Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:734

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
19/03004
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:8833
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:436
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen van in totaal € 360.000, art. 420ter.1 jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. Bewijsklacht. Is sprake van maken van ‘gewoonte’ van witwassen? Opvatting dat voor bewezenverklaring van maken van ‘gewoonte’ van witwassen is vereist dat wordt vastgesteld dat verdachte ‘neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan witwassen, vindt geen steun in het recht. Bewezenverklaring van maken van gewoonte van witwassen is voorts niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 19/00303.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0136
NJB 2021/1587
RvdW 2021/572
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03004

Datum 18 mei 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 oktober 2018, nummer 21/003508-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde en klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat sprake is van het maken van een ‘gewoonte’ van witwassen.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

“hij op één of meer tijdstippen in de periode van 28 maart 2008 tot en met 30 juni 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of één of meer andere(n), van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) telkens:

A. van een voorwerp, te weten een geldbedrag tot een totaal van ongeveer EUR 410.000, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats of de verplaatsing, verborgen of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp is, en/of;

B. een voorwerp, te weten een geldbedrag tot een totaal van ongeveer EUR 410.000 voorhanden heeft/hebben gehad of heeft/hebben overgedragen door te storten en/of te ontvangen en/of te houden en/of op te nemen op/van rekeningnummers: [004] t.n.v. [A] en/of [003] t.n.v. [A] en/of [002] t.n.v. [verdachte] e/o en/of enig ander rekeningnummer, van diverse contante geldbedragen tot een totaal bedrag van EUR 410.000 D672 en door van dit totaal bedrag van EUR 410.000 D-672 een bedrag van 360.000 EUR D678 althans enig geldbedrag over te boeken en/of door te betalen naar bankrekening [001] t.n.v. [medeverdachte] , ten behoeve van de aankoop van een appartement in Brazilië, terwijl hij wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

2.2.2

De bewijsvoering is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 en 8, waaronder de volgende bewijsoverwegingen:

“Het hof kan zich vinden in de volgende overwegingen van de rechtbank en neemt die over.

(...)

Uit de processtukken blijkt dat op de rekening van verdachte en de rekeningen van zijn bedrijf [B] vanuit verschillende plaatsen in het land meerdere kasstortingen zijn gedaan variërend van € 5.000,- tot € 20.000,- per keer. Het gaat in totaal om 64 stortingen in een periode van twee maanden tijd. Verdachte heeft aangegeven dat hij denkt dat deze stortingen gedaan zijn door [betrokkene 1] , een kennis uit de zakenwereld. Van deze [betrokkene 1] heeft verdachte daarnaast in een restaurant een bedrag van E 100.000,- contant, in coupures van € 500,- ontvangen. Verdachte heeft niet gevraagd waar dit geld vandaan kwam en heeft het in gedeeltes contant op zijn eigen rekening(en) gestort. In totaal is een bedrag van € 410.000,- middels kasstortingen bijgeboekt op de rekeningen van verdachte en zijn bedrijf.

Op verzoek van [betrokkene 1] heeft verdachte vanaf de rekening(en) van zijn bedrijf twee stortingen van € 50.000,- gedaan aan een voor hem onbekend bedrijf in Zwitserland. Verdachte wist niet wat hiervan de reden was en heeft hier ook niet naar gevraagd. Hij heeft een nota van deze betaling verzocht en heeft deze (valse) nota in de administratie van zijn bedrijf opgenomen om daarmee de ontvangst en de betaling van het bedrag van € 100.000,- te kunnen verantwoorden.

Daarnaast heeft verdachte, eveneens op verzoek van [betrokkene 1] , een bedrag van in totaal € 360.000,- overgemaakt naar de rekening van een hem verder onbekende persoon genaamd [medeverdachte] ten behoeve van de aankoop van een pand in Brazilië. Dit deed verdachte nadat een eerdere rechtstreekse overboeking naar Brazilië niet was geslaagd. Verdachte heeft aangeven met deze transacties in totaal € 4.000,- te hebben verdiend.

(...)

Nu verdachte in een korte periode meerdere bedragen op zijn rekening gestort heeft gekregen en heeft afgestort en in diezelfde periode meerdere overboekingen heeft gedaan, is sprake van het medeplegen van gewoontewitwassen.”

2.3.1

Artikel 420ter lid 1 van het Wetboek van Strafrecht luidt:

“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

2.3.2

De in het cassatiemiddel besloten liggende opvatting dat voor een bewezenverklaring van het maken van ‘een gewoonte’ van witwassen is vereist dat wordt vastgesteld dat de verdachte ‘de neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan witwassen, vindt geen steun in het recht. De bewezenverklaring van het maken van een gewoonte van witwassen is voorts niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

2.4

De klacht faalt.

3 Beoordeling van het negende cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden.

4 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 26 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2021.