Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:932

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
20/00650
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:409
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en vernieling (art. 350.1 Sr). 1. Herstelbeslissing hof. Aanvulling op arrest waarin alsnog beslissing wordt genomen op vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. 2. Verzuim hof in arrest te beslissen op vordering b.p.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2012:BW1478 m.b.t. gevallen waarin en wijze waarop feitenrechter herstelbeslissing kan geven. De in “hersteluitspraak” opgenomen verbeteringen in einduitspraak (bestaande uit toevoeging van overwegingen t.a.v. vordering b.p. en t.a.v. oplegging van schadevergoedingsmaatregel a.b.i. art. 36f Sr en toevoeging aan dictum van beslissingen daaromtrent) zijn niet verbeteringen als hiervoor bedoeld. Dit betekent dat HR bestreden einduitspraak zal vernietigen v.zv. hof daarin wijzigingen heeft aangebracht bij zijn latere beslissing.

Ad 2. HR ambtshalve: Blijkens stukken van deze zaak heeft b.p. zich in e.a. als b.p. in strafproces gevoegd. Rb heeft vordering b.p. toegewezen tot bedrag van € 1.024,99, te vermeerderen met wettelijke rente. B.p. heeft zijn vordering in h.b. gehandhaafd. Einduitspraak van hof bevat geen beslissing op deze vordering. O.g.v. art. 335 en 361.4 Sv jo. 415 Sv was hof echter gehouden gemotiveerde beslissing te nemen over deze vordering in einduitspraak. Daarom kan bestreden uitspraak niet in stand blijven.

Volgt partiële vernietiging (t.a.v. wijzigingen die hof heeft aangebracht bij herstelbeslissing en v.zv. hof in arrest geen beslissing heeft genomen op vordering b.p.) en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0200
RvdW 2021/701
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00650

Datum 15 juni 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 februari 2020, nummer 21-006222-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend (i) voor zover het betreft de wijzigingen die het hof daarin heeft aangebracht bij zijn beslissing van 8 april 2020 en (ii) voor zover bij de bestreden uitspraak geen beslissing is genomen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan voor zover het de vordering van deze benadeelde partij betreft, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de herstelbeslissing van het hof.

3.2.1

De verdachte is bij arrest van 7 februari 2020 door het hof veroordeeld voor – kort gezegd – poging tot doodslag en beschadiging tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk. De verdachte heeft op 21 februari 2020 cassatieberoep doen instellen tegen dit arrest.

3.2.2

Bij de stukken van het geding bevindt zich een door het hof op 8 april 2020 gewezen “herstelarrest”, dat inhoudt:

“Het hof heeft geconstateerd dat in het op 7 februari 2020 gewezen arrest abusievelijk geen beslissing is opgenomen met betrekking tot de door de benadeelde partij [benadeelde] ingediende en in hoger beroep gehandhaafde vordering tot schadevergoeding.

Dit terwijl de vordering benadeelde partij wel ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 januari 2020 is behandeld waarbij zowel de advocaat-generaal als de verdediging in de gelegenheid is gesteld zijn/haar visie dienaangaande kenbaar te maken.

Teneinde deze kennelijke omissie te herstellen, dient het arrest van 7 februari 2020 worden geacht op de hierna te vermelden wijze te zijn aangevuld:

Na de strafmaatoverweging en voorafgaand aan het dictum dient als ingevoegd te worden gelezen:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een

vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.024,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De in het arrest van 7 februari 2020 opgenomen beslissing op pagina 10 en 11 (dictum) dient als volgt worden geacht te zijn aangevuld:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.024,99 (duizend vierentwintig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 24,99 (vierentwintig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 1000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.024,99 (duizend vierentwintig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 24,99 (vierentwintig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 mei 2018.”

3.3.1

Bij het geven van een herstelbeslissing gaat het om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de juiste executie van de uitspraak. (Vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478.)

3.3.2

De in de “hersteluitspraak” van 8 april 2020 opgenomen verbeteringen in de einduitspraak van 7 februari 2020 – bestaande uit de toevoeging van overwegingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en ten aanzien van de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de toevoeging aan het dictum van beslissingen daaromtrent – zijn niet verbeteringen als hiervoor bedoeld. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht. Dit betekent dat de Hoge Raad de bestreden einduitspraak zal vernietigen voor zover het hof daarin wijzigingen heeft aangebracht bij zijn beslissing van 8 april 2020.

3.4

Ambtshalve overweegt de Hoge Raad het volgende. Blijkens de stukken van deze zaak heeft de benadeelde partij [benadeelde] zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. De rechtbank heeft de vordering van [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 1.024,99, te vermeerderen met wettelijke rente. De benadeelde partij [benadeelde] heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd. De einduitspraak van het hof van 7 februari 2020 bevat geen beslissing op deze vordering. Op grond van artikel 335 en 361 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), in verbinding met artikel 415 Sv, was het hof echter gehouden een gemotiveerde beslissing te nemen over deze vordering in de einduitspraak van 7 februari 2020. Daarom kan de bestreden uitspraak van 7 februari 2020 niet in stand blijven.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover (i) het betreft de wijzigingen die het hof daarin heeft aangebracht bij zijn beslissing van 8 april 2020 en (ii) voor zover in de uitspraak van 7 februari 2020 geen beslissing is genomen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2021.