Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:753

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
19/04304
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1069, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:2169, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid juridisch adviseur. Had de juridisch adviseur moeten waarschuwen voor het risico van het doen van een tegenvoorstel tegen een eindbod? Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/1581
RvdW 2021/564
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/04304

Datum 21 mei 2021

ARREST

In de zaak van

1. [eiseres 1] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],

3. [eiseres 3],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [eisers],

advocaat: J.W. de Jong,

tegen

[verweerder], handelende

onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder],

advocaat: R.T. Wiegerink.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/01/310620 /HA ZA 16-488 van de rechtbank Oost-Brabant van 14 september 2016 en 17 mei 2017;

  2. het arrest in de zaak 200.223.374/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 juni 2019.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [verweerder] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eisers] exploiteerden sinds decennia een horecagelegenheid te [vestigingsplaats].

(ii) De gemeente heeft vanaf 2003 plannen ontwikkeld om de Spoorzone, het gebied waarin de horecagelegenheid van [eisers] was gelegen, te herstructureren en te herontwikkelen. In verband hiermee is in 2007 het ontwerpbestemmingsplan ‘Spoorzone’ ter inzage gelegd, waarin de horecagelegenheid van [eisers] werd ‘wegbestemd’.

(iii) [eisers] huurden het pand waarin hun horecagelegenheid was gevestigd. In december 2009 heeft de gemeente dit pand in verhuurde staat gekocht. De levering vond plaats op 15 januari 2010.

(iv) [eisers] en de gemeente hebben vanaf medio mei 2009 onderhandelingen gevoerd over een beëindiging/afkoop van de huurovereenkomst. [eisers] hebben zich hierbij laten bijstaan door onder meer [verweerder]. Daarnaast hebben [eisers] bureau Houdringe ingeschakeld als taxateur voor het vaststellen van de door de gemeente met betrekking tot de huurbeëindiging te betalen schadevergoeding. Nadat de onderhandelingen enige tijd stil hadden gelegen, heeft de gemeente bij brief van 10 januari 2011 onder andere het volgende meegedeeld aan [eisers]:

“De voorgenomen afkoop van de huurrechten van het door onze gemeente verworven horecapand (…) is u welbekend. Onze extern adviseur en onteigeningsdeskundige (…) heeft de schadeloosstelling gewaardeerd op € 143.000,=. U heeft vervolgens Grontmij/Houdringe benaderd. Rentmeester (…) heeft vervolgens een taxatie uitgebracht ten bedrage van € 517.500,=. Op 20 oktober is een en ander doorgesproken en verhelderd met (inmiddels oud-) burgemeester (…).

Onder voorbehoud van formele instemming door het college van burgemeester en wethouders, brengen wij hierbij een eindbod ten bedrage van € 180.000,= uit. Voor deskundigenkosten zijn wij bereid maximaal € 5.000,= te vergoeden. (…) Tevens is de gemeente bereid een inspanningsverplichting op te nemen voor de vraag naar vervangende woonruimte (huur of koop) via woningbouwvereniging Bergopwaarts, waarbij door u een voorkeur is uitgesproken voor het in ontwikkeling zijnde plan ‘Zandbosweg’. Dit eindbod doen wij gestand tot uiterlijk 15 februari 2011. Graag vernemen wij schriftelijk of u op dit finale bod in wil gaan.”

(v) [verweerder] heeft bij brief van 14 februari 2011 namens [eisers] als volgt gereageerd op de hiervoor onder (iv) genoemde brief van de gemeente:

“Na ampel overleg met de betrokken deskundigen aanvaarden cliënten hierbij uw als zodanig geduide ‘eindbod’ ten bedrage van € 180.000,= als primaire schadeloosstelling. (…) Maar gegeven de situatie waarin cliënten zich door de gemeente gebracht zien als gevolg van de ingezette planontwikkeling – het plan Spoorzone werpt zijn schaduw in negatieve zin vooruit in de bedrijfsvoering – zijn cliënten bereid een minnelijke regeling met u te treffen, in het vertrouwen dat de volgende secundaire voorwaarden bij de uitwerking van de details ook op dat punt tot een akkoord leiden:

1. Ingang huurontbinding: deze is te stellen op 1 maart a.s.. Op deze dag is de schadeloosstelling uit te betalen en gaat het verlengd gebruik in tegen een vergoeding van € 200,= per maand. (…)

2. Gespreide betaling: (…).

3. Verlengd gebruik: zoals besproken wordt voor het uitdienen en staken van de horeca-exploitatie een periode toegestaan tot tenminste 1 september 2012 met de mogelijkheid tot verlenging op verzoek van cliënten mocht de gemeente t.z.t. nog niet over het pand hoeven te beschikken voor de sloop, dus als de planning van de realisatie van het project [adres 2] het toelaat. (…)

4. Wegneemrecht: (…)

5. Deskundigenkosten: de toegezegde vergoeding voor deskundigenkosten ad € 5.000,= is beslist te weinig om de reëel gemaakte kosten te dekken, veroorzaakt door de planontwikkeling van de gemeente vooruitlopend op een passende regeling met cliënten. (...) Namens cliënten meen ik op basis van het voorgaande een fair en voor de gemeente aantrekkelijk tegenvoorstel te doen met een bedrag van € 15.000,= voor afkoop van alle deskundigenkosten.

6. Vervangende woonruimte: (…)

Als u zich in het voorgaande kunt vinden verzoek ik u om dat even te laten weten. De ingang van de huurontbinding voor wat betreft de financiële uitvoering is dan zoals aangegeven 1 maart a.s.. Ik neem aan dat er dan op korte termijn een overeenkomst tot huurontbinding ter tekening wordt voorgelegd.”

(vi) Bij e-mail van 23 februari 2011 heeft de medewerker grond aan- en verkoop van de gemeente het volgende aan [verweerder] meegedeeld:

“In de loop van januari is door de gemeente een schriftelijk eindbod gedaan, met het verzoek daarop te reageren. Uit je namens cliënt ingediende reactie blijkt dat niet wordt ingestemd met het gedane eindbod. Immers, wat betreft deskundigenkosten is de reactie/tegenvoorstel het drievoudige van hetgeen is aangeboden. Na en in overleg met de portefeuillehouder zal het college van burgemeester en wethouders worden gevraagd terzake een besluit te nemen.”

(vii) De reactie van [verweerder] op de hiervoor onder (vi) genoemde e-mail, bij e-mail van 24 februari 2011, luidde als volgt:

“Formeel is er overeenstemming over het eindbod. Alleen is […] nog het verzoek gedaan om de separate vergoeding deskundigenkosten op te hogen naar de reële kosten.(…)”

(viii) Op 3 mei 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen twee medewerkers van de gemeente enerzijds en [verweerder] en [eisers] anderzijds. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt, waarin, voor zover hier relevant, het volgende is gemeld:

“[verweerder] schetst dat na onderhandeling en wederzijdse uitwisseling van taxaties naar het oordeel van hem en zijn cliënten er na moeizame onderhandelingen overeenstemming is bereikt met de gemeente [vestigingsplaats] over de koopsom van € 180.000,= tot het beëindigen van de huur van de horecagelegenheid en de daarbij behorende woning. Verschil van mening was er over de hoogte van de vergoeding deskundigekosten, waar de gemeente € 5.000,= geboden heeft en de familie aanspraak maakt op een vergoeding van € 15.000,=. Het bod van de gemeente is door de gemeente schriftelijk uitgebracht. [eiser 2 en eiseres 3] heeft schriftelijk gereageerd dat men instemt met de hoogte van de afkoopsom maar niet over de vergoeding deskundige. [eiser 2 en eiseres 3] benadrukken dat zij op voorstel en verzoek van de gemeente tot onderhandeling overgegaan zijn en de afgelopen jaren daarvoor kosten voor begeleiding hebben moeten maken (accountant, begeleiding, tegentaxatie e.d..). Zij doen een beroep op het op fatsoenlijke wijze afronden door de gemeente van de onderhandeling. De heer [medewerker grond- en aankoop van de gemeente] geeft aan dat het bod dat de gemeente heeft gedaan onder voorbehoud van instemming van het college van burgemeester en wethouders is uitgebracht. De mededeling van de familie dat men het niet eens is met de geboden vergoeding voor deskundigen vat de gemeente op als een afwijzing van het aanbod. [verweerder] geeft aan dat [eiser 2 en eiseres 3] inmiddels akkoord kan gaan met het tussenbod wat de heer [medewerker grond- en aankoop van de gemeente] gedaan heeft om te middelen en uit te gaan van € 10.000,= vergoeding kosten deskundige. De heer [medewerker van de gemeente] geeft aan dat hij uit een mailwisseling van [verweerder] met de heer [medewerker grond- en aankoop van de gemeente] opmaakt dat [eiser 2 en eiseres 3] ook instemt met het oorspronkelijke bod van de gemeente, maar zich dan het recht voorbehoudt om de raad te informeren van de in hun ogen niet fatsoenlijke afhandeling van de verwerving. [eiser 2 en eiseres 3] en [verweerder] bevestigen wat de heer [medewerker van de gemeente] aangeeft (…)”.

(ix) Bij brief van 25 augustus 2011 heeft de gemeente aan [eisers] onder meer het volgende meegedeeld:

“Wij hebben uw adviseur onverwijld bij schrijven d.d. 18 februari 2011 geïnformeerd, dat wij diens reactie beschouwen als niet instemmen met ons eindbod en dat wij daarmede ons eindbod als verworpen beschouwen. In het licht van de eerdere toezegging tot een maximale vergoeding voor deskundigenkosten van € 5.000,= moet het voldoende duidelijk zijn geweest, dat de vergoeding van deskundigenkosten voor ons geen ondergeschikt punt betrof. U en uw adviseur wisten dat de gemeente geen hogere vergoeding dan € 5.000,= accepteerde. Door desondanks een tegenbod in te brengen, werd op een wezenlijk punt afgeweken van hetgeen uitdrukkelijk steeds door de gemeente als uitgangspunt is overgebracht.(…) Onze visie dat het onderhandelingstraject was doorlopen en dit niet heeft geleid tot wilsovereenstemming blijft overeind. De brief van uw adviseur van 14 februari 2011 en onze onverwijlde reactie bij schrijven van 18 februari 2011 maken volstrekt duidelijk dat geen overeenkomst tot stand is gekomen. Ons eindbod van 10 januari 2011 markeerde het eindpunt van de onderhandelingen. (…)”.

(x) Vervolgens hebben [eisers] een vordering ingesteld tegen de gemeente strekkende tot een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de onderhandelingen met hen af te breken. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Dit is in hoger beroep bekrachtigd.

(xi) Op 29 september 2015 is alsnog tussen de gemeente en [eisers] een beëindigingsovereenkomst tot stand gekomen, waarbij de huur is beëindigd met ingang van 1 oktober 2015, in verband waarmee een vergoeding zal worden betaald van € 75.000,--. Dit bedrag betreft een vergoeding voor het verlies van woongenot en een compensatie voor het zoeken naar vervangende woonruimte alsmede de inrichting daarvan. Daarnaast is tussen de gemeente [vestigingsplaats] en [eisers] voor het pand een gebruiksovereenkomst gesloten voor de duur van één jaar.

2.2

[eisers] vorderen in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht wordt verklaard dat [verweerder] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk en vakbekwaam adviseur verwacht mag worden en dat hij aansprakelijk is voor de door hen geleden schade.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.1 Het heeft daarbij als volgt overwogen.

Een juridisch adviseur dient de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat een adviseur zijn cliënt niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Wanneer een adviseur een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt deze zorgvuldigheidsplicht mee dat de adviseur de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een adviseur de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn. (rov. 3.9)

Het eindbod van de gemeente van 10 januari 2011 strookte niet met de wensen van [eisers] Het bedrag van € 180.000,-- was wel akkoord, maar daarnaast waren er zes onderwerpen waarop volgens [eisers] tot nadere/andere afspraken diende te worden gekomen. Dat betrof niet de persoonlijke visie van [verweerder] maar de opvatting van [eisers] die door hem werd verwoord na overleg met [eisers] over de reactie op het eindbod van de gemeente. De concepttekst daarvan is door [verweerder] aan [eisers] voorgelegd en door hen akkoord bevonden. De reactie van [eisers] van 14 februari 2011 betekende vervolgens niet het einde van de besprekingen/onderhandelingen tussen [eisers] en de gemeente, maar wel het einde van het voorstel van de gemeente in haar brief van 10 januari 2011. In de eerdere correspondentie tussen [verweerder] en [eisers] heeft [verweerder] erop gewezen dat het bij dergelijke onderhandelingen van belang is het goede moment te kiezen voor het kenbaar maken van wensen. Gezien het hele traject dat [eisers] inmiddels met de gemeente hadden doorlopen en de omstandigheid dat de urgentie bij de gemeente was verminderd om met [eisers] een regeling te treffen, moet het voor [eisers] zelf redelijkerwijze duidelijk zijn geweest dat het niet zonder meer aanvaarden van het voorstel van de gemeente van 10 januari 2011 het risico in zich droeg dat uiteindelijk een slechter resultaat geboekt zou worden. Daar hadden [eisers] geen afzonderlijke waarschuwing van [verweerder] voor nodig, zodat in het midden kan blijven in hoeverre [verweerder] hen na de ontvangst van het eindbod van de gemeente op het risico van het niet volledig aanvaarden daarvan heeft gewaarschuwd. [eisers] hebben in dit verband aangevoerd dat van [verweerder] een schriftelijke waarschuwing verwacht had mogen worden gezien het belang van het al dan niet aanvaarden van het eindbod. Het hof volgt [eisers] hierin niet. In dit geval was duidelijk dat het voorstel van de gemeente een eindbod inhield en zeker geen uitnodiging tot verder onderhandelen. Dat het niet aanvaarden van een dergelijk voorstel tot gevolg heeft dat het niet wordt gehandhaafd, ligt zozeer voor de hand dat een schriftelijke waarschuwing voor die consequentie niet aan een opdrachtgever verstrekt behoeft te worden teneinde te voldoen aan de zorgplicht van een goed opdrachtnemer. Die eis gaat onder de omstandigheden van dit geval te ver. (rov. 3.11)

Uit de uitgebreide correspondentie die beide partijen hebben overgelegd, blijkt dat [eisers] in het gehele onderhandelingstraject van de ontwikkelingen op de hoogte zijn gehouden en dat het resultaat dat [verweerder] voor hen trachtte te bewerkstelligen uit hun wensen voortvloeide. Met name ook in de fase voorafgaande aan de reactie op het eindbod van de gemeente zijn [eisers] geïnformeerd over de inhoud daarvan, waarbij het niet alleen ging om de hoogte van de bijdrage voor deskundigen, maar om zes verschillende kwesties die volgens [verweerder] én [eisers] nadere bespreking behoefden. [verweerder] heeft de onderhandelingspositie van [eisers] tegenover de gemeente kennelijk rooskleuriger ingeschat dan zij in werkelijkheid was, waarbij met name het afnemend belang van de gemeente bij een regeling als oorspronkelijk voorzien een belangrijke factor was, maar dat betekent niet dat hij heeft gehandeld op een wijze die niet in overeenstemming is met de hiervoor weergegeven maatstaf voor dat handelen. (rov. 3.12)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 3 van het middel klaagt over het oordeel van het hof, in rov. 3.11, dat het voor [eisers] zelf redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat het niet zonder meer aanvaarden van het finale voorstel van de gemeente het risico in zich droeg dat uiteindelijk een slechter resultaat geboekt zou worden en dat [eisers] daar geen afzonderlijke waarschuwing van [verweerder] voor nodig hadden, zodat in het midden kan blijven in hoeverre [verweerder] heeft gewaarschuwd. Onderdeel 3A klaagt onder meer dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is dat [eisers] moesten begrijpen dat het tegenvoorstel van 14 februari 2011, waarin de vergoeding voor de huurbeëindiging werd geaccepteerd, juridisch werd beschouwd als een verwerping wegens het niet volledig aanvaarden van het aanbod van de gemeente en daarom tot gevolg zou hebben dat dit voorstel van de gemeente verviel. Onderdeel 3B voegt daaraan toe dat het hof zijn oordeel dat het voor [eisers] redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat het niet zonder meer aanvaarden van het voorstel van de gemeente het risico behelsde dat uiteindelijk een slechter resultaat zou worden geboekt en [verweerder] [eisers] daarom niet behoefde te waarschuwen, onvoldoende heeft gemotiveerd door niet kenbaar onder meer de navolgende stellingen van [eisers] mee te wegen:

a. dat zij slechts horeca-ervaring hebben, een zeer beperkt opleidingsniveau en weinig financiële middelen;

b. dat zij geen ervaring hebben met zakelijke conflictsituaties of met onderhandelingen en in het bijzonder niet bekend waren met de regels voor totstandkoming van overeenkomsten of met het leerstuk van aanbod en aanvaarding;

c. dat zij juist daarom [verweerder] als adviseur in de arm hadden genomen;

d. dat [verweerder] zich ervan bewust was dat het eindbod niet van tafel mocht gaan omdat de financiële situatie van [eisers] zorgelijk was, zodat een zwaarwegend belang bestond om geen (grote) risico’s te nemen;

e. dat bij niet onvoorwaardelijke aanvaarding het risico groot was dat geen overeenkomst tot stand zou komen, althans de onderhandelingen afgebroken zouden worden;

f. dat de deskundigenkosten in het geheel van de deal van ondergeschikte betekenis waren;

g. dat [eisers] de concept-reactie op het voorstel van de gemeente pas op 14 februari 2011 voorgelegd kregen, terwijl deze reactie direct verzonden moest worden, zodat zij weinig tijd hadden om een goede afweging te maken;

h. dat [verweerder] hun bij e-mail van 14 februari 2011 heeft doen voorkomen dat ook na het tegenvoorstel het eindbod van de gemeente nog geaccepteerd zou kunnen worden;

i. dat [verweerder] zelf meende dat er overeenstemming was over het eindbod, met daarbij alleen nog een verzoek om de vergoeding voor deskundigenkosten op te hogen.

3.2

Beide klachten zijn gegrond. Onderdeel 3A treft doel, omdat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom het voor [eisers] ook zonder afzonderlijke waarschuwing duidelijk moest zijn dat het niet zonder meer aanvaarden van het voorstel van 10 januari 2011 het risico in zich droeg dat uiteindelijk een slechter resultaat zou worden geboekt. Ook onderdeel 3B slaagt. De hiervoor in 3.1 genoemde, door [eisers] gestelde omstandigheden kunnen van invloed zijn op de inhoud van de zorgplicht van [verweerder] jegens [eisers] en kunnen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of [verweerder] [eisers] afzonderlijk had moeten waarschuwen dat het niet zonder meer aanvaarden van het voorstel van 10 januari 2011 het risico in zich droeg dat uiteindelijk een slechter resultaat zou worden geboekt. Het hof heeft echter verzuimd deze omstandigheden kenbaar in zijn oordeelsvorming te betrekken.

3.3

Onderdeel 4 behoeft geen behandeling.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 juni 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 6.894,01 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.V. Polak en de raadsheren C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 21 mei 2021.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2169.