Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:805

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
19/05423
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:235
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:3141
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering uit hoofde van beroep (meermalen gepleegd), art. 321 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1989:ZC8253 m.b.t. betekenis van begrip “zich wederrechtelijk toe-eigenen” a.b.i. art. 321 Sr. Uit bewijsvoering blijkt dat t.b.v. A en B naar derdengeldenrekening van X overgemaakte geldbedragen niet (geheel) aan begunstigden zijn doorbetaald en dat verdachte, die verantwoordelijk was voor de bijgeschreven bedragen, toegang had tot deze gelden. Hieruit kan echter niet z.m. volgen dat verdachte zich desbetreffende geldbedragen op derdengeldenrekening van maatschap wederrechtelijk heeft toegeëigend. Bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/05422.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0172 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05423

Datum 8 juni 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2019, nummer 22-005461-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toeeigening niet uit de gebezigde bewijsvoering kan volgen.

De uitspraak van het hof

2.2.1

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:

“1. hij op tijdstippen in de periode van 21 oktober 2008 tot en met 18 juni 2011 te Leiden, opzettelijk geldbedragen, die toebehoorden aan [betrokkene 1], en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn beroep als juridisch dienstverlener, anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2. hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 december 2011 te Leiden opzettelijk geldbedragen, die geheel of ten dele toebehoorden aan [betrokkene 2], en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn beroep als juridisch dienstverlener, anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

2.2.2

Het hof heeft het vonnis in eerste aanleg bevestigd met aanvulling van gronden. Dit vonnis bevat de volgende bewijsvoering:

“Maatschap

Verdachte heeft met [betrokkene 3] een maatschap opgericht. Deze maatschap trad naar buiten onder de naam [A]. Bij schriftelijke ‘overeenkomst van bijzondere maatschap zonder winstoogmerk (kostenmaatschap)’ van 28 maart 2002 is overeengekomen dat verdachte en [betrokkene 3] zouden delen in de algemene kosten van kantoor en dat zij afgescheiden werkzaamheden en financiële stromen zouden hebben. Voorts is overeengekomen dat verdachte zorg zou dragen voor het beheer van de maatschapsrekeningen en de administratie. Uit de gemaakte afspraken vloeit voort dat verdachte persoonlijk verantwoordelijk is voor gelden die ten behoeve van zijn klanten worden gestort op de derdengeldenrekening ten name van [A]. De maatschap [A] is geen rechtspersoon en, anders dan de raadsman heeft betoogd, kan [A] als zodanig dus geen gelden onder zich hebben.

Behandeling letselschadezaken [betrokkene 1] en [betrokkene 2]

Verdachte heeft als juridisch adviseur namens [A] de schade van zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] in behandeling genomen.

(...)

Uit de verklaringen van [betrokkene 5], [betrokkene 4], [betrokkene 6] en [betrokkene 2] komt naar voren dat het verdachte was die de zaken van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] behandelde. Dit sluit aan bij de verklaring van [betrokkene 7], die tussen april 2005 en maart 2007 werkzaam is geweest bij [A]. Hij heeft verklaard dat verdachte alle letselschadezaken behandelde en dat [betrokkene 3] de arbeidszaken deed. Ook heeft hij verklaard dat verdachte de gehele (financiële) administratie van [A] deed. (...)

[betrokkene 3] was weliswaar net als verdachte gemachtigd ten aanzien van de derdengeldenrekening met rekeningnummer [001] en de zakelijke rekening met rekeningnummer [002], die beide op naam van [A] staan, maar daaruit volgt niet dat hij verantwoordelijk was voor gelden die ten behoeven van klanten van [verdachte] op die derdengeldenrekening werden overgemaakt.

De rechtbank verwerpt dan ook de lezing van de verdediging dat [betrokkene 3] betrokken was bij betalingen respectievelijk overboekingen in de zaken [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en gaat ervan uit dat slechts verdachte zich daarmee bezighield.

Tussenconclusie

Gelet op de voornoemde conclusie dat verdachte degene is die persoonlijk verantwoordelijk is voor gelden die ten behoeve van zijn klanten worden gestort op de derdengeldenrekening van [A], dat verdachte (mede)gemachtigd is tot die derdengeldenrekening en dat het verdachte is geweest die de letselschade zaken van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] behandelde, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is die als feitelijk heer en meester kon beschikken over de gelden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] die op de derdengeldenrekening van [A] werden overgeboekt door Achmea en Allianz.

Kosten verrekenen?

Is er sprake geweest van het verrekenen van kosten, zoals de verdediging heeft aangevoerd?

[betrokkene 5] heeft bij de politie verklaard dat er niet is afgesproken dat de juridische kosten in mindering gebracht konden worden op de aan [betrokkene 1] te betalen voorschotten en dat verdachte, gevraagd naar de kosten, altijd zei dat dit achteraf kwam, als de zaak afgehandeld was. Ook [betrokkene 6] heeft verklaard dat de naar de derdengeldenrekening van [A] overgemaakte voorschotten geheel voor [betrokkene 1] waren bedoeld en dat het niet de bedoeling was dat daarvan kosten zouden worden ingehouden. Buitengerechtelijke kosten worden separaat beoordeeld en rechtstreeks aan de belangenbehartiger uitgekeerd. Uiteindelijk is daarvoor een bedrag van € 20.000,- afgesproken, aldus [betrokkene 6]. Uit het dossier is niet gebleken dat door verdachte juridische kosten zijn gefactureerd aan [betrokkene 1] in de tenlastegelegde periode. Dit terwijl verdachte, zoals hij tegenover de politie heeft verklaard, bij een verrekening de kosten declareerde bij [betrokkene 1] en een kopie van de factuur aan de verzekeraar zond. De rechtbank ziet dan ook geen reden te twijfelen aan de voornoemde verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6].

[betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte ook een zaak tegen het UWV voor hem aangespannen heeft en dat was afgesproken dat deze declaraties ingehouden konden worden op de voorschotten van Allianz. Dit betroffen twee declaraties van respectievelijk € 1.762,- en € 766,36. Uit het dossier is niet gebleken dat er meer facturen, betreffende de procedure tegen het UWV dan wel buitengerechtelijke kosten, verrekend zijn. Voorts heeft [betrokkene 2] ontkend dat er op zijn verzoek afspraken zijn gemaakt over het achterhouden van voorschotten.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het betoog van de verdediging dat verdachte gerechtigd was om door [betrokkene 1] dan wel [betrokkene 2] nog niet betaalde buitengerechtelijke kosten te verrekenen met voor hen ontvangen schadevoorschotten en dat zulke verrekeningen hebben plaatsgevonden.

Contante uitbetalingen

Is er sprake geweest van contante uitbetalingen, zoals de verdediging heeft aangevoerd?

Verdachte heeft na zijn verhoor een geschrift overgelegd, voorstellende een kopie van een kwitantie voor een contante betaling van € 10.000,- door [betrokkene 3] aan mw. D. [betrokkene 5] voor [betrokkene 1] op 25 maart 2011. [betrokkene 4] heeft echter verklaard nooit een bedrag van € 10.000,- ontvangen te hebben en de kwitantie niet te herkennen. Ook [betrokkene 5] heeft verklaard niet bekend te zijn met contante uitbetalingen aan [betrokkene 1]. Verdachte zelf heeft verklaard dat [betrokkene 5], buiten een eenmalig verzoek om een voorschot van € 5000,- voor een dakkapel, nooit om een voorschot heeft gevraagd. Uit het dossier is voorts niet gebleken dat er op of rond 25 maart 2011 met een bedrag van € 10.000,- corresponderende opnames zijn gedaan van bankrekeningen van [A] of van verdachte. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat genoemde contante betaling van € 10.000,- aan of ten behoeve van [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden.

(...)

Verdachte heeft voorts een drietal geschriften overgelegd, voorstellende kopieën van kwitanties voor contante betalingen aan [betrokkene 2]. De kwitanties zien op contante betalingen van € 7.500,- op 29 maart 2010, € 4.500,- op 24 juni 2010 en € 3.500,- op 1 november 2010, aldus in totaal € 15.500,-. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij nooit contante voorschotten van verdachte heeft ontvangen. [betrokkene 2], die op 8 november 2014 is overleden, is echter nooit met voornoemde geschriften geconfronteerd. De rechtbank stelt vast dat overschrijvingen hebben plaatsgevonden van de derdengelden-rekening van [A] met rekeningnummer [001] naar de bankrekening met nummer 4621876 die op naam staat van verdachte en dat vervolgens van die rekening verschillende betalingen en opnamen zijn verricht. Uit de bankafschriften van voornoemde rekeningen blijkt dat er bij overschrijvingen in 2010 (op de bankrekening 4621876) melding is gemaakt van de zaak [betrokkene 2]. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat deze overschrijvingen ook daadwerkelijk ten behoeve van de hiervoor vermelde contante uitbetalingen in 2010 aan [betrokkene 2] zijn verricht en dat de gestelde contante betalingen aan [betrokkene 2] hebben plaatsgevonden. De rechtbank geeft verdachte op dit punt het voordeel van de twijfel.

Dit neemt niet weg dat de contante betalingen ten bedrage van in totaal € 15.500,- samen met het overgemaakte bedrag van € 7.500,- niet het gehele bedrag dekken waar [betrokkene 2], gelet op de door Allianz vanaf 2009 op de derdengeldenrekening van [A] overgemaakte voorschotten, recht op zou hebben. Immers resteert dan nog een bedrag van (€ 60.000,- - € 7.500,- - € 15.500,- =) € 37.500,- dat niet aan [betrokkene 2] is doorbetaald.

Wederrechtelijke toe-eigening

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat voorschotten die bestemd waren voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en op de derdengeldenrekening van [A] zijn bijgeschreven, tot bedragen van respectievelijk € 32.500 en € 37.500 niet aan hen zijn doorbetaald. Aldus heeft verdachte, die deze zaken behandelde en verantwoordelijk was voor de bedragen die ten behoeve van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de derdengeldenrekening van [A] waren overgeboekt, naar het oordeel van de rechtbank de betreffende geldbedragen zich opzettelijk wederechtelijk toegeëigend, uit hoofde van zijn beroep van juridisch dienstverlener. Voor de bewezenverklaring van de wederrechtelijke toe-eigening is niet vereist dat wordt aangetoond waar het geld is gebleven of waaraan het is besteed, zodat de rechtbank dat buiten beschouwing laat.

Conclusie

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte uit hoofde van zijn beroep van juridisch dienstverlener in de tenlastegelegde periode geldbedragen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft verduisterd.”

Het oordeel van de Hoge Raad

2.3

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘zich wederrechtelijk toe-eigenen’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. onder meer HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253).

2.4

Uit de bewijsvoering blijkt kort gezegd dat ten behoeve van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar de derdengeldenrekening van [A] overgemaakte geldbedragen niet (geheel) aan de begunstigden zijn doorbetaald en dat de verdachte, die verantwoordelijk was voor de bijgeschreven bedragen, toegang had tot deze gelden.
Hieruit kan echter niet zonder meer volgen dat de verdachte zich de desbetreffende geldbedragen op de derdengeldenrekening van de maatschap wederrechtelijk heeft toegeëigend. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.

2.5

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede cassatiemiddel, het derde cassatiemiddel en het vierde cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2021.