Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:751

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
19/02508
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:1566
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Art. 52a en 53a AWR, art. 5:10a Awb, art. 6 EVRM. Informatiebeschikking; cautie; verschoningsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-5-2021
V-N Vandaag 2021/1211
FutD 2021-1584 met annotatie van Fiscaal up to Date
FutD 2021-1584 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2021/23.16 met annotatie van Redactie
NTFR 2021/1735 met annotatie van
NLF 2021/1109 met annotatie van Angelique Perdaems
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/02508

Datum 21 mei 2021

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINSTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 april 2019, nrs. 17/00005 tot en met 17/00021, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 15/3497 tot en met 15/3513) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.M.E. Nuyens en P.J. Draijer, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door A.M.E. Nuyens en P.J. Draijer voornoemd, advocaten te Breda.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende, woonachtig in Nederland, is in 2009 gewond geraakt bij een vliegtuigongeluk. In verband daarmee heeft hij in 2009 en 2010 een schadevergoeding ontvangen van Turkish Airlines en in 2012 een schadevergoeding van Boeing. Met het oog op de verkrijging van laatstgenoemde schadevergoeding is aan belanghebbende rechtsbijstand verleend door een advocatenkantoor (hierna: het advocatenkantoor). Belanghebbende heeft de schadevergoedingen niet vermeld in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2009, 2010 en 2012. Deze schadevergoedingen zijn evenmin begrepen in de voor die jaren opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

2.2

Naar aanleiding van een melding op grond van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties is de FIOD in 2013 een onderzoek naar belanghebbende gestart.

2.3

Bij brieven van 20 december 2013, 5 februari 2014 en 18 maart 2014 heeft de Inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende over – kort gezegd – (de financiering van) een aantal aan belanghebbende toebehorende roerende en onroerende zaken en over zijn inkomsten en uitgaven. In reactie op de eerstvermelde brief heeft de accountant van belanghebbende (hierna: de accountant) de Inspecteur bij brief van 21 december 2013 geïnformeerd over de door belanghebbende van Boeing ontvangen schadevergoeding (hierna: de uitkering). Een aantal van de door de Inspecteur gestelde vragen heeft de accountant doorgeleid naar het advocatenkantoor. Daarop heeft de toenmalige advocaat van belanghebbende bij brief van 19 maart 2014 aan de accountant als volgt gereageerd:

“Ik kan u berichten dat ik de Amerikaanse advocaat die de zaak namens [belanghebbende] in de Verenigde Staten heeft behandeld om aanvullende informatie heb gevraagd. (…) Ik zeg u hierbij toe dat zodra ik deze informatie heb ontvangen, ik deze zal doorgeleiden naar [belanghebbende] zelf. Die kan vervolgens samen met u bespreken wat gedeeld kan worden met de Belastingdienst.
In de tussentijd ga ik ervan uit dat u met de Belastingdienst de contacten onderhoudt en deze kenbaar maakt dat er informatie aan zit te komen. Als letselschade advocaat van [belanghebbende] kunnen wij ons namelijk niet mengen in de discussies met de Belastingdienst. Bovendien is dit een boekhoudkundige kwestie.”

2.4

Naar aanleiding van de hiervoor in 2.3 genoemde briefwisseling heeft op verzoek van de accountant op 10 april 2014 een gesprek plaatsgehad tussen belanghebbende, de accountant en de Inspecteur. Belanghebbende heeft toen gezegd dat hij niets op papier had over de uitkering en er verder niets over te vertellen had. Vervolgens heeft de Inspecteur telefonisch contact opgenomen met het advocatenkantoor. Naar aanleiding daarvan heeft het advocatenkantoor op 22 april 2014 een brief aan belanghebbende gestuurd, met als bijlage de zogenoemde settlement demand, dat wil zeggen de door belanghebbende tegen Boeing ingediende schadeclaim. In de settlement demand wordt ter onderbouwing van de geclaimde schadevergoeding onder meer gesteld dat belanghebbende voorafgaand aan het vliegtuigongeluk een succesvolle Nederlandse ondernemer was met onder meer zakelijke belangen in Turkije, bestaande uit een jachtverhuurbedrijf en investeringen in onroerend goed.

2.5

Op 8 juli 2014 hebben medewerkers van de FIOD samen met de Inspecteur op het huisadres van belanghebbende een bezoek (hierna: het huisbezoek) afgelegd. Belanghebbende was op dat moment niet thuis. De medewerkers van de FIOD en de Inspecteur zijn binnen gelaten en te woord gestaan door de echtgenote van belanghebbende. Tijdens het huisbezoek zijn aan belanghebbende aanslagbiljetten uitgereikt betreffende aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2009, 2010 en 2012 (hierna: de navorderingsaanslagen). In de begeleidende brief bij de aanslagbiljetten, gedagtekend 8 juli 2014, is onder meer het volgende vermeld:

“Omdat wij de gevraagde gegevens niet van u kregen, heb ik u uiteindelijk verteld dat ik dan zelf maar contact op zou nemen met uw Nederlandse advocaat (…). (…) [De advocaat] liet ons weten dat u alle stukken en bescheiden wel degelijk in uw bezit moest hebben, doch dat hij deze nogmaals aan u toe zou sturen. Uiteindelijk ben ik woensdag 23 april 2014 door u gebeld. U had de stukken ontvangen en zou deze door [de accountant] laten scannen en vervolgens aan mij mailen, hetgeen geschiedde.”

Verder wordt in de begeleidende brief geciteerd uit de settlement demand.

2.6

Tijdens het huisbezoek is een kast geopend waarin dertien ordners werden aangetroffen, waaronder een ordner met het opschrift (vertaald) “25 februari vliegtuigcrash en het ziekenhuis advocaat informatie” (hierna: de ordner). De ordner bevat onder meer correspondentie tussen belanghebbende en het advocatenkantoor. De Inspecteur heeft de ordners ter plaatse ingezien en heeft ze vervolgens meegenomen. Zij zijn op 25 juli 2014 aan belanghebbende geretourneerd.

2.7.1

Naar aanleiding van de tegen de navorderingsaanslagen gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur bij brief van 1 oktober 2014, onder verwijzing naar artikel 47 AWR, aan belanghebbende onder meer de volgende vragen gesteld:

“a. Volgens de Settlement Demand heeft [belanghebbende] activiteiten verricht en bezittingen in Turkije (yacht charger operation and real estate investment). Dit blijkt niet uit de door of namens [belanghebbende] in Nederland ingediende aangiften inkomstenbelasting, terwijl hij hier toch voor zijn gehele wereldinkomen belast is. Graag ontvang ik daarom van u een volledig overzicht over de periode 1 januari 2009 tot en met heden van de Turkse activiteiten en bezittingen van [belanghebbende], alsmede van de resultaten welke hij hiermee heeft behaald.

b. Tevens zou ik graag van u willen vernemen of, en zo ja in hoeverre, [belanghebbende] in Turkije belastingen heeft betaald over zijn inkomsten en vermogen, over de periode 1 januari 2009 tot en met heden.

c. In de Settlement Demand wordt gesproken over € 100.000 netto-inkomsten, die [belanghebbende] jaarlijks ter beschikking zou hebben om zijn gezin te onderhouden. Graag ontvang ik van u een zo volledig en compleet mogelijke onderbouwing van deze netto-inkomsten over de periode 1 januari 2009 tot en met heden.”

Belanghebbende heeft deze vragen niet beantwoord en de gevraagde stukken niet verstrekt.

2.7.2

Vervolgens heeft de Inspecteur bij een eerste brief van 13 november 2014, onder verwijzing naar de inhoud van de ordner, onder meer de volgende aanvullende informatie gevraagd:

“d. In het Settlement Demant van 12 april 2012 wordt gesproken over [belanghebbendes] financial records show that his average earnings, or funds available for support of his family, exceeded € 100.000 annually. Ik verzoek om inzage in genoemde “financial records”.

Belanghebbende heeft geweigerd deze informatie te verstrekken op de grond dat de ordner onrechtmatig is verkregen en de stukken waarnaar de Inspecteur vraagt onder het verschoningsrecht van zijn toenmalige advocaat vallen.

2.7.3

De Inspecteur heeft met dagtekening 24 november 2014 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR (hierna: informatiebeschikking 1) gegeven op de grond dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de informatieverzoeken in de hiervoor genoemde brieven van 1 oktober 2014 en 13 november 2014.

2.8.1

Bij een tweede brief van 13 november 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende vragen gesteld en stukken opgevraagd betreffende in het buitenland opgekomen en/of gehouden inkomsten en vermogen. Belanghebbende heeft geweigerd deze informatie te verstrekken.

2.8.2

Vervolgens heeft de Inspecteur met dagtekening 22 december 2014 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR (hierna: informatiebeschikking 2) gegeven op de grond dat belanghebbende de in deze tweede brief van 13 november 2014 gestelde vragen niet heeft beantwoord.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank informatiebeschikking 2 terecht heeft vernietigd. Dit oordeel is als volgt gemotiveerd. Elke vraag in de hiervoor in 2.8.1 genoemde brief van de Inspecteur van 13 november 2014 berust uitsluitend op informatie die is opgenomen in de ordner. Aangezien de advocaat van belanghebbende zich tegenover de Inspecteur voor alle stukken in de ordner heeft beroepen op zijn verschoningsrecht, en overigens gesteld noch gebleken is dat zich in de ordner stukken bevinden die niet aan hem in de hoedanigheid van advocaat zijn toevertrouwd, dan wel dat deze stukken op enige wijze zijn geopenbaard, strekt het verschoningsrecht zich uit tot alle stukken in de ordner. Hieruit volgt dat de informatie in de ordner is verkregen met schending van dat verschoningsrecht. De op die informatie gebaseerde vragen in de tweede brief van 13 november 2014 hadden daarom niet mogen worden gesteld, aldus het Hof. Aan de stelling van belanghebbende dat de ordner tijdens het huisbezoek op onrechtmatige wijze is verkregen en de inhoud van de ordner (ook) daarom niet mag worden gebruikt voor het stellen van de hiervoor bedoelde vragen, wordt volgens het Hof niet meer toegekomen.

3.2

Het Hof heeft vervolgens met betrekking tot informatiebeschikking 1 – voor zover in cassatie van belang – als volgt geoordeeld.

3.2.1

De hiervoor in 2.7.1 vermelde vragen zijn zodanig individueel en specifiek verwoord dat het voor belanghebbende duidelijk moet zijn geweest welke informatie en stukken de Inspecteur van hem wenste te ontvangen. De Inspecteur heeft in informatiebeschikking 1 vastgesteld dat de in de brief van 1 oktober 2014 gestelde vragen niet binnen de gestelde termijn zijn beantwoord en dat de in die brief gevraagde stukken niet zijn verstrekt. De Inspecteur heeft daarbij benadrukt dat de beantwoording van die vragen en het overleggen van de gevraagde stukken volledig en controleerbaar moet plaatsvinden. Nu de Inspecteur in de door hem gestelde vragen voldoende nauwkeurig heeft omschreven wat hij verwacht van belanghebbende en belanghebbende een deel van de vragen niet of niet volledig heeft beantwoord, wist belanghebbende dat de informatiebeschikking betrekking had op de vragen die hij niet had beantwoord en op de stukken die hij niet of niet volledig had overgelegd, aldus het Hof. Het Hof heeft hieraan de conclusie verbonden dat informatiebeschikking 1, voor zover die ziet op de hiervoor in 2.7.1 bedoelde vragen, voldoet aan de eisen van artikel 52a AWR en in zoverre terecht is gegeven.

3.2.2

Het Hof heeft de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur de settlement demand onrechtmatig heeft verkregen, verworpen. Volgens het Hof heeft de toenmalige advocaat van belanghebbende, gezien diens brief van 19 maart 2014 (zie hiervoor in 2.3; door het Hof abusievelijk aangeduid als brief van 19 april 2014), zich met betrekking tot de inhoud van de hiervoor in 2.4 genoemde brief van 22 april 2014 en de daarbij toegezonden settlement demand niet beroepen op zijn verschoningsrecht. De Inspecteur was daarom bevoegd vragen te stellen naar aanleiding van deze brief en de settlement demand, en belanghebbende was gehouden die vragen te beantwoorden, aldus het Hof.

3.2.3

Op grond van zijn hiervoor weergegeven oordelen heeft het Hof geoordeeld dat informatiebeschikking 1 terecht is gegeven voor zover deze ziet op het niet beantwoorden van de hiervoor in 2.7.1 en 2.7.2 vermelde vragen.

3.2.4

Het Hof heeft verder, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144, verworpen de stelling van belanghebbende dat de beide informatiebeschikkingen moeten worden vernietigd omdat de Inspecteur hem ten onrechte niet heeft gewezen op zijn zwijgrecht alvorens hem vragen te stellen.

4 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

Settlement demand

4.1.1

Middel I richt zich tegen het hiervoor in 3.2.2 vermelde oordeel dat de Inspecteur de settlement demand niet onrechtmatig heeft verkregen. Volgens het middel is het oordeel dat met betrekking tot de settlement demand geen beroep is gedaan op het verschoningsrecht onjuist dan wel onbegrijpelijk. Het middel betoogt daarnaast dat het Hof ten onrechte onbehandeld heeft gelaten de stelling van belanghebbende dat de wijze waarop de ordner tijdens het huisbezoek is verkregen, onrechtmatig is (zie hiervoor in 3.1), althans dat het in dit verband heeft verzuimd vast te stellen hoe de settlement demand in handen van de Inspecteur is gekomen.

4.1.2

Het middel berust op het uitgangspunt dat de Inspecteur pas tijdens dan wel na het huisbezoek kennis heeft genomen van de settlement demand, door inzage in de ordner. De inhoud van de hiervoor in 2.5 vermelde brief van 8 juli 2014 laat echter geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur op enig moment voorafgaand aan het huisbezoek door toedoen van belanghebbende in het bezit van de settlement demand is gekomen. Het middel faalt in zoverre.

4.1.3

Het Hof heeft, onder verwijzing naar de hiervoor in 2.3 aangehaalde brief van 19 maart 2014, geoordeeld dat de advocaat zich met betrekking tot de settlement demand niet op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Dat oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk.

4.1.4

Gelet op de hiervoor in 4.1.2 genoemde omstandigheden kan niet worden gezegd dat de Inspecteur op onrechtmatige wijze in bezit van de settlement demand is gekomen, aangezien belanghebbende met het (doen) verstrekken van de settlement demand ervan heeft afgezien gebruik te maken van zijn recht om de gevraagde gegevens niet te verstrekken met een beroep op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met de door hem benaderde geheimhouder.1 Gelet hierop heeft het Hof terecht geoordeeld dat de Inspecteur bevoegd was vragen te stellen naar aanleiding van de settlement demand en dat belanghebbende is gehouden die vragen te beantwoorden. Het middel faalt daarom ook voor het overige.

Informatiebeschikking 1

4.2.1

Middel II is gericht tegen het hiervoor in 3.2.1 vermelde oordeel. Het middel betoogt dat informatiebeschikking 1 niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, omdat er al informatie is verstrekt en de Inspecteur heeft verzuimd om per in geding zijnde vraag vast te stellen of, en in hoeverre, belanghebbende niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan.

4.2.2

Bij het geven van de in artikel 52a, lid 1, AWR bedoelde informatiebeschikking waarbij wordt vastgesteld dat niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichting ingevolge artikel 47 AWR, moet het voor de belanghebbende voldoende duidelijk zijn in hoeverre de eerder gevraagde informatie naar het oordeel van de inspecteur niet is verstrekt. Dit vereiste brengt niet mee dat de eerder gestelde vragen in die beschikking moeten worden herhaald. Het staat de inspecteur vrij in de informatiebeschikking te verwijzen naar de inhoud van de eerder door hem gestelde vragen, mits het de belanghebbende uit het geheel van die vragen, rekening houdend met hetgeen hij in antwoord op die vragen eventueel al aan de inspecteur heeft meegedeeld, voldoende duidelijk is welke gegevens de inspecteur nog verlangt en in welke vorm hij die wenst te ontvangen. Middel II faalt.

Cautie

4.3.1

Middel V is gericht tegen het hiervoor in 3.2.4 vermelde oordeel. Het middel betoogt dat de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet heeft gewezen op zijn uit artikel 5:10a Awb en artikel 6 EVRM voortvloeiende zwijgrecht alvorens hem vragen te stellen (hierna: de cautie respectievelijk de cautieplicht). Het middel stelt in dit verband dat de Inspecteur in de brieven van 20 december 2013, 5 februari 2014 en 18 maart 2014 en ook in het gesprek op 10 april 2014 en in enkele telefoongesprekken, aan belanghebbende de cautie had moeten geven. Nu de Inspecteur dit heeft verzuimd, kan de informatie die tijdens die gesprekken en naar aanleiding van deze vragenbrieven is verkregen, niet dienen als basis voor verdere vraagstellingen van de Inspecteur, aldus het middel. De verwijzing van het Hof naar het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144, is volgens het middel niet op haar plaats, aangezien dat arrest niet over de cautieplicht gaat.

4.3.2

Aan het woord ‘verhoor’ in artikel 5:10a Awb moet de betekenis worden toegekend dat de mededeling dat antwoorden niet verplicht is, moet worden gedaan in alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de betrokkene worden gesteld met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit vindt bevestiging in de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling.2 Hieruit volgt dat het middel faalt voor zover het betoogt dat de Inspecteur in de hiervoor in 4.3.1 bedoelde brieven aan belanghebbende de cautie had moeten geven.

4.3.3

Het verslag dat is opgemaakt van het op 10 april 2014 gehouden gesprek (bijlage 9 bij het verweerschrift in eerste aanleg) laat geen andere conclusie toe dan dat in dat gesprek geen vragen zijn gesteld met het oog op het opleggen van een boete. Van een verhoor als hiervoor in 4.3.2 bedoeld, kan dan niet worden gesproken. De overige gedingstukken bevatten evenmin een aanwijzing dat de Inspecteur tijdens telefoongesprekken met belanghebbende vragen heeft gesteld met het oog op het opleggen van een boete. Het middel faalt dus ook voor zover het betoogt dat de Inspecteur belanghebbende in dit gesprek of in die telefoongesprekken belanghebbende de cautie had moeten geven.

4.3.4

Opmerking verdient dat, indien is verzuimd de belanghebbende voorafgaande aan een verhoor de cautie te geven, het oordeel over de aan dit verzuim te verbinden gevolgen is voorbehouden aan de rechter die over een aan die belanghebbende opgelegde sanctie (boete) moet oordelen.3 In een dergelijk geval is de inspecteur niet gehouden in de informatiebeschikking een restrictie op te nemen ten aanzien van het gebruik van de door hem verlangde informatie, ook niet voor zover het om door die belanghebbende af te leggen verklaringen (wilsafhankelijke informatie) gaat.4 Ook in dit opzicht faalt het middel.

Vergoeding van immateriële schade; overschrijding redelijke termijn

4.4.1

Middel VI klaagt erover dat het Hof belanghebbende niet op zijn verzoek een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend.

4.4.2

Het middel slaagt. Het door belanghebbende in hoger beroep gedane verzoek om schadevergoeding had mede betrekking op immateriële schade. Aangezien het Hof uitspraak heeft gedaan meer dan twee jaar na het instellen van het hoger beroep, kon het Hof voor het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding niet volstaan met de overweging dat belanghebbende niet heeft onderbouwd welke schade hij heeft geleden en voor welk bedrag. Het hiervoor bedoelde tijdsverloop van meer dan twee jaar brengt immers in beginsel mee dat belanghebbende recht heeft op een forfaitaire vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Overige middelen

4.5

De middelen III en IV kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Verschoningsrecht; informatiebeschikking 2

5.1

Het middel richt zich tegen het hiervoor in 3.1 vermelde oordeel van het Hof dat de Rechtbank informatiebeschikking 2 terecht heeft vernietigd omdat volgens het Hof het verschoningsrecht van de advocaat zich uitstrekt tot alle stukken in de ordner, en de vragen die hebben geleid tot deze informatiebeschikking uitsluitend op de inhoud van de ordner zijn gebaseerd. Het middel betoogt in de eerste plaats dat een deel van de gestelde vragen betrekking heeft op verkregen informatie die niet (langer) onder het verschoningsrecht van de advocaat valt, omdat de aan deze vragen ten grondslag liggende documenten in het kader van een civiele procedure zijn verstrekt aan een derde (Boeing). Daarnaast betoogt het middel dat het verschoningsrecht van de advocaat zich niet uitstrekt tot documenten die geen juridische bevindingen, kwalificaties of conclusies bevatten.

5.2.1

Terecht heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat het in beginsel aan de advocaat is om te bepalen of aan hem toevertrouwde informatie onder het verschoningsrecht valt. Indien deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om informatie waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient de inspecteur, en ook de rechter, dit standpunt te eerbiedigen, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.5

5.2.2

Het verschoningsrecht van de advocaat heeft betrekking op hetgeen hem in die hoedanigheid is toevertrouwd. Het vertrouwelijke karakter van diens bemoeienis, dat meebrengt dat hetgeen hem is toevertrouwd voor derden verborgen dient te blijven, kan voortvloeien uit de aard van de desbetreffende informatie en uit het uitdrukkelijk uitgesproken dan wel aannemelijk te achten verlangen van de advocaat en van diens cliënt.6 De enkele omstandigheid dat de advocaat stukken die tot het aan hem toevertrouwde materiaal gerekend kunnen worden, ter kennis van een wederpartij van zijn cliënt heeft gebracht in verband met onderhandelingen waarbij, of een geding waarin, hij zijn bijstand heeft verleend, brengt niet mee dat de advocaat ten aanzien van die stukken jegens anderen niet langer een beroep op zijn verschoningsrecht kan doen. Het middel faalt in zoverre.

5.2.3

Het middel faalt eveneens voor zover het betoogt dat het verschoningsrecht van een advocaat zich niet kan uitstrekken tot stukken die geen juridische bevindingen, kwalificaties of conclusies bevatten. Een dergelijke beperking van het verschoningsrecht vindt, zo algemeen geformuleerd, geen steun in het recht.

6 Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het hoger beroep in deze zaak is ingesteld op 10 januari 2017 en het Hof heeft uitspraak gedaan op 25 april 2019. Dit betekent dat de termijn van twee jaar die geldt als uitgangspunt voor de termijn van berechting in hoger beroep is overschreden, en wel met minder dan zes maanden. Het procesdossier bevat geen aanknopingspunten die afwijking van voormeld uitgangspunt rechtvaardigen. Belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

7 Proceskosten

Wat betreft het principale beroep in cassatie zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.

Wat betreft het incidentele beroep in cassatie zal de Staatssecretaris van Financiën worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond,

- verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn,

- stelt het bedrag van de door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te vergoeden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep vast op € 500,

- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 128 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.068 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.136 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, J. Wortel, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2021.

1 Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, rechtsoverweging 3.5.3.

2 Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 99. Vgl. HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786, met betrekking tot het overeenkomstige voorschrift van artikel 8:28a Awb.

3 Vgl. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, rechtsoverweging 3.8, en HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144, rechtsoverweging 2.6.

4 Vgl. HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144, rechtsoverweging 2.6.

5 Vgl. HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004, rechtsoverweging 3.4, HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, rechtsoverweging 3.2.4, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:532, rechtsoverweging 3.1.3.

6 Vgl. HR 11 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1296, rechtsoverweging 3.3.