Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:1081

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-07-2022
Datum publicatie
15-07-2022
Zaaknummer
21/00788
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:88, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:9681, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Recht op pleidooi (art. 134 lid 1 (oud) Rv). Mocht het hof verzoek tot houden van pleidooi afwijzen? Motivering. Vordering mede toegewezen jegens partijen die deze vordering niet hebben ingesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/1846
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/00788

Datum 15 juli 2022

ARREST

In de zaak van

1. AEROPLUS AVIATION SOFTWARE B.V.,
gevestigd te Doesburg,

hierna: Aeroplus,

2. SACP INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Doesburg,

hierna SACP,

3. [de bestuurder] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna: [de bestuurder] ,

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: Aeroplus c.s.,

advocaat: B.I. Kraaipoel,

tegen

1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] , België,

2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] , België,

3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] , China,

4. [verweerster 4] ,
wonende te [woonplaats] , België,

5. [verweerster 5] ,
wonende te [woonplaats] , België,

6. [verweerster 6] ,
wonende te [woonplaats] , China,

VERWEERDERS in cassatie,

verweerders 1 t/m 3 hierna gezamenlijk: de piloten en verweerders 4 t/m 6 hierna gezamenlijk: de partners,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak NL17.11593 van de rechtbank Gelderland van 24 april 2019;

  2. de arresten in de zaak 200.265.601 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2019, 21 juli 2020 en 24 november 2020.

Aeroplus c.s. hebben tegen het arrest van het hof van 24 november 2020 alsmede tegen een beslissing van het hof van 27 oktober 2020, inhoudende afwijzing van het verzoek van Aeroplus c.s. tot pleidooi, beroep in cassatie ingesteld.

Tegen de piloten en de partners is verstek verleend.

De zaak is voor Aeroplus c.s. toegelicht door hun advocaat en mede door G.P. van Hooft.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkheid van Aeroplus in haar cassatieberoep, vernietiging van de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2020 alsmede van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 november 2020 en tot verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De piloten hebben voor zichzelf en hun partners een self-fly safari geboekt. Tijdens deze reis zouden zij zelf met vliegtuigen die via Aeroplus of SACP waren gehuurd, van locatie naar locatie vliegen. De piloten hebben vooraf een bedrag betaald. Daarin waren onder meer kosten voor overnachtingen, maaltijden en drank, safari’s en een excursie inbegrepen.

(ii) Vanaf de aankomst hebben de piloten overnachtingen, maaltijden en excursies ter plaatse zelf betaald, omdat bepaalde kosten niet door de reisorganisatie bleken te zijn voldaan. De piloten hebben daarom de overeenkomst met Aeroplus en SACP (hierna: de overeenkomst) ontbonden.

(iii) [de bestuurder] is (middellijk) bestuurder van Aeroplus en SACP.

2.2

In deze procedure vorderen de piloten, samengevat en voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden, een verklaring voor recht dat [de bestuurder] jegens hen schadeplichtig is uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid en hoofdelijke veroordeling van Aeroplus c.s. tot terugbetaling aan de piloten van de door hen voldane reissommen en tot vergoeding van door de piloten gederfd reisgenot. De rechtbank heeft de vorderingen van de piloten grotendeels toegewezen.

2.3

In hoger beroep hebben de piloten hun eis vermeerderd en ook betaling van de door hen gemaakte beslag- en executiekosten gevorderd. De partners hebben in hoger beroep gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure en, kort gezegd, gevorderd dat Aeroplus c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van door hen gederfd reisgenot.

2.4

Bij brief van 3 augustus 2020 hebben Aeroplus c.s. pleidooi verzocht en het hof verzocht te bepalen dat de zaak twee weken na dagtekening van die brief op de rol zal worden geplaatst voor opgave verhinderdata. Bij H-formulier van 19 augustus 2020 hebben Aeroplus c.s. nogmaals pleidooi verzocht en voor zichzelf en de wederpartij verhinderdata doorgegeven.

2.5

In een brief van de griffier van het hof aan de advocaat van Aeroplus c.s. van 27 oktober 2020 staat het volgende:

“In het incident is arrest gewezen op 21 juli 2020, waarbij in r.ov. 2.11 is aangekondigd dat in de hoofdzaak arrest zal worden gewezen na het nemen van een antwoordconclusie door appellanten in het door geïntimeerden inmiddels opgeworpen incident tot tussenkomst. Vervolgens hebben beide partijen op de roldatum 18 augustus 2020 aanvullend gefourneerd. Appellanten hebben op die roldatum geen pleidooiverzoek gedaan. De zaak is dan ook voor arrest komen te staan, zoals aangekondigd in het arrest van 21 juli 2020. (…) Appellanten hebben vervolgens alsnog – maar dus te laat – een pleidooiverzoek via een H-10 formulier ingediend op 19 augustus 2020 waartegen geïntimeerden bezwaar hebben gemaakt.

Nu appellanten niet tijdig op de daarvoor voorgeschreven wijze een pleidooiverzoek hebben gedaan en het alsnog bepalen van pleidooi tot onwenselijke vertraging van de zaak zal leiden, zoals de advocaat van geïntimeerden ook heeft betoogd in zijn verzet tegen het verzoek om pleidooi blijft, mede gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, de beslissing tot afwijzing van het pleidooiverzoek gehandhaafd.”

2.6

Bij eindarrest heeft het hof de vorderingen van de piloten en de vorderingen van de partners grotendeels toegewezen.1 Het hof heeft daarbij, onder meer, Aeroplus c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de piloten en de partners van € 6.523,58 aan beslag- en executiekosten. (rov. 4.8)

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van Aeroplus in het beroep

Uit de stellingen van Aeroplus in feitelijke instanties blijkt dat Aeroplus voorafgaand aan het instellen van haar beroep in cassatie is ontbonden en wegens gebrek aan baten is opgehouden te bestaan. Dat een rechtspersoon is ontbonden en op de voet van art. 2:19 BW is opgehouden te bestaan, staat niet eraan in de weg dat in een geval zoals hier aan de orde, waarin een procedure tegen een rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van zijn ontbinding en ophouden te bestaan, de procedure door of tegen de rechtspersoon kan worden voortgezet, mede in volgende instanties.2 Aeroplus is dus ontvankelijk in haar cassatieberoep.

4 Beoordeling van het middel

4.1

Onderdeel I van het middel richt zich tegen de afwijzing door het hof van het door Aeroplus c.s. gedane pleidooiverzoek. Het onderdeel betoogt, onder meer, dat de overweging van het hof in de brief van 27 oktober 2020 dat Aeroplus c.s. pas op 19 augustus 2020 een pleidooiverzoek hebben gedaan, onjuist dan wel onbegrijpelijk is in het licht van het reeds op 3 augustus 2020 gedane pleidooiverzoek.

4.2

Op grond van het in deze zaak toepasselijke art. 134 lid 1 (oud) Rv diende aan partijen desverlangd gelegenheid te worden geboden tot het houden van pleidooi. Volgens vaste rechtspraak mag een verzoek op grond van art. 134 lid 1 (oud) Rv slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden afgewezen. Voor dat laatste is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij klemmende redenen worden aangevoerd tegen toewijzing van het verzoek of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van de goede procesorde. In elk van beide gevallen zal de rechter zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren.3

4.3

Aeroplus c.s. hebben bij brief aan het hof van 3 augustus 2020, ten behoeve van de roldatum van 4 augustus 2020, pleidooi verzocht. Dit verzoek hebben Aeroplus c.s. op 19 augustus 2020 herhaald in een H-formulier (zie hiervoor in 2.4).

Het oordeel van het hof dat (i) dit laatste verzoek te laat is gedaan en (ii) toewijzing van dit verzoek tot onwenselijke vertraging van de zaak zou leiden, kan zonder nadere motivering niet redengevend zijn voor de afwijzing van het op 3 augustus 2020 al gedane pleidooiverzoek. Het hof heeft derhalve hetzij verzuimd te beslissen op het op 3 augustus 2020 gedane pleidooiverzoek, hetzij de afwijzing van dat verzoek ondeugdelijk gemotiveerd. Onderdeel I is dus terecht voorgesteld.

4.4

Onderdeel II richt zich onder meer tegen rov. 4.8 van het bestreden arrest voor zover daarin de gevorderde beslag- en executiekosten ook ten gunste van de partners zijn toegewezen. Het onderdeel betoogt daartoe dat de partners toewijzing van die kosten niet hebben gevorderd. Deze klacht slaagt op de grond dat niet de partners, maar uitsluitend de piloten betaling hebben gevorderd van de beslag- en executiekosten (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.29).

4.5

De overige klachten van onderdeel II kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.6

Omdat onderdeel I doel treft, behoeven de onderdelen III en IV geen behandeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 november 2020 alsmede de in de brief van 27 oktober 2020 vervatte beslissing tot afwijzing van het pleidooiverzoek;

- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt de piloten en de partners in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aeroplus c.s. begroot op € 2.990,01 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 15 juli 2022.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9681.

2 Vgl. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, rov. 3.3.4 en HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:164, rov. 3.2.6.

3 Vgl. HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151, rov. 3.3.2.