Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:882

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
19/03442
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:2578
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; art. 3.8 Wet IB 2001; inbreng?; activering van de helft van een appartementsrecht waarvan belanghebbende de andere helft reeds bezat; beëindiging samenlevingsovereenkomst; boedelverdeling; duurzame zelfbewoning; waarde in bewoonde staat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-6-2021
V-N Vandaag 2021/1397
FutD 2021-1806 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2021/26.5 met annotatie van Redactie
NTFR 2021/1952 met annotatie van Drs. N.E. Vis
NLF 2021/1248 met annotatie van Arne de Beer
BNB 2021/129 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 2021/123 met annotatie van M. Robben
FutD 2021-1806
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/03442

Datum 11 juni 2021

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2019, nr. 18/00559, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/2699) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door E. van Leeuwen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.1 Belanghebbende heeft in 2005 met zijn levenspartner een woonappartement in [Q] gekocht voor een koopsom van € 1.115.000. Ieder heeft de onverdeelde helft van het appartementsrecht gerekend tot het vermogen van de door ieder van hen afzonderlijk gedreven onderneming.

2.1.2 Het appartementsrecht geeft blijkens de akte van levering recht op het uitsluitende gebruik van de woning. Het appartement is aangeschaft mede met het doel de reistijd tussen woning en werk te verkorten. De partner van belanghebbende heeft het appartement in de loop van 2006 als woning in gebruik genomen. Zij verbleef er ongeveer vier dagen per week. Belanghebbende verbleef in 2006 één à twee dagen per week in het appartement.

2.1.3 De samenlevingsovereenkomst tussen belanghebbende en zijn partner is per 1 december 2006 beëindigd. Bij de verdeling van de gezamenlijke bezittingen en schulden heeft belanghebbende het aandeel in het appartementsrecht van de partner overgenomen (hierna: de overgenomen helft van het appartementsrecht). Van die verdeling is een akte opgemaakt, gedagtekend 7 mei 2007, waarin is vastgelegd dat belanghebbende en de partner aan het appartement in onderling overleg een waarde hebben toegekend ter grootte van de aanschafwaarde, vermeerderd met de verbouwingskosten. Bij de cijfermatige opstelling van de verdeling van de gezamenlijke bezittingen en schulden is de overgenomen helft van het appartementsrecht in aanmerking genomen voor de helft van de aankoopsom inclusief kosten en exclusief omzetbelasting en verminderd met door de partner bij haar winstberekening gepleegde afschrijvingen (per saldo € 585.387), en vermeerderd met verbouwingskosten exclusief omzetbelasting (€ 171.740), in totaal € 757.127.

2.1.4 Belanghebbende heeft ook de overgenomen helft van het appartementsrecht tot zijn ondernemingsvermogen gerekend en per 1 januari 2007 op de balans geactiveerd voor het bedrag van € 757.127.

2.1.5 In het onderhavige jaar (2010) heeft hij zijn onderneming gestaakt en het appartementsrecht overgebracht naar zijn privévermogen. Daarbij heeft hij de waarde van het appartement bepaald met inachtneming van de bewoonde staat ervan. Hiervan uitgaande bedraagt de waarde van het appartementsrecht € 845.000, zijnde 65 procent van € 1.300.000 (taxatiewaarde van het appartement). De boekwaarde van het appartementsrecht op 31 december 2010 was € 1.233.662. Belanghebbende heeft aldus in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bij de berekening van de daarin begrepen stakingswinst een boekverlies van € 388.662 in aanmerking genomen.

2.2.1 Voor het Hof was in geschil het bedrag waarvoor belanghebbende de overgenomen helft van het appartementsrecht per 1 januari 2007 moet activeren op de balans. Belanghebbende nam het standpunt in dat de overgenomen helft van het appartementsrecht door hem is aangekocht ten behoeve van zijn onderneming en tegen aanschaffingskosten mag worden geactiveerd op de balans. De Inspecteur nam het standpunt in dat de overgenomen helft van het appartementsrecht vanuit het privévermogen is ingebracht in de onderneming van belanghebbende en dat de inbrengwaarde op de waarde in bewoonde staat moet worden gesteld.

2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat ter bepaling van het bedrag waarvoor de overgenomen helft van het appartementsrecht per 1 januari 2007 moet worden geactiveerd op de balans van de onderneming, moet worden uitgegaan van de waarde in bewoonde staat. Het heeft daartoe overwogen dat belanghebbende en de partner vanaf de aankoop van het appartement in gelijke mate de feitelijke beschikking hadden over het appartement en het appartement in onderlinge afstemming door hen beiden duurzaam werd bewoond ofwel aan hen beiden duurzaam voor zelfbewoning ter beschikking stond. Daarvan uitgaande, doet zich een geval voor dat op één lijn is te stellen met de situatie waarin de belastingplichtige bij gelegenheid van de aanvang van een onderneming een duurzaam door hemzelf bewoond pand vanuit zijn privévermogen doet overgaan naar zijn ondernemingsvermogen. Ook bij belanghebbende doet zich de situatie voor dat een door hem duurzaam bewoond pand wordt ingebracht in de onderneming, zij het dat in dit geval de inbreng plaatsvindt voor de onverdeelde helft van een pand en in een bestaande onderneming, aldus het Hof.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het betoogt dat de overgenomen helft van het appartementsrecht door belanghebbende is aangekocht ten behoeve van zijn onderneming en dat dat recht niet, zoals het Hof tot uitgangspunt heeft genomen, door belanghebbende vanuit zijn privévermogen is ingebracht in zijn ondernemingsvermogen.

3.2

Het Hof heeft geoordeeld dat zich in dit geval de situatie voordoet dat een door de belastingplichtige duurzaam bewoond pand wordt ingebracht in zijn onderneming. In dat oordeel ligt besloten het oordeel dat belanghebbende de overgenomen helft van het appartementsrecht in de privésfeer heeft verworven. Het Hof heeft in dit verband vastgesteld dat belanghebbende die helft na beëindiging van de samenlevingsovereenkomst bij akte van verdeling van de gezamenlijke bezittingen en schulden heeft overgenomen van de partner. Aangezien een dergelijke verdeling en verwerving tussen levenspartners naar hun aard plaatsvinden in de privésfeer van de belastingplichtige, geven deze oordelen van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
In cassatie is niet bestreden dat de zelfbewoning door belanghebbende al bestond op het moment van verwerving en inbreng in de onderneming van de overgenomen helft van het appartementsrecht. De stukken van het geding bieden geen aanknopingspunt om aan te nemen dat het appartement niet voor duurzame zelfbewoning bestemd zou blijven.
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat het Hof bij het bepalen van de inbrengwaarde van de overgenomen helft van het appartementsrecht terecht is uitgegaan van de waarde van het appartement in bewoonde staat.1 Het middel faalt.

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.

1 Vgl. HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4036, rechtsoverweging 3.3.