Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:785

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
19/05008
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:345
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal met valse sleutels, art. 311.1.5 Sr. Geen afschrift van dagvaarding in h.b. verzonden aan geregistreerde raadsvrouw van verdachte, die zich via kale e-mail heeft gesteld, waarna griffie deze e-mail onder vermelding van “stelbrief inzake(…) Ze is genoteerd” heeft doorgestuurd naar zittingsgriffier. Niet blijkt dat afschrift van dagvaarding in h.b. aan raadsvrouw is gezonden, terwijl volgens p-v van tz. in h.b. daar noch verdachte noch haar raadsvrouw is verschenen. Uit wat hiervoor is vermeld vloeit ernstig vermoeden voort dat (hoewel advocaat door strafgriffie van hof al was geregistreerd als raadsvrouw van verdachte) t.a.v. dagvaarding in h.b. voorschrift van tweede volzin van art. 48 Sv niet is nageleefd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05008

Datum 1 juni 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 oktober 2019, nummer 21-001442-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 48 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsvrouw van de verdachte is gezonden.

2.2.1

Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een e-mail van 24 september 2019 van de advocaat D.N.A. Brouns, gericht aan de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden, die inhoudt dat zij de verdachte in hoger beroep als raadsvrouw bijstaat. Verder bevindt zich bij de stukken een e-mail van diezelfde dag van een medewerker van de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarbij de e-mail van Brouns is doorgestuurd – naar de Hoge Raad begrijpt – naar de griffier van de terechtzitting waarop de zaak van de verdachte zou worden behandeld. De onderwerpregel houdt in “FW: stelbrief inzake cliente [verdachte] geboren op [geboortedatum]1992, parketnr. 21-001442-19”. De tekst van de e-mail luidt: “Zaak [verdachte], 4 oktober 2019. Ze is genoteerd.”

2.2.2

Bij de stukken bevindt zich ook een kopie van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op die kopie noch uit enig ander stuk dat aan de Hoge Raad is gezonden, kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan de raadsvrouw van de verdachte is gezonden. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is daar noch de verdachte noch haar raadsvrouw verschenen.

2.3

Uit wat hiervoor is vermeld vloeit het ernstige vermoeden voort dat – hoewel Brouns door de strafgriffie van het hof al was geregistreerd als de raadsvrouw van de verdachte – ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift van de tweede volzin van artikel 48 Sv niet is nageleefd.

2.4

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2021.