Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:885

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
20/03983
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:322, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wvggz. Zorgmachtiging. Kan een verpleegkundig specialist een niet meer actuele medische verklaring actualiseren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/1813
RvdW 2021/634
NJ 2021/245 met annotatie van J. Legemaate
JGz 2021/62 met annotatie van Keurentjes, R.B.M.
FJR 2021/66.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/03983

Datum 11 juni 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: G.E.M. Later,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT OOST-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/08/252963/FA RK 20-2123 van de rechtbank Overijssel van 2 september 2020.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel.

De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze uitspraak komt aan de orde of een medische verklaring als bedoeld in art. 5:8 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) die niet meer actueel is, geactualiseerd kan worden door een verklaring van een verpleegkundig specialist over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij verzoekschrift van 14 augustus 2020 heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van zes maanden.

(ii) In het verzoekschrift wordt onder meer verwezen naar een medische verklaring van 24 juni 2020. Het verzoekschrift vermeldt ten aanzien van de actualiteit van onder meer deze verklaring het volgende:

“Hoewel de stukken dateren van eind juni 2020 is uit telefonisch contact met buro geneesheer directeur gebleken dat het toestandsbeeld van betrokkene ongewijzigd is.”

(iii) Op 2 september 2020 heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

“Verpleegkundige-specialist:

Wij zijn niet ontevreden hoe het met betrokkene gaat. Ik verwijs naar de medische verklaring. Het gaat nu wel een stuk beter. Betrokkene is toe aan het opbouwen van meer vrijheden, zoals het oppakken van een dagbesteding. Wij komen beter met betrokkene in contact. Hij is fysiek gezonder. Over de noodzaak om hier te blijven is geen overeenstemming. Ik hoop dat dagbesteding effect heeft.

(…)

De rechter:

Wat betreft het formele verweer klopt het dat de medische verklaring en de bevinding van de geneesheer-directeur niet meer actueel zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de verpleegkundig-specialist een recent beeld geschetst van de situatie. Dit sluit aan bij en actualiseert hetgeen is gesteld in de rapporten. Het beeld van betrokkene vind ik daarom voldoende recent. Ik wijs daarom het verzoek toe voor de gevraagde duur. Zonder zorgmachtiging komt betrokkene op straat te staan en is de kans groot dat het weer misgaat.”

2.3

De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend tot en met 2 maart 2021. Daartoe heeft zij, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“2.6 De advocaat van betrokkene stelt tijdens de mondelinge behandeling dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de stukken die ten grondslag liggen aan het verzoekschrift verouderd zijn. De rechtbank constateert dat de bevindingen van de geneesheer-directeur en de medische verklaring dateren van 24 juni 2020 en derhalve niet meer actueel zijn. Dit houdt echter niet in dat het verzoek om die reden zou moeten worden afgewezen. De verpleegkundig-specialist heeft tijdens de mondelinge behandeling een actualisering van de medische verklaring gegeven. Daaruit blijkt, in combinatie met de bovenbedoelde stukken, naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat betrokkene verplichte zorg nodig heeft om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene verder te stabiliseren en te herstellen. (…)”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel dat de medische verklaring die niet meer actueel was, kon worden geactualiseerd door een verklaring van een verpleegkundig specialist. Het onderdeel wijst erop dat dit oordeel in strijd is met art. 5:8 lid 1 Wvggz, art. 5:7 Wvggz en art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM. Volgens het onderdeel dient het oordeel van de rechtbank te worden gebaseerd op een oordeel van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene.

3.2

Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit.

Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg.1

Een en ander strookt met de rechtspraak van het EHRM over art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.2

3.3

In dit geval heeft de rechtbank vastgesteld dat de medische verklaring van 24 juni 2020 niet meer actueel was. De medische verklaring voldeed derhalve niet aan de uit art. 5:8 lid 1 Wvggz voortvloeiende eis dat zij de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene beschrijft. De rechtbank mocht dus geen zorgmachtiging verlenen enkel op basis van deze medische verklaring.

3.4

De rechtbank heeft in rov. 2.6 van haar beschikking de medische verklaring in aanmerking genomen op de grond dat de actuele gezondheidstoestand van betrokkene blijkt uit de stukken en de verklaring die de verpleegkundig specialist tijdens de mondelinge behandeling heeft afgelegd. Zoals hiervoor in 3.2 is overwogen, moet een medische verklaring worden afgegeven door een psychiater die voldoet aan de in art. 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden. Daaruit volgt dat een verklaring van een verpleegkundig specialist over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene niet kan voorzien in actualisering van een medische verklaring. Op die grond slaagt de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht.

3.5

Opmerking verdient nog dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, de verklaring kan actualiseren als zij niet meer actueel is. Dat kan ook tijdens de mondelinge behandeling. Die actualisering moet zodanig concreet zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.

Voor actualisering kan niet worden volstaan met de hiervoor in 2.2 onder (ii) weergegeven, niet nader gespecificeerde mededeling in het verzoekschrift dat “uit telefonisch contact met het bureau van de geneesheer-directeur” (die in dit geval ook de medische verklaring heeft opgesteld) is gebleken dat het toestandsbeeld van betrokkene ongewijzigd is.

3.6

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 2 september 2020;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 11 juni 2021.

1 HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.1.2

2 EHRM 24 oktober 1979, nr. 6301/73 (Winterwerp/Nederland) en EHRM 5 oktober 2000, nr. 31365/96 (Varbanov/Bulgarije).