Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:830

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
20/01108
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:366
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2020:749
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van medeplegen van mensensmokkel in bestelbus naar Groot-Brittanniƫ en een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, art. 197a Sr. Middel over ontbreken strafbaarheid doordat Groot-Brittanniƫ geen EU-lidstaat meer is. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/01100.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/01108

Datum 8 juni 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 maart 2020, nummer 22-003460-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2021.