Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:790

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
20/00567
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:328
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:1087
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis.1.a Sr. Verbergen en verhullen van herkomst van geldbedrag (€ 94.210) in vakantiewoning? Nu uit gebezigde b.m. niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in (vakantie)woning van verdachte een grote hoeveelheid geld is aangetroffen, te weten in brandblussers, in een hoes/speeltunnel voor katten achter de bank en in een broekzak van een korte broek die op de grond lag, is bewezenverklaring wat betreft verbergen en verhullen van “herkomst” van geldbedrag, mede gelet op de wetgeschiedenis van art. 420bis.1.a Sr, zoals weergegeven in HR:2014:3687, niet toereikend gemotiveerd. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0165
NJB 2021/1723
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00567

Datum 1 juni 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2020, nummer 21-005103-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde, kort gezegd: het “verbergen of verhullen” van “de herkomst” van uit enig misdrijf afkomstige geldbedragen als bedoeld in artikel 420bis lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat hij:

“(...) op 6 april 2018 te [plaats], van een voorwerp, te weten een (grote) hoeveelheid geld, de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp ‑ onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

2.2.2

De bewijsvoering is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 en 6, waaronder de volgende bewijsoverwegingen:

“Op 6 april 2018 heeft een doorzoeking in de (vakantie)woning van verdachte te [plaats] plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking is een aanzienlijk geldbedrag, te weten in totaal € 94.210,-, aangetroffen in brandblussers, in een hoes/speeltunnel voor katten achter de bank en in een broekzak van een korte broek die op de grond lag.”

2.3

Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in de (vakantie)woning van de verdachte een grote hoeveelheid geld is aangetroffen, te weten in brandblussers, in een hoes/speeltunnel voor katten achter de bank en in een broekzak van een korte broek die op de grond lag, is de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en verhullen van de “herkomst” van het geldbedrag, mede gelet op de wetgeschiedenis van artikel 420bis lid 1, aanhef en onder a, Sr, zoals weergegeven in HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, niet toereikend gemotiveerd.

2.4

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Bespreking van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2021.