 Fw van toepassing? Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2022-0193
NJB 2022/1855
RvdW 2022/759
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/05110

Datum 15 juli 2022

BESCHIKKING

1. [verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],

2. [verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [verzoekers],

advocaat: B.M.H. Fleuren,

tegen

M.M.H.J. ROMPELBERG, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen

van [verzoeker 1] en [verzoekster 2],
wonende te Voerendaal,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de curator,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking en begeleidende brief in de zaken F03/19/300 en F03/19/301 van de rechter-commissaris in de rechtbank Limburg van 14 september 2021.

[verzoekers] hebben tegen de beschikking en de begeleidende brief van de rechter-commissaris beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekers] in hun cassatieberoep tegen de beschikking van de rechter-commissaris, althans tot verwerping van dat beroep, en tot verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing die is vervat in de begeleidende brief.

De advocaat van [verzoekers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verzoekers] zijn bij vonnissen van de rechtbank Limburg van 12 november 2019 in staat van faillissement verklaard.

(ii) Vervolgens heeft de rechter-commissaris op de voet van art. 21, aanhef en onder 2º, Fw bepaald welk deel van het inkomen van [verzoekers] buiten het faillissement blijft (hierna: het vrij te laten bedrag). Daarbij is aangesloten bij de toepasselijke beslagvrije voet.

2.2

[verzoekers] hebben de rechter-commissaris verzocht de curator te gelasten om voor de berekening van het vrij te laten bedrag alsnog aansluiting te zoeken bij de rekenmethode bedoeld in art. 3.7 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen, waarnaar in art. 2.2 onder b van de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling wordt verwezen. [verzoekers] hebben dit verzoek gebaseerd op art. 69 Fw.

2.3

Bij beschikking van 14 september 2021 (hierna: de beschikking) heeft de rechter-commissaris [verzoekers] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek. Daartoe heeft de rechter-commissaris als volgt overwogen:

“Artikel 69 Fw geeft onder meer de gefailleerde de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het beheer door de curator over de failliete boedel. Dat is echter niet waar dit verzoek over gaat. Het verzoek strekt ertoe dat het van het inkomen van verzoekers vrij te laten bedrag wordt aangepast. Dat betreft echter geen boedelbeheer door de curator, maar een beslissing van de rechter-commissaris. Het feit dat die beslissing wordt genomen op voorstel van de curator maakt dat niet anders. Verzoekers zullen daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoek.

Het is duidelijk dat verzoekers aanpassing van het vrij te laten bedrag wensen. Het onderhavige verzoek zal dan ook mede worden verstaan als een verzoek aan de rechter-commissaris om zijn eerdere beslissing te herzien. Daarover zal apart van deze beschikking met verzoekers worden gecommuniceerd. Het betreft immers geen beslissing op het verzoek ex artikel 69 Fw.”

2.4

De rechter-commissaris heeft de beschikking vergezeld doen gaan van een brief van dezelfde datum aan de advocaat van [verzoekers] (hierna: de begeleidende brief), waarin wordt meegedeeld dat niet wordt tegemoetgekomen aan het verzoek van [verzoekers] om de beslissing ten aanzien van het vrij te laten bedrag te herzien. Dit is in de begeleidende brief als volgt toegelicht:

“Zoals in de beschikking ook is vermeld, zal ik het verzoek mede beschouwen als een verzoek om mijn eerdere beslissing aangaande het vrij te laten bedrag (vtlb) te herzien.

Het is juist dat in de toepasselijke richtlijnen van Recofa staat dat bij de berekening van het vtlb kan worden aangesloten bij de berekening die wordt gehanteerd bij de wettelijke schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (Wsnp). De rechtbank Limburg heeft er echter voor gekozen deze suggestie niet te volgen en hanteert als beleid dat in beginsel de beslagvrije voet wordt gehanteerd. In dat kader stel ik voorop dat het de rechtbank vrij staat om af te wijken van de richtlijnen, waarbij in het midden kan blijven of het niet volgen van de suggestie een afwijking inhoudt.

De achtergrond van het beleid van de rechtbank is de volgende. In de Wsnp gaat het voor een belangrijk deel ook om het belang van de schuldenaar. Dat is – kort gezegd – de reden waarom in de Wsnp een vtlb wordt gehanteerd dat vaak (maar niet altijd) hoger is dan de beslagvrije voet. In faillissement draait het echter uitsluitend om het belang van de schuldeisers en is er geen reden een hoger vtlb te hanteren. Een andere handelwijze zou ertoe leiden dat ten aanzien van de natuurlijke persoon voor wie het algehele beslag van het faillissement geldt een hogere vrijlating wordt gehanteerd dan voor de natuurlijke persoon waarvan het inkomen buiten faillissement wordt beslagen. In het laatste geval geldt immers zonder meer de beslagvrije voet (zonder verhoging). Bij de Wsnp bestaat er voor zo'n ongelijke behandeling een rechtvaardiging. Bij faillissementen is dat niet zo.

Derhalve wordt niet aan het verzoek van uw cliënten tegemoet gekomen.”

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1

Het cassatieberoep is gericht tegen zowel de beschikking als de begeleidende brief.

De beschikking

3.2.1

Tot de verzoeken die op de voet van art. 69 Fw aan de rechter-commissaris kunnen worden gedaan, behoort niet een verzoek tot aanpassing van het vrij te laten bedrag dat op grond van art. 21, aanhef en onder 2º, Fw door de rechter-commissaris is vastgesteld. Art. 69 Fw strekt er immers in beginsel slechts toe de in deze bepaling genoemde personen, onder wie de gefailleerde, invloed toe te kennen op het door de curator gevoerde beheer over de failliete boedel en om, indien zij menen dat bij dat beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen.1 Er is ook geen grond voor overeenkomstige toepassing van art. 69 Fw, nu reeds art. 21, aanhef en onder 2º, Fw zelf erin voorziet dat een verzoek als hier aan de orde tot de rechter-commissaris kan worden gericht. Het oordeel van de rechter-commissaris dat [verzoekers] niet ontvankelijk zijn in het verzoek op de voet van art. 69 Fw, is dus juist.

3.2.2

De beschikking behelst de niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekers] in het op art. 69 Fw gebaseerde verzoek tot aanpassing van het vrij te laten bedrag. Dat is geen beschikking op de voet van art. 21, aanhef en onder 2º, Fw, zodat daartegen op grond van art. 67 lid 1 Fw hoger beroep openstond. [verzoekers] zijn daarom in hun cassatieberoep tegen de beschikking niet ontvankelijk (art. 78 lid 6 RO).

De begeleidende brief

3.3

In de begeleidende brief heeft de rechter-commissaris een inhoudelijke beslissing gegeven op het verzoek van [verzoekers] tot aanpassing van het vrij te laten bedrag. De begeleidende brief is daarom aan te merken als een beschikking van de rechter-commissaris op de voet van art. 21, aanhef en onder 2º, Fw, zodat daartegen op grond van art. 67 lid 1 Fw geen hoger beroep openstond. [verzoekers] zijn dus ontvankelijk in het cassatieberoep tegen de beschikking die is vervat in de begeleidende brief.

4 Beoordeling van het middel

4.1

Onderdeel 2 van het middel klaagt dat de rechter-commissaris in de begeleidende brief ten onrechte het verzoek van [verzoekers] tot aanpassing van het vrij te laten bedrag heeft afgewezen. De Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling vormen een rechtersregeling, waaraan de rechter-commissaris volgens het onderdeel gebonden is op grond van algemene beginselen van een behoorlijke rechtspleging. Het stond de rechter-commissaris daarom niet vrij art. 2.2 onder b van de Recofa-richtlijnen niet toe te passen op de grond dat de rechtbank Limburg als beleid hanteert dat het vrij te laten bedrag in beginsel gelijk is aan de beslagvrije voet, aldus het onderdeel.

4.2

De Recofa-richtlijnen waarop het onderdeel een beroep doet, zijn goedgekeurd door het landelijk overleg van rechters-commissarissen in faillissementen en surseances van betaling (Recofa) en het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht (LOVCK&T). De Recofa-richtlijnen zijn aldus niet vastgesteld door een instantie die de bevoegdheid heeft rechters op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging te binden ten aanzien van het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte.2 De Recofa-richtlijnen kunnen daarom ook niet worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO.3

4.3

Uit hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen, volgt reeds dat de klacht van onderdeel 2 faalt. Hierbij verdient nog opmerking dat, anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, art. 2.2 onder b van de hiervoor bedoelde Recofa-richtlijnen niet ertoe strekt dat in het faillissement van een natuurlijk persoon de berekening van het vrij te laten bedrag steeds (behoudens bijzondere omstandigheden) plaatsvindt op de wijze zoals vermeld in art. 3.7 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen. Art. 2.2 onder b bepaalt immers slechts dat deze berekening “kan” worden gedaan op de wijze zoals vermeld in art. 3.7 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart [verzoekers] niet-ontvankelijk in hun beroep tegen de beschikking op de voet van art. 69 Fw van de rechter-commissaris van 14 september 2021;

- verwerpt het beroep tegen de beschikking op de voet van art. 21, aanhef en onder 2º, Fw, vervat in de begeleidende brief van de rechter-commissaris van 14 september 2021.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 15 juli 2022.

1 Vgl. HR 10 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5016, rov. 3.2.

2 Vgl. HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824, rov. 3.1.3; HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236, rov. 2.5

3 Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6690, rov. 3.4.2; HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0400, rov. 3.1.