Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:704

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
19/03492
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:2155
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:420
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Boeterecht; artt. 10a, 67f, en 67g, lid 2, AWR; artt. 5:9, 5:48, 5:53 en art. 6:22 Awb. Omschrijving van boete op aanslagbiljet stemt niet overeen met in controlerapport aangekondigde boetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1083
V-N 2021/21.19 met annotatie van Redactie
FutD 2021-1454 met annotatie van Fiscaal up to Date
FutD 2021-1454 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 07-05-2021
NJB 2021/1521
NLF 2021/1108 met annotatie van Michiel Hennevelt
NTFR 2021/1875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/03492

Datum 7 mei 2021

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

de fiscale eenheid [X] B.V. C.S. te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juni 2019, nrs. 18/00203 en 18/00204, op het hoger beroep van de Inspecteur en op het hoger beroep alsmede het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/1247). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 23 april 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

2 Beoordeling van het middel

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Op 24 december 2014 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011. Daarbij is aan belanghebbende een boete van € 50.000 opgelegd. Op de achterzijde van het aanslagbiljet is deze boete als volgt toegelicht:

“U bent reeds geinformeerd over de gronden waarop deze boete berust.

(...) De boete is gebaseerd op artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en op Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.”

2.1.2

De naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van de uitkomsten van een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de omzetbelasting in de vermelde periode. In het controlerapport van 27 november 2014 is geconcludeerd dat belanghebbende beboetbare feiten heeft begaan. Volgens het controlerapport gaat het om (i) het opzettelijk niet (volledig) binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan (artikel 67f AWR), en (ii) het opzettelijk niet voldoen aan de verplichting om bij wijze van suppletie juiste en volledige inlichtingen en gegevens te verstrekken na te hebben geconstateerd dat een aangifte in de omzetbelasting over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig is gedaan (artikel 10a AWR in samenhang gelezen met artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968).
Voor beide beboetbare gedragingen heeft de Inspecteur aangekondigd een vergrijpboete op te leggen van vijftig procent van de nageheven belasting, oftewel twee maal een bedrag van € 52.799. Vanwege samenloop en de financiële situatie van belanghebbende ten tijde van de beboetbare gedragingen heeft de Inspecteur aangekondigd de boetebedragen te matigen, elk naar € 25.000, dus tot een bedrag van € 50.000 in totaal.

2.2.1

Voor zover in cassatie van belang, was voor het Hof in geschil of met de vaststelling en uitreiking van het hiervoor in 2.1.1 bedoelde aanslagbiljet aan belanghebbende, naast een boete op grond van artikel 67f AWR, een boete is opgelegd op grond van artikel 10a AWR.

2.2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat uit hetgeen op het aanslagbiljet is vermeld, volgt dat aan belanghebbende alleen een boete op grond van artikel 67f AWR is opgelegd, en niet tevens een boete op grond van artikel 10a AWR. Voor dit oordeel heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat over de overtreding en over het overtreden voorschrift geen misverstand mogelijk mag zijn, omdat het de belanghebbende uiterlijk op het moment dat een boete wordt opgelegd (in dit geval bij aanslagbiljet) duidelijk moet zijn welk verwijt hem wordt gemaakt.
Naar het oordeel van het Hof mocht belanghebbende redelijkerwijs aannemen dat haar ten tijde van het uitreiken van het aanslagbiljet niet meer werd verweten het voorschrift van artikel 10a AWR te hebben overtreden. Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat op het aanslagbiljet slechts expliciet is vermeld dat de boete is gebaseerd op artikel 67f AWR. Voor zover belanghebbende op grond van de aankondiging in het controlerapport en het met deze aankondiging overeenkomende bedrag van de boete van € 50.000 had moeten twijfelen aan de juistheid van het op het aanslagbiljet vermelde overtreden voorschrift, dient deze twijfel voor rekening en risico van de Inspecteur te komen, aldus het Hof.
Tegen deze oordelen is het middel gericht.

2.3.1

Indien bij beschikking een bestuurlijke boete wordt opgelegd, brengt artikel 67g, lid 2, AWR in samenhang gelezen met artikel 5:9, aanhef en letter a, Awb mee dat de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige uiterlijk bij de bekendmaking van die beschikking in kennis wordt gesteld van de overtreding alsmede van het overtreden voorschrift. Beide bepalingen strekken ertoe dat het voor de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige op dat tijdstip duidelijk is waarvoor hij wordt gestraft, zodat hij zich daartegen adequaat kan verweren.2
Aan de eis van artikel 67g, lid 2, AWR dat de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige uiterlijk bij de bekendmaking van de boetebeschikking in kennis wordt gesteld van de overtreding en van het overtreden voorschrift, is als regel voldaan indien voorafgaand aan het geven van de boetebeschikking een rapport als bedoeld in artikel 5:48 (en artikel 5:53) Awb wordt opgemaakt en aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige bekend wordt gemaakt, ook indien de boetebeschikking zelf de overtreding en/of het overtreden voorschrift niet vermeldt.3 Een naderhand bekendgemaakte boetebeschikking mag echter niet ertoe leiden dat niet voldoende duidelijk is ter zake van welke overtreding en van welk overtreden voorschrift die boetebeschikking is gegeven.

2.3.2

Met de bekendmaking van een controlerapport met een inhoud als hiervoor in 2.1.2 omschreven, wordt voldaan aan de eis van artikel 67g, lid 2, AWR. Dit laat echter onverlet dat niet kan worden aanvaard dat, indien de inspecteur in dat rapport aankondigt twee boetes op te leggen die zijn gebaseerd op verschillende fiscale boetebepalingen die van elkaar verschillende gedragingen behelzen, en het aanslagbiljet daarna slechts één boete, één boetebedrag en één overtreden voorschrift vermeldt, dit biljet toch wordt geacht beide aangekondigde boetebeschikkingen te behelzen. Zou dat wel worden aanvaard, dan zou dat zich niet verdragen met de op grond van artikel 67g, lid 2, AWR en artikel 5:9, aanhef en letter a, Awb vereiste duidelijkheid op welke overtreding(en) en welk(e) overtreden voorschrift(en) de boetebeschikking ziet. In een zodanig geval moet de aldus ontstane onduidelijkheid worden weggenomen door voor de beantwoording van de vraag welke boete(s) de inspecteur bij beschikking heeft opgelegd, slechts betekenis toe te kennen aan hetgeen is vermeld op het aanslagbiljet.

2.4

Het Hof heeft, afgaande op het hiervoor in 2.1.1 bedoelde aanslagbiljet, geoordeeld dat aan belanghebbende alleen een boete op grond van artikel 67f AWR is opgelegd en niet tevens een boete op grond van artikel 10a AWR. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het middel faalt in zoverre.

2.5

Voor zover het middel betoogt dat het Hof in dit geval had moeten uitgaan van een onschadelijk vormverzuim en artikel 6:22 Awb had moeten toepassen, faalt het middel ook. Uit hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, volgt dat de Inspecteur belanghebbende bij het hiervoor in 2.1.1 bedoelde aanslagbiljet niet een boete op grond van artikel 10a AWR heeft opgelegd, zodat niet wordt toegekomen aan toepassing van artikel 6:22 Awb.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.602 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, A.L.J. van Strien, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2021.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.

1 ECLI:NL:PHR:2020:420.

2 Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 92 en 93, alsmede Kamerstukken II 2006/07, 31 124, nr. 3, blz. 65 en 66.

3 Vgl. HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:968.