Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:962

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
19/05419
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:468
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen gewoontewitwassen (meermalen gepleegd) door grote geldbedragen te vervoeren binnen Europa, art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr. Adequate rechtsbijstand aan verdachte voorafgaand en tijdens haar verhoor in Spanje als “verdachte in Nederlandse strafzaak”? Art. 3.1 Richtlijn 2013/48/EU bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot advocaat, op zodanig moment en op zodanige wijze dat zij hun verdedigingsrechten in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Noch aan deze regeling noch aan andere rechtsregel kan verdachte recht ontlenen voorafgaand en tijdens verhoor te worden bijgestaan door Nederlandse advocaat, als i.v.m. Nederlands rechtshulpverzoek of door Nederland uitgevaardigd onderzoeksbevel verhoor van verdachte plaatsvindt in andere EU-lidstaat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten en verdachte wordt bijgestaan door advocaat uit land waar verhoor plaatsvindt.

Hof heeft vastgesteld dat verdachte ingevolge Nederlands rechtshulpverzoek in Barcelona als verdachte is gehoord, zij volgens p-v van verhoor is gewezen op zwijgrecht en op recht om zich te laten bijstaan door advocaat en zij van recht op verhoorbijstand gebruik heeft gemaakt en tijdens verhoor door Spaanse advocaat is bijgestaan. Hof heeft verder vastgesteld dat advocaat t.t.v. politieverhoor niet te kennen heeft gegeven niet in staat te zijn adequate rechtsbijstand te verlenen en dat verdachte destijds niet heeft verklaard geen adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen. Onder deze omstandigheden getuigt ’s hofs kennelijke oordeel dat verdachte niet is geschaad in recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM niet van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Omstandigheid dat Spaanse advocaat geen specifieke kennis had van Nederlands strafprocesrecht, maakt dat niet anders. In aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen, ziet HR geen aanleiding voor stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU m.b.t. uitleg van Richtlijn 2013/48/EU en art. 47 Handvest. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0207
NJB 2021/1988
RvdW 2021/737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05419

Datum 22 juni 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 november 2019, nummer 23/000568-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat “aan de relevante eisen is voldaan” wat betreft (adequate) rechtsbijstand aan de verdachte voorafgaand en tijdens haar verhoor in Spanje als “verdachte in een Nederlandse strafzaak”.

2.2

Het hof heeft een namens de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft - zakelijk samengevat - bepleit dat de door de verdachte in Spanje afgelegde verklaringen uitgesloten moeten worden van het bewijs, omdat het de verdachte voorafgaand en tijdens het verhoor aan adequate rechtsbijstand heeft ontbroken. Zij is weliswaar bijgestaan door een Spaanse advocaat, maar nu het een Nederlandse strafzaak betreft had zij door een Nederlandse (strafrecht)advocaat moeten worden bijgestaan. Bovendien is tijdens een pauze in het verhoor ongeoorloofde druk op haar uitgeoefend om te verklaren. Spaanse politiefunctionarissen hebben immers tijdens een bezoek van de verdachte aan het toilet haar geadviseerd om te verklaren over een medeverdachte, zulks om niet verder in de problemen te komen.

In dit verband (en, naar het hof begrijpt, voor het geval het verweer niet wordt gehonoreerd) is verzocht de Spaanse advocaat, alsmede de Spaanse en Nederlandse functionarissen die bij het verhoor aanwezig waren, als getuige te horen, alsmede prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie.

De verdachte is, ingevolge een Nederlands rechtshulpverzoek, op 15 mei 2016 in Barcelona als verdachte gehoord. Volgens het proces-verbaal van het verhoor, dat zich bij de stukken bevindt (map IA, Rechtshulpverzoeken, bijlage 3) is de verdachte gewezen op haar zwijgrecht en op het recht om zich te laten bijstaan door een advocaat. De verdachte heeft van dit laatste recht gebruik gemaakt en is tijdens het verhoor door een advocaat bijgestaan. Daarmee is aan de relevante eisen voldaan. Indien de advocaat meende niet in staat te zijn adequate rechtsbijstand te verlenen had het op zijn weg gelegen ter zake actie te ondernemen. Indien de verdachte meende dat zij geen adequate rechtsbijstand ontving had zij dit aan de orde kunnen stellen en om een andere advocaat kunnen vragen. De algemene stelling dat in een Nederlandse strafzaak slechts een Nederlandse advocaat effectieve rechtsbijstand kan verlenen is onjuist. Het horen als getuige van de Spaanse advocaat, de Spaanse politiefunctionarissen en de Nederlandse functionarissen is dan ook niet noodzakelijk. Dat geldt ook voor het stellen van prejudiciële vragen.

Ook overigens is niet gebleken dat de verdachte in enig processueel belang is geschaad in verband met voornoemd verhoor. De stelling van de verdediging dat de verdachte onder druk zou zijn gezet door de Spaanse verbalisanten is niet onderbouwd. Het verhoor is bovendien ondertekend door de verdachte en haar Spaanse advocaat. Indien de door de raadsman verzochte getuigen de gestelde toedracht zouden bevestigen, volgt daaruit niet dat op de verdachte onrechtmatige druk is uitgeoefend, op een wijze die consequenties zou hebben voor het gebruik van haar verklaring. Het verhoor van die getuigen is dus ook in dit opzicht niet noodzakelijk.”

2.3

Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.

- Artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) luidt in de Nederlandse vertaling:

“3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

(...)

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

(...)”

- Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest):

“Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.”

- Artikel 3 van Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU 2013, L 294/1) (hierna: Richtlijn 2013/48/EU):

“Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

2. De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdachten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is:

a) voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;

(...)

3. Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende in:

a) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;

b) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat bij het verhoor aanwezig is en daaraan daadwerkelijk kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures in het nationale recht, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan het verhoor deelneemt, wordt het feit dat dergelijke deelname heeft plaatsgevonden, geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat;

(...)”

2.4

Artikel 3 lid 1 van Richtlijn 2013/48/EU bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat zij hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen (vgl. HvJ EU 5 juni 2018, zaak C‑612/15, ECLI:EU:C:2018:392 (Kolev e.a.), punt 103). Noch aan deze regeling noch aan enige andere rechtsregel kan de verdachte het recht ontlenen voorafgaand en tijdens het verhoor te worden bijgestaan door een Nederlandse advocaat, als in verband met een Nederlands verzoek om rechtshulp of een door Nederland uitgevaardigd onderzoeksbevel een verhoor van de verdachte plaatsvindt in een andere EU-lidstaat onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten en de verdachte wordt bijgestaan door een advocaat uit het land waar dit verhoor plaatsvindt. Voor zover het cassatiemiddel berust op een andere opvatting, faalt het.

2.5.1

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ingevolge een Nederlands rechtshulpverzoek in Barcelona als verdachte is gehoord, zij volgens het proces-verbaal van het verhoor is gewezen op haar zwijgrecht en op het recht om zich te laten bijstaan door een advocaat, en zij van haar recht op verhoorbijstand gebruik heeft gemaakt en tijdens het verhoor door een Spaanse advocaat is bijgestaan. Het hof heeft verder vastgesteld dat de advocaat ten tijde van het politieverhoor niet te kennen heeft gegeven niet in staat te zijn adequate rechtsbijstand te verlenen en de verdachte destijds niet heeft verklaard geen adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen.

2.5.2

Onder deze omstandigheden getuigt het kennelijk oordeel van het hof dat de verdachte niet is geschaad in haar recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. De in de toelichting op het cassatiemiddel genoemde omstandigheid dat de Spaanse advocaat die de verdachte bij dit verhoor bijstond geen specifieke kennis had van het Nederlandse strafprocesrecht, maakt dat niet anders. Het cassatiemiddel is ook in zoverre tevergeefs voorgesteld.

2.6

In aanmerking genomen wat hiervoor onder 2.4 is overwogen, ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitleg van het bepaalde in Richtlijn 2013/48/EU en artikel 47 van het Handvest.

3. Beoordeling van het eerste, het tweede, het vierde en het vijfde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 35 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2021.