Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:860

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
20/00148
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1202, Contrair
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Caribische zaak (Curaçao). Procesrecht. Mocht het hof voor de in eerste aanleg toegewezen schadevergoeding in natura (art. 6:103 BW Curaçao) een andere vorm van schadevergoeding in de plaats stellen? Partijdebat in hoger beroep. Grenzen van de rechtsstrijd. Art. 281a Rv Curaçao.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/1807
NJ 2021/215
RvdW 2021/615
JBPr 2021/29 met annotatie van Lewin, G.C.C.
RAV 2021/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/00148

Datum 11 juni 2021

ARREST

In de zaak van

[de strandexploitant] N.V., handelende

onder de naam [A],
gevestigd in [vestigingsplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: [A],

advocaat: J.W.H. van Wijk,

tegen

1. WATERSPORTS EVENTS B.V.,
gevestigd in Curaçao,

hierna: Watersports,

2. SUBLUB CURAÇAO B.V.,
gevestigd in Curaçao,

hierna: Sublub,

3. [de vrouw],
wonende in [woonplaats]

hierna: [de vrouw],

4. [de man],
wonende in [woonplaats],

hierna: [de man],

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: Watersports c.s.,

advocaat: J. den Hoed.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak AR 74008/2015 van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 22 februari 2016, 5 juni 2017 en 11 december 2017;

  2. het vonnis in de zaak AR74008/2015 CUR201501204 en CUR2018H00010 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 15 oktober 2019.

[A] heeft tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Watersports c.s. hebben verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [A] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1. Deze komen, samengevat, op het volgende neer.

(i) [de vrouw] en [de man] zijn aandeelhouder van Sublub, die een duikschool exploiteert.

(ii) In 2012 zijn [de vrouw] en [de man] begonnen met de voorbereiding van een samenwerking met een derde (hierna: de compagnon). Deze samenwerking had ten doel in een gezamenlijke onderneming duik- en waterscooteractiviteiten aan te bieden vanaf het strand van [A].

(iii) In juli 2013 is een ‘intentieverklaring’ tot stand gekomen tussen [A] enerzijds en (het toen nog niet opgerichte) Watersports. De intentieverklaring vermeldt onder meer dat Watersports gelegenheid krijgt om op het strand van [A] een opstal (hierna: de opstal) te bouwen ten behoeve van haar bedrijfsactiviteiten en dat voor de opstal een nader omschreven huurprijs is overeengekomen.

(iv) Op 19 juli 2013 is Watersports opgericht. Sublub en de compagnon zijn ieder voor de helft aandeelhouder van Watersports.

(v) In het najaar van 2013 is begonnen met de bouw van de opstal.

(vi) Op 1 maart 2014 is Watersports begonnen met haar activiteiten op het strand van [A].

(vii) In mei 2014 is een huurovereenkomst met betrekking tot de opstal gesloten tussen [A] als verhuurder en de compagnon (in privé) als huurder, met als ingangsdatum 1 maart 2014.

(viii) In het najaar van 2014 is een concurrerend watersportbedrijf opgericht, waarvan de compagnon aandeelhouder en bestuurder is. Vanaf december 2014 exploiteert dit bedrijf een duikschool vanuit de opstal.

2.2

Watersports c.s. hebben bij inleidend verzoekschrift gevorderd, voor zover in cassatie van belang, (1) een verklaring voor recht dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Watersports c.s. door de huurovereenkomst niet op naam van Watersports maar op naam van de compagnon in privé af te sluiten, (2) een veroordeling van [A] om de huurovereenkomst alsnog met Watersports aan te gaan, (3) een veroordeling van [A] tot betaling van een voorschot van NAf 200.000,-- ter zake van ‘resterende’ schade en tot schadevergoeding, op te maken bij staat en (4) subsidiair, voor het geval dat de huurovereenkomst niet alsnog op naam van Watersports wordt gesteld, een veroordeling van [A] tot betaling van een voorschot van NAf 750.000,-- en tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

2.3

Het gerecht1 heeft de vorderingen van Watersports grotendeels toegewezen. Het dictum van het vonnis luidt, voor zover in cassatie van belang:

“5.1. verklaart voor recht dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Watersports door de huurovereenkomst niet op naam van Watersports af te sluiten maar op naam van [de compagnon] privé;

5.2.

veroordeelt [A] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis een huurovereenkomst ter zake de duikschool met Watersports aan te gaan, conform de bepalingen zoals opgenomen in de overeenkomst [met de compagnon], een en ander op straffe van een dwangsom van NAf 1.500 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [A] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van NAf 150.000;

5.3.

verstaat dat de termijn als bedoeld in artikel 6:103, tweede volzin, BW wordt bepaald op zes maanden na datum van dit vonnis en veroordeelt [A], indien zij niet binnen die termijn aan de onder 5.2 bedoelde veroordeling voldoet, tot vergoeding van de schade van Watersports als gevolg van de in 5.1 bedoelde onrechtmatige daad, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.4.

veroordeelt [A], indien zij voldoet aan de onder 5.2 bedoelde veroordeling, tot vergoeding van de schade van Watersports in de periode van 1 maart 2014 tot de ingangsdatum van de in 5.2 bedoelde overeenkomst, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(…)”

2.4.1

Het hof2 heeft in het principale hoger beroep van [A] het vonnis van het gerecht vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.4 betreft. Het hof heeft in plaats daarvan [A] veroordeeld tot vergoeding van alle schade die Watersports heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onder 5.1 van het dictum in eerste aanleg vastgestelde onrechtmatige daad van [A], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

In het incidentele hoger beroep van Watersports c.s. heeft het hof het bestreden vonnis bevestigd, onder aanvulling van de door het gerecht uitgesproken proceskostenveroordeling.

2.4.2

Het hof heeft in de rov. 2.4.1-2.4.4 van zijn vonnis, kort samengevat, overwogen dat [A], door niet met Watersports maar met de compagnon te contracteren, onrechtmatig jegens Watersports heeft gehandeld. Het hof heeft vervolgens, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“2.5 Voldoende aannemelijk is de mogelijkheid dat Watersports enige schade heeft geleden doordat de overeenkomst niet op haar naam, maar op die van [de compagnon] in privé is gesteld. (…)

2.6

Anders dan het Gerecht, acht het Hof bij de huidige stand van zaken de verplichting om alsnog een huurovereenkomst aan te gaan geen gepaste manier om de schade te redresseren. Zo uit de verwikkelingen rond de nakoming van onderdeel 5.2. van het dictum al niet moet worden afgeleid dat bij beide partijen de werkelijke wil om met elkaar in zee te gaan ontbreekt, moet in elk geval worden geconstateerd dat de verhoudingen inmiddels dusdanig zijn verstoord en dat het zozeer ontbreekt aan het voor een langdurige samenwerking onontbeerlijke minimum aan wederzijds vertrouwen dat de veroordeling zoals het Gerecht die onder 5.2. heeft uitgesproken meer problemen zal creëren dan oplossen. In zoverre hebben de principale grieven 2 en 3 wel succes en zal het bestreden vonnis worden vernietigd.

(…)

2.8

Een oordeel over die schade is in dit geding zonder nader debat en eventueel instructie niet te geven. Het Hof zal daartoe geen gelegenheid bieden omdat Watersports ervoor heeft gekozen al een schadestaatprocedure aanhangig te maken die naar het Hof ambtshalve bekend is (vooralsnog) is uitgeconcludeerd. Mede gelet op de door partijen in dat geding reeds gemaakte kosten, verdient het de voorkeur dat de schade in die schadestaatprocedure wordt vastgesteld. Niet alleen is dan eerder een (eerste) oordeel te verwachten, maar het voordeel is ook dat een beoordeling in twee instanties mogelijk is. De verwijzing naar de schadestaat blijft daarom gehandhaafd, zij het dat niet meer behoeft te worden onderscheiden tussen de periode vóór en na het alsnog aangaan van de huurovereenkomst met Watersports. (…).

(…)

2.12

De principale grieven 2 en 3 leiden ertoe dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd voor zover daarin de in 5.2 tot en met 5.4 weergegeven beslissingen zijn genomen; voor het overige falen de grieven in het principaal appel. In het dictum zal een aangepaste veroordeling met verwijzing naar de schadestaat worden gegeven. Het subsidiaire onderdeel van incidentele grief 2 leidt ertoe dat het bestreden vonnis zal worden aangevuld met een beslissing als na te melden; voor het overige falen de incidentele grieven. Het vonnis waarvan beroep dient daarom voor het overige te worden bevestigd. (…)”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 3 klaagt dat het hof met zijn oordelen in de rov. 2.6, 2.8 en 2.12 is getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Gelet op hetgeen partijen aan hun principale en incidentele hoger beroep ten grondslag hebben gelegd, mocht het hof niet de onder 5.2 tot en met 5.4 van het dictum van het vonnis van het gerecht weergegeven beslissingen vernietigen en vervangen door de aangepaste veroordeling met verwijzing naar de schadestaat, aldus het onderdeel.

3.2.1

Ingevolge art. 6:103, tweede volzin, BW Curaçao (hierna: BWC) kan de rechter op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom toekennen.

Het gerecht heeft in dit geval van deze bevoegdheid gebruikgemaakt en [A] onder meer veroordeeld om een huurovereenkomst met Watersports aan te gaan (zie hiervoor in 2.3).

3.2.2

De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat [A] op diverse gronden is opgekomen tegen het oordeel van het gerecht dat zij schadeplichtig is jegens Watersports, maar dat zij niet is opgekomen tegen de door het gerecht op de voet van art. 6:103, tweede volzin, BWC toegewezen vorm van de schadevergoeding.

De stukken van het geding laten voorts geen andere conclusie toe dan dat beide partijen zich in hoger beroep – voor het geval dat [A] tot schadevergoeding wordt veroordeeld – hebben verenigd met de door het gerecht toegewezen vorm van de schadevergoeding, bestaande in de verplichting van [A] om een huurovereenkomst met Watersports aan te gaan.

[A] heeft in dit verband in hoger beroep onder meer aangevoerd dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat Watersports de duikschool exploiteert, dat zij al een op naam van partijen en door haar ondertekende huurovereenkomst aan Watersports heeft gestuurd en daarmee heeft voldaan aan de veroordeling tot het aangaan van een huurovereenkomst met Watersports, en dat daarom aan deze veroordeling geen dwangsom behoeft te worden verbonden.

Watersports c.s. hebben in hoger beroep onder meer aangevoerd dat hun insteek steeds is geweest dat [A] in rechte gedwongen wordt om alsnog een huurovereenkomst met Watersports aan te gaan, waarmee een deel van de schadevergoeding omgezet wordt in de verplichting tot het alsnog aangaan van een huurovereenkomst met Watersports. Zij hebben de vordering dat de huurovereenkomst op hun naam wordt gesteld uitdrukkelijk gehandhaafd en voorts hun eis gewijzigd in die zin, voor zover thans relevant, dat [A] slechts aanvullend, naast hetgeen het gerecht reeds heeft toegewezen, wordt veroordeeld tot schadevergoeding in geld.

3.2.3

Het hiervoor in 3.2.2 kort weergegeven partijdebat laat geen andere conclusie toe dan dat partijen in hoger beroep de door het gerecht toegewezen vorm van schadevergoeding buiten de rechtsstrijd hebben gehouden. Het stond het hof daarom niet vrij om een andere vorm van schadevergoeding in de plaats te stellen voor de door het gerecht uitgesproken veroordeling van [A] om een huurovereenkomst met Watersports aan te gaan.

3.2.4

Aan hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, doet niet af dat art. 281a Rv Curaçao bepaalt dat het hof, indien terzake geen middel is voorgesteld, ambtshalve recht kan doen. Uit deze bepaling volgt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de toewijzing door het gerecht van de vordering van Watersports c.s. voor vernietiging in aanmerking kwam, zich in beginsel niet behoefde te beperken tot een onderzoek van de aangevoerde grieven.3 Deze in het Curaçaose procesrecht bestaande bevoegdheid om buiten de grieven om het bestreden vonnis te vernietigen, mocht het hof evenwel niet uitoefenen buiten de grenzen van de rechtsstrijd.

3.2.5

De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt dus.

3.3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige klachten geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 15 oktober 2019;

- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Watersports c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [A] begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 11 juni 2021.

1 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 11 december 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:186.

2 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba 15 oktober 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:257.

3 Vgl. HR 7 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2099, rov. 3.4 en HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6944, rov. 3.3.2.