Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:760

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
21/00286
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:212
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:815, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in belang der wet. Duur tbs met verpleging als tbs is opgelegd t.z.v. misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (geweldsmisdrijf) a.b.i. 38e.1 Sr. Kan in dergelijk geval rechter die deze maatregel oplegt bepalen dat duur van maatregel is gemaximeerd? Uit stelsel van de wet volgt als uitgangspunt dat het opleggingsrechter is die oordeelt of tbs is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY8434). Blijkens wetsgeschiedenis dient dit oordeel te zijn gebaseerd op de “aard van het feit”. Wordt tbs met verpleging opgelegd n.a.v. een geweldsmisdrijf, dan is de in art. 38e.1 Sr bedoelde beperking van totale duur van de maatregel tot vier jaar niet van toepassing en kan rechter die oordeelt over verlenging van de maatregel de duur daarvan zonder beperking verlengen met telkens één of twee jaar. Het is dus de rechter die oordeelt over verlenging van de maatregel die totale duur van tbs bepaalt. Deze taakverdeling tussen opleggingsrechter en verlengingsrechter houdt hiermee verband dat het enerzijds mede vanuit de rechtspositie van ter beschikking gestelde bezien gewenst is dat bij oplegging van tbs voorzienbaar is of deze wel of niet in duur gemaximeerd is, terwijl anderzijds in het algemeen de verlengingsrechter beter in staat is dan de opleggingsrechter om te beoordelen hoe lang - mede gelet op de resultaten van de na de oplegging van die maatregel ingezette (psychiatrische) behandeling van betrokkene en het daarmee samenhangende recidiverisico - de tbs met verpleging moet voortduren. Hof heeft dit miskend. Volgt vernietiging in belang der wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0147 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/1652
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/00286 CW

Datum 25 mei 2021

ARREST

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2018, nummer 22-005267-17, in de zaak

van

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de veroordeelde.

1 De uitspraak van het hof

Bij de bestreden beslissing heeft het hof aan de veroordeelde een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd wegens onder meer de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, te weten - kort gezegd - het deelnemen aan training voor terrorisme en de voorbereiding van een terroristisch misdrijf. Daarnaast heeft het hof gelast dat de verdachte ter zake van die feiten ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging (hierna: tbs met verpleging).

2 Het cassatieberoep

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

3 Waar het in deze zaak om gaat

Deze zaak gaat over de maximale duur van tbs met verpleging, in gevallen waarin die tbs is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna ook: geweldsmisdrijf) als bedoeld in artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of in een dergelijk geval de rechter die deze maatregel oplegt kan bepalen dat de duur van de maatregel is gemaximeerd.

4 De overwegingen van het hof

Het hof heeft - voor zover in cassatie van belang - het volgende overwogen:

“Motivering van de maatregel

Het hof is van oordeel dat de conclusie van de onderzoekers van het PBC dat bij de verdachte (ook) ten tijde van het begaan van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, wordt gedragen door hun bevindingen.

Het hof is ten aanzien van het advies van het PBC dat de verdachte moet worden geplaatst binnen een beschermde woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking en autisme waarbij intensieve en langdurige begeleiding wordt geboden, van oordeel dat deze voorwaarde strikt noodzakelijk is in de situatie dat de verdachte in vrijheid is gesteld.

Het hof stelt vast dat de door de reclassering in hoger beroep voorgestelde begeleiding onverminderd niet overeenkomt met dit advies van het PBC en de begeleiding die het PBC voor ogen stond bij het schrijven van dat advies. Het hof overweegt in dit verband dat er naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank geen voorbereidingen zijn getroffen ter uitvoering van de (dadelijk uitvoerbaar bevolen) bijzondere voorwaarde dat de verdachte - kortgezegd - verplicht is te verblijven in een passende beschermde woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking en autisme, een voorwaarde waarvan het hof - zoals hierboven reeds aangegeven - van oordeel is dat deze strikt noodzakelijk is.

Het hof is dan ook van oordeel dat het ontbreken van intensieve en langdurige hulpverlening in een gespecialiseerde setting in de weg staat aan het opleggen van voorwaarden aan de verdachte in het kader van een voorwaardelijk strafdeel dan wel in het kader van een terbeschikkingstelling.

Het hof is van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden en gegeven het hoge recidive risico, geen andere mogelijkheid resteert dan dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen, het gelasten van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege eist. De verdachte is zonder dat iemand van zijn naasten het in de gaten had, vergaand geradicaliseerd, hij is en handelt op zichzelf en is daarin zeer gedreven. De onderzoekers van het PBC hebben slechts beperkt toegang gekregen tot de gevoels- en belevingswereld van de verdachte. Tijdens het onderzoek ontkent hij elke vorm van woede of agressie terwijl aantoonbaar is dat de verdachte al vanaf jonge leeftijd is gefascineerd door agressie en geweld. De vereiste tbs is - gegeven de ernst van de feiten en het hoge recidiverisico - een beveiligingsmaatregel voor de maatschappij omdat de verdachte, zonder de door het hof als noodzakelijk aangeduide stringente voorwaarden waaronder de verdachte begeleid in vrijheid zou kunnen leven, een ernstig gevaar voor de samenleving zal opleveren.

Het hof stelt tot slot vast dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen, gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld, waarmee aan die voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van tbs is voldaan.

In dit specifieke geval strekt de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege ertoe de verdachte te doen plaatsen binnen een beschermde woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking en autisme waarbij intensieve en langdurige begeleiding wordt geboden. Deze bijzondere omstandigheden hebben het hof ertoe gebracht voor wat betreft de duur van de terbeschikkingstelling niet de redenen op te geven waarop gedoeld wordt in artikel 359 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering. Dit brengt mee dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege de periode van vier jaar niet te boven kan gaan.”

5 Wettelijk kader

5.1

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 37a lid 1 Sr, zoals dat luidde ten tijde van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten (in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 19 augustus 2016):

“De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:

1° het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (...).

2° de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.”

- Artikel 37b lid 1 Sr:

“De rechter kan bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.”

- Artikel 38d Sr:

“1. De terbeschikkingstelling geldt voor de tijd van twee jaar, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden.

2. De termijn van de terbeschikkingstelling kan, behoudens het bepaalde in artikel 38e of artikel 38j, door de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, telkens hetzij met een jaar hetzij met twee jaar worden verlengd, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist.”

- Artikel 38e Sr:

“1. De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

(...)

3. Indien de totale duur van de terbeschikkingstelling niet in tijd is beperkt, kan de termijn van de terbeschikkingstelling telkens worden verlengd, wanneer de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen die verlenging eist.”

- Artikel 359 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan.”

5.2.1

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 15 december 1993, Stb. 1994, 13, waarbij de artikelen 38e Sr en 359 lid 7 Sv werden ingevoerd houdt, voor zover hier van belang, in:

“Gelet op het voorgaande stel ik voor de rechter die de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging oplegt, te laten beslissen of de terbeschikkingstelling met verpleging al of niet gemaximeerd is. Hij kent het procesdossier goed en kan zich het beste een beeld vormen over het daad-dadercomplex. Vanaf het begin van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling staat dan vast of deze al dan niet gemaximeerd is. Voorts lijkt het zowel vanuit het behandelingsperspectief als vanuit de rechtspositie van de ter beschikking gestelde bezien gewenst dat op het moment dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd, te voorzien is of het een gemaximeerde dan wel een niet-gemaximeerde terbeschikkingstelling betreft. Het behandelingsplan kan daarop afgestemd worden. De ter beschikking gestelde weet immers in geval van een gemaximeerde terbeschikkingstelling hoe lang deze maximaal kan duren. In het voorgestelde eerste lid van artikel 38e WvSr is daarom het woord «toegepast» vervangen door het woord: opgelegd. Of vervolgens ook voldaan is aan de voorwaarde dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging eist, blijft ter beoordeling van de verlengingsrechter. Zie hiertoe het voorgestelde tweede lid van artikel 38e WvSr.

De rechter die de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging oplegt zal gemotiveerd moeten beslissen of er sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

(Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 3, p. 9.)

5.2.2

De memorie van antwoord bij voornoemd wetsvoorstel houdt met betrekking tot de artikelen 38e Sr en 359 lid 7 Sv onder meer het volgende in:

“De beslissing over de vraag of de terbeschikkingstelling gemaximeerd is, wordt in het voorgestelde art. 38e Sr. genomen bij de oplegging van de maatregel en is gebaseerd op het oordeel over de aard van het feit. Bij de behandeling van de vordering tot verlenging van de maatregel is niet meer aan de orde of het gepleegde delict al dan niet tot de uitzonderingsgevallen genoemd in art. 38e, eerste lid, behoort; dat heeft de rechter die de maatregel oplegde reeds bepaald en ingevolge het aangevulde motiveringsvoorschrift van artikel 359 in de uitspraak verantwoord. In de huidige regeling is het mogelijk dat de rechter zich bij zijn beslissing over de verlenging uitlaat over de ernst van het feit waarvoor de maatregel was opgelegd.”

(Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 6, p. 5.)

6 Beoordeling van het cassatiemiddel

6.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bepaald dat de duur van de opgelegde tbs met verpleging is gemaximeerd tot vier jaar. Het voert daartoe aan dat het hof heeft miskend dat het aan de rechter die de tbs met verpleging oplegt (hierna ook: opleggingsrechter) niet vrij staat de duur van deze maatregel te beperken ingeval die rechter heeft vastgesteld dat deze maatregel is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf.

6.2

Uit het stelsel van de wet, zoals daarvan blijkt uit het hiervoor weergegeven juridisch kader, volgt als uitgangspunt dat het de opleggingsrechter is die oordeelt of de tbs is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf (vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434). Blijkens de onder 5.2.2 weergegeven wetsgeschiedenis dient dit oordeel te zijn gebaseerd op de “aard van het feit”.
Wordt de tbs met verpleging opgelegd naar aanleiding van een geweldsmisdrijf, dan is de in artikel 38e lid 1 Sr bedoelde beperking van de totale duur van de maatregel tot vier jaar niet van toepassing en kan de rechter die oordeelt over de verlenging van de maatregel de duur daarvan zonder beperking verlengen met telkens één of twee jaar. Het is dus de rechter die oordeelt over de verlenging van de maatregel (hierna ook: de verlengingsrechter) die de totale duur van de tbs bepaalt.
Deze taakverdeling tussen de opleggingsrechter en de verlengingsrechter houdt hiermee verband dat het enerzijds mede vanuit de rechtspositie van de ter beschikking gestelde bezien gewenst is dat bij de oplegging van de terbeschikkingstelling voorzienbaar is of deze wel of niet in duur gemaximeerd is, terwijl anderzijds in het algemeen de verlengingsrechter beter in staat is dan de opleggingsrechter om te beoordelen hoe lang ‑ mede gelet op de resultaten van de na de oplegging van die maatregel ingezette (psychiatrische) behandeling van de betrokkene en het daarmee samenhangende recidiverisico - de tbs met verpleging moet voortduren.

6.3

Blijkens de hiervoor onder 4 weergegeven overwegingen heeft het hof het voorgaande miskend door ondanks zijn vaststelling dat sprake is van een geweldsmisdrijf te bepalen dat de totale duur van de tbs met verpleging de periode van vier jaar niet te boven kan gaan.

6.4

Het cassatiemiddel slaagt.

7 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de uitspraak van het hof.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2021.