Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:97

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
19/02643
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Deelname aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr) en (medeplegen/medeplichtigheid/poging tot) gekwalificeerde diefstal (art. 311.1 Sr). Verdachte en medeverdachten zijn in een bepaalde wijk in Den Haag lange tijd door de politie in de gaten gehouden vanwege verdenking van het plegen van woninginbraken. 1. Vordering b.p. Is hoogte van proceskostenveroordeling begrijpelijk, nu overgroot deel van namens b.p. ingediende vordering n-o is verklaard? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 en ECLI:NL:HR:2010:BM9405 m.b.t. motiveringsverplichting van rechter t.a.v. proceskosten a.b.i art. 592a (oud) Sv, thans art. 532 Sv. Motiveringsverplichting heeft betrekking op het geval waarin vordering b.p. geheel n-o wordt verklaard op de grond dat behandeling van vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Motiveringsverplichting strekt zich niet uit tot geval als i.c. waarin vordering b.p. gedeeltelijk wordt toegewezen en voor het overige n-o wordt verklaard op de grond dat behandeling van vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Ad 2. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Samenhang met 19/02582, 19/02584, 19/02645 en 19/02673.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0010
RvdW 2021/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02643

Datum 19 januari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 mei 2019, nummer 22-002449-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.G. Cantarella, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt op tegen de verwijzing van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij [betrokkene 8]. Het voert in het bijzonder aan dat het hof de beslissing om de verdachte te verwijzen in de door die benadeelde partij gemaakte kosten nader had moeten motiveren, omdat het hof de benadeelde partij gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vordering.

2.2

De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 8] en de verwijzing in de proceskosten onder meer het volgende in:

“Het hof zal de kosten voor rechtsbijstand vaststellen aan de hand van het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven waaruit blijkt dat voor tarief V (zaken, met een geldswaarde van € 98.000,- tot € 195.000,-) een vergoeding van € 1.707,- per punt geldt voor de rechtbankfase en € 3.161,- per punt in hoger beroep (...). Het hof zal voor het opstellen en indienen van de vordering 1 punt en voor het bijwonen van twee zittingen in de rechtbankfase 1,5 punt rekenen. Voor de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg volgt derhalve een vergoeding van € 4.267,50.

Het hof rekent voor de behandeling in hoger beroep in eerste termijn 1 punt en 0,5 punt voor de repliek, waarmee de vergoeding in hoger beroep komt op een bedrag van € 4.741,50.

Het hof stelt vast dat de proceskosten zijn gemaakt in één vordering tot schadevergoeding, die de benadeelde partij in verschillende strafzaken (de zaak tegen de verdachte en de zaken tegen negen medeverdachten) heeft ingediend. Het hof ziet derhalve aanleiding om de proceskosten te verdelen over de zaken waarin de vordering zal worden toegewezen, zodat de proceskosten per zaak worden begroot op een kwart van voornoemd bedrag.

Het hof kent ter zake de kosten van rechtsbijstand in de zaak van de verdachte in totaal een bedrag toe van € 2.252,25.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op € 2.252,25, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.”

2.3.1

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad, mede onder verwijzing naar HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9405, het volgende overwogen:

“Proceskosten

2.7.1

Ingevolge art. 592a Sv dient de rechter in zijn uitspraak tevens te beslissen over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, welke beslissing ingevolge art. 361, zesde lid, Sv in de uitspraak dient te worden opgenomen. De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent de hoogte van de kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft.

(...)

2.7.4

Een niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij op de grond dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, brengt niet zonder meer mee dat de benadeelde partij zelf de kosten moet dragen die zij heeft moeten maken ten behoeve van de voeging in het strafproces. De beslissing om in een zodanig geval – waarbij is bepaald dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen – de verdachte te verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, behoeft wel motivering.”

2.3.2

Als gevolg van de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82) met ingang van 1 januari 2020 is het in dit arrest genoemde artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering komen te vervallen, waarbij de inhoud van die bepaling ongewijzigd is overgenomen in artikel 532.

2.4

De in rechtsoverweging 2.7.4 van het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 geformuleerde motiveringsverplichting heeft betrekking op het geval waarin de vordering van de benadeelde partij geheel niet-ontvankelijk wordt verklaard op de grond dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Anders dan in de toelichting op het cassatiemiddel wordt aangenomen, strekt deze motiveringsverplichting zich niet uit tot een geval als het onderhavige waarin de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard op de grond dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het cassatiemiddel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

3.2

Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.

3.3

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 37 maanden.

5 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;

- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze 36 maanden beloopt;

- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2021.