Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:930

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
20/01822
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:388
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2020:1086
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling (art. 302.1 Sr) en bedreiging (art. 285.1 Sr). Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b., omdat het te laat is ingesteld, art. 408.2 Sv. Is verdachte bekend met einduitspraak Pr op het moment dat wordt begonnen met tenuitvoerlegging van de in e.a. opgelegde gevangenisstraf? Hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van omstandigheid, vermeld in art. 408.1 Sv. O.g.v. art. 408.2 Sv moet verdachte in dat geval binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is, h.b. instellen tegen vonnis van Rb. Van ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b., zoals aard of zwaarte van de bij vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en) (vgl. HR:2013:BZ1940). ’s Hofs oordeel dat zich omstandigheid heeft voorgedaan a.b.i. art. 408.2 Sv is niet z.m. begrijpelijk. Aan enkele omstandigheid dat is begonnen met tul van de in e.a. opgelegde gevangenisstraf kan niet conclusie worden verbonden dat verdachte op die datum op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0194
RvdW 2021/709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/01822

Datum 15 juni 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 juni 2020, nummer 22-004127-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L. Tricoli, advocaat te Alphen aan den Rijn, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.

2.2

Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

“De verdachte is in deze zaak op 28 mei 2019 bij verstek veroordeeld. Op 27 juni 2019 is de Mededeling uitspraak niet in persoon uitgereikt. Of en wanneer deze mededeling hem heeft bereikt is onduidelijk. De verdachte heeft echter (een gedeelte van) de hem in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf ondergaan in de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019. Naar het oordeel van het hof was de verdachte, gelet op het voorgaande, dus in elk geval op 8 augustus 2019 van het bij verstek gewezen vonnis van 28 mei 2019 op de hoogte. De verdachte had daarom binnen veertien dagen na 8 augustus 2019 in hoger beroep moeten komen. Namens de verdachte is echter pas op 28 augustus 2019 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”

2.3

Artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt, voor zover hier van belang:

“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

(...)

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”

2.4.1

Het hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van een omstandigheid, vermeld in artikel 408 lid 1 Sv. Op grond van artikel 408 lid 2 Sv moet de verdachte in dat geval binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en) (vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940).

2.4.2

Het oordeel van het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 408 lid 2 Sv is niet zonder meer begrijpelijk. Aan de enkele omstandigheid dat op 8 augustus 2019 is begonnen met de tenuitvoerlegging van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf kan niet de conclusie worden verbonden dat de verdachte op die datum op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.

2.5

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2021.