Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:698

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
19/01249
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:250
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:4838
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belaging van 14-jarig meisje door vijftiger gedurende bijna 2 jaar, art. 285b Sr. 1. Bijzondere voorwaarde dat verdachte alle afbeeldingen/filmopnames die hij van slachtoffer in zijn bezit heeft, zal inleveren. 2. Verbeurdverklaring inbeslaggenomen gegevensdragers (PC en harddisk).

Ad 1. HR herhaalt overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:1215, inhoudende dat bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 14c.2.14 Sr gedrag van veroordeelde dient te betreffen. Hof heeft als bijzondere voorwaarde gesteld dat verdachte gegevens met daarop alle afbeeldingen/filmopnames van slachtoffer zal inleveren. In aanmerking genomen dat in ’s hofs bewijsvoering en strafmotivering naar voren komt dat verdachte o.m. door foto’s van het nog jonge slachtoffer te maken en deze op te slaan ernstige inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer, heeft hof kennelijk geoordeeld dat verdachte uit oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid tegenover slachtoffer gehouden was (op een voor OM te controleren wijze) zich te ontdoen van die afbeeldingen/filmopnames en dat gestelde bijzondere voorwaarde de hiertoe strekkende gedraging van verdachte betreft. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Onder ‘het feit’ in art. 33a.1 Sr moet bewezenverklaarde feit worden verstaan. In aanmerking genomen wat t.l.v. verdachte is bewezenverklaard en mede gelet op wat hof blijkens bewijsvoering daarover heeft vastgesteld, is ’s hofs oordeel dat bewezenverklaarde m.b.v. genoemde voorwerpen is gedaan, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Hof heeft immers geen vaststellingen gedaan waaruit kan volgen dat bewezenverklaarde feit m.b.v. deze voorwerpen is begaan. Enkele omstandigheid dat op deze gegevensdragers afbeeldingen en filmpjes van slachtoffer zijn opgeslagen volstaat daartoe niet.

Volgt vernietiging t.a.v. verbeurdverklaring inbeslaggenomen voorwerpen. CAG (strekking): vernietiging t.a.v. verbeurdverklaring inbeslaggenomen voorwerpen en teruggave aan verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0127
NJB 2021/1517
RvdW 2021/539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01249

Datum 11 mei 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 februari 2019, nummer 20-000506-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de verbeurdverklaring van de in de conclusie onder 12 genoemde voorwerpen, tot vermindering van de hoogte van de opgelegde taakstraf, tot teruggave van voormelde voorwerpen aan de verdachte en tot bepaling dat deze aan de verdachte terug te geven voorwerpen dienen te worden begrepen onder de in de bijzondere voorwaarde bedoelde “gegevensdragers met daarop alle afbeeldingen/filmopnames van het slachtoffer”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring, bewijsvoering en strafoplegging

2.1

In hoger beroep is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 juli 2013 tot en met 2 april 2015 te [plaats] en [plaats], wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1998), met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar:

- meermalen zich opgehouden in de directe omgeving van die [slachtoffer 1] (te weten bij het evenement [D] en in het zwembad en op de kermis en bij het evenement Midzomeravond en rond het voetbalveld) en

- meermalen foto’s gemaakt van die [slachtoffer 1] en

- WhatsApp-berichten gestuurd naar vriendinnen van die [slachtoffer 1] (te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]) en

- een cadeautje aan de deur en de fiets van die [slachtoffer 1] gehangen en

- meermalen naar binnen gekeken bij de woning van [slachtoffer 1] en

- enkele malen gebeld naar de vaste lijn van (de ouders van) [slachtoffer 1].”

2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 oktober 2014 (pagina’s 79 tot en met 83 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] (de moeder van [slachtoffer 1]):

(Pg. 79)

Ik wil namens mijn dochter [slachtoffer 1], geboren op 16 september 1998, aangifte doen van stalking door [verdachte]. Wij, mijn man en onze twee tweelingdochters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], wonen aan de [a-straat 2] in [plaats]. [verdachte] woont aan de [a-straat 1] in [plaats]. Dat is niet ver van ons vandaan, aan dezelfde zijde van de straat.

(Pg. 80)

Op 1 juli 2013 loopt [slachtoffer 1] met haar vriendinnen langs de woning van [verdachte]; ze zien dat [verdachte] voor het raam staat en foto’s maakt of aan het filmen is met zijn gsm.

Op 3 juli 2013 heeft [slachtoffer 1] meegeholpen als begeleidster in [D]. [slachtoffer 1] is 's avond met haar bouwgroepje naar het [D] gegaan. Dit was ook een kijkavond voor de ouders. [slachtoffer 1] ziet vervolgens [verdachte] bij haar project staan. [verdachte] maakt foto's van [slachtoffer 1] en verlaat daarna het terrein. Wij, als ouders, wisten dat [verdachte] dit vaker deed en we hadden met [slachtoffer 1] afgesproken dat ze ons moest bellen als hij weer foto's zou maken. [slachtoffer 1] liet ons toen weten dat hij er weer was.

In juli/augustus 2013 zijn [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en nog wat vriendinnen vaak gaan zwemmen bij zwembad [A] in [plaats]. [verdachte] was daar destijds ook vaak; hij zat op de rand van het zwembad vaak [slachtoffer 1] te bekijken. [slachtoffer 1] vertelde mij dat [verdachte] alleen naar haar keek, niets zei en af en toe lachte.

Op 1 augustus 2013 is [slachtoffer 1] met vriendinnen op een evenement Midzomeravond in [plaats]. [verdachte] zat op het muurtje bij het gemeentehuis en hield [slachtoffer 1] in de gaten en hij volgt [slachtoffer 1] waar ze ook naar toe gaat. [slachtoffer 1] kwam die avond thuis en vertelde ons dat hij er weer was. Ze had er echt last van.

Op 11 september 2013 krijgt [slachtoffer 2], een vriendin van [slachtoffer 1], WhatsAppberichten over [slachtoffer 1]. Degene die deze berichten stuurt, noemt zich [verdachte] en refereert aan nummer […], wat het huisnummer van [verdachte] is. Het Gsm-nummer dat door de verzender van de WhatsAppberichten is gebruikt, is [0001]. Dit nummer is mij bekend als zijnde het nummer van [verdachte]. In deze WhatsApp-berichten wordt de naam van mijn dochter [slachtoffer 1] genoemd en dat [verdachte] deze informatie via internet zou hebben verkregen.

(Pg. 81)

Op [geboortedatum] 2013 zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] jarig; ze worden dan 15 jaar. [slachtoffer 1] laat die dag de hond uit en loopt langs de woning van [verdachte]. Bij terugkomst, na ongeveer 15 minuten, ziet ze dat [verdachte] een grote roze opblaasbare ballon met het getal 15 voor zijn raam heeft gehangen. Toen [slachtoffer 1] thuis kwam heeft ze dit aan mij verteld.

Op 21, 22, 23 en 24 september (naar het hof begrijpt: 2013) was het kermis in [plaats]. [slachtoffer 1] is met haar vriendinnen naar de kermis gegaan. Overal waar zij is of heen gaat, is [verdachte] ook weer te zien of in de buurt. [slachtoffer 1] voelt zich dan erg begluurd en achtervolgd door [verdachte]. Ze vindt dit zeer onprettig.

Eind september (naar het hof begrijpt: 2013) is mijn man naar de woning van [verdachte] gegaan. Hij heeft [verdachte] gevraagd of hij wilde stoppen met berichten sturen en met het volgen van [slachtoffer 1]. [verdachte] geeft dan aan dat hij [slachtoffer 1] wel heel erg leuk vindt.

Op 14 februari 2014, Valentijnsdag, gaat [slachtoffer 1] naar haar turntraining in [B] in [plaats]. Als ze na afloop naar haar fiets loopt, ziet ze een zakje hangen aan het stuur van haar fiets met daarin bonbons in de vorm van hartjes en een brief met de tekst ‘Hoi XX’. Er staan bij [B] veel soortgelijke fietsen als die van [slachtoffer 1], maar hij heeft die van haar eruit gepikt.

[slachtoffer 1] speelt voetbal bij [C]. In april en mei (naar het hof begrijpt: 2014) is [verdachte] bijna elke zaterdag gaan kijken als [slachtoffer 1] een voetbalwedstrijd thuis moest spelen. [slachtoffer 1] vertelde mij dat ze [verdachte] ook heeft gezien langs de zijkant van het veld bij een uitwedstrijd in [plaats]. Hij is dan aan het kijken naar het voetballen tijdens de wedstrijd van [slachtoffer 1].

Wij, de moeder van [slachtoffer 3] en ik, zijn hierna naar de woning van [verdachte] gegaan. Wij hebben hem toen aangesproken op zijn gedrag en hem gevraagd of hij wilde stoppen met stalken van [slachtoffer 1]. [verdachte] zei toen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aandacht van hem wilden omdat zij met enige regelmaat langs zijn woning liepen, en dat hij die aandacht dan ook gaf.

Ik heb toen tegen [verdachte] gezegd dat dit de laatste waarschuwing was en dat ik anders stappen zou ondernemen tegen hem.

(Pg. 82)

Op 28 april 2014 zijn mijn man, onze kinderen en ik thuis gekomen van een vakantie. Als [slachtoffer 1] de hond uitlaat, ziet zij [verdachte] uit het raam hangen en hij roept dan naar haar: ‘Wat ben je toch mooi bruin.'

Op 3 mei 2014 ziet [slachtoffer 1] op haar gsm de status op WhatsApp van [verdachte] met de tekst: ‘I LOVE THIS LITTLE BROWNIE'. [slachtoffer 1] wist direct dat het om haar ging.

Op 15 juli 2014 kwam [slachtoffer 4], een vriendin van [slachtoffer 1], bij ons thuis. Ze kreeg toen een WhatsApp-bericht met ‘Hallo’. Ze vertelde dat ze het nummer niet kende en reageerde op dit bericht dat ze de persoon niet kende. Hierop kwam het bericht: ‘sorry de verkeerde'. [slachtoffer 1] bekeek het nummer en zag dat dit het nummer van [verdachte] was.

Op 28 augustus 2014 is [slachtoffer 1] alleen thuis. Ze ziet dat [verdachte] voor onze woning staat en naar binnenkijkt en oogcontact zoekt met [slachtoffer 1]. Later loopt hij weer langs ons huis en kijkt hij weer naar binnen om oogcontact te maken met [slachtoffer 1]. Als wij niet huis zijn, loopt hij langs onze woning om contact te zoeken met [slachtoffer 1].

Op [geboortedatum] 2014 zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] jarig; ze werden 16 jaar. Als [slachtoffer 1] 's morgens naar school wil gaan, ziet ze aan de garagedeur een tas met een fles met zand. In de fles zat een briefje met de tekst: ‘Dear little beauty Happy sixteen birthday for you [slachtoffer 1] (..) Enjoy this day with family and friends XXX’

Wij wisten direct dat deze fles met zand en briefje afkomstig was van [verdachte]. Wij hebben toen besloten aangifte te doen van stalking.

Ondanks al onze waarschuwingen lijkt het erop dat [verdachte] niet geremd is door ons en door blijft gaan. Wij maken ons ernstige zorgen dat dit uit de hand gaat lopen en dat [verdachte] met zijn 54 jaar verliefd is op onze dochter van 16 jaar oud. Dit is niet wederzijds en wij krijgen dit niet bij [verdachte] duidelijk gemaakt.

2. Het proces-verbaal van getuige d.d. 20 februari 2015 (pagina’s 101 tot en met 105 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

(Pg. 101)

Ik wil dat [verdachte] stopt met mij lastig te vallen. Dit is ongeveer twee jaar geleden begonnen, met name door de WhatsApp-berichten die hij aan [slachtoffer 2] heeft gestuurd. Elke keer als er wat was gebeurde, heb ik dit aan mijn moeder verteld en heb ik die dingen laten zien.

(Pg. 103/104)

Het klopt wat in de aangifte van mijn moeder over het stalkingsgedrag van [verdachte] is vastgelegd.

(Pg. 105)

Ik weet dat [verdachte] foto’s van mij heeft gemaakt. Dat weet ik omdat hij voor het raam stond met zijn telefoon in zijn hand en dat deze toen flitste. Het is wel vaker gebeurd dat wij hem zo voor het raam zagen. Bij het [D] zagen wij ook dat hij zijn telefoon voor zich hield en op ons richtte. Daarna haalde hij zijn telefoon omlaag om ernaar te kijken.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2015 (pagina’s 115 tot en met 117 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

(Pg. 115)

Op 28 oktober hadden wij een gesprek met [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1960.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn op 23 oktober 2014 in het bijzijn van hun moeders op het politiebureau geweest en vertelden in het kort wat [verdachte] de afgelopen jaren heeft gedaan:

- foto’s gemaakt van de meiden op [D];

- foto’s maken als de meiden voorbij de woning van [verdachte] lopen;

- de meiden op het zwembad [A] in de gaten houden;

- voetbalwedstrijden zowel thuis als uit gaan kijken als de meiden moeten voetballen;

- het raam van de woning van [verdachte] versieren als [slachtoffer 1] jarig is;

- als de ouders van de meiden weg zijn, staat [verdachte] voor het raam van de woning van de meiden te kijken;

- gsm-nummers traceren en berichtjes sturen naar de vriendinnen van de meiden;

- status van WhatsApp aanpassen gericht op [slachtoffer 1];

- voor het raam staan als de meiden van zijn woning passeren.

Wij hebben [verdachte] hiermee geconfronteerd. Hij vertelde dat hij verliefd is geworden op [slachtoffer 1] en dat hij dacht dat zij ook verliefd op hem was.

(Pg. 106)

Hij vertelde dat hij had geappt met een vriendin van [slachtoffer 1] en haar had verteld dat hij [slachtoffer 1] een schatje vond (zoen stond er naast) en dat hij het nummer van die vriendin van internet had gehaald.

Ook gaf [verdachte] aan dat hij een paar keer zijn status had veranderd op WhatsApp. De status: ‘I love this little brownie’ was voor [slachtoffer 1]. De status: ‘I’m thinking of you’ was voor [slachtoffer 1] bedoeld. Hij heeft in september 2014, een cadeautje voor [slachtoffer 1] 16e verjaardag gekocht.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2015 (pagina’s 126 en 127 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:

Op 20 februari 2015 ontving ik de gevorderde historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [0001], dat in gebruik is bij [verdachte]. Op 6 juni 2014 is met dit nummer van [verdachte] twee keer gebeld naar het thuisnummer van de familie [slachtoffer 1].

5. De processen-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 4 april 2015 (pagina’s 33 tot en met 47 van het politiedossier) en d.d. 5 april 2015 (pagina’s 48 tot en met 65 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:

(Pg. 43)

Ik heb een WhatsApp-bericht gestuurd naar een vriendin van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]). Dit bericht was bedoeld voor [slachtoffer 1] ter bevestiging van je bent gewoon een leuk ding.

(Pg. 44)

Haar vader kwam toen bij mij aan de deur. Ik heb hem toen gezegd dat ik die berichtjes niet meer ging sturen.

Toen [slachtoffer 1] 16 jaar werd dacht ik, ik geef haar een klein cadeautje, dan weet zij dat ik haar nog steeds leuk vind. Ik heb een lege fles gevuld met zand en schelpen en daarin pareloorbellen gedaan.

(Pg. 45)

Ik heb dit cadeautje ’s nachts aan de garagedeur gehangen. Ik heb hierin een briefje gedaan.

Bij Valentijnsdag, 13 februari 2014, heb ik iets aan haar fiets gehangen. Normaal ging zij voetballen, maar ik had haar niet langs zien komen. Toevallig had ik in het krantje gezien dat zij had meegedaan aan een wedstrijd in turnen. Ik dacht misschien is zij gaan turnen. Ik heb toen bij de sporthal een tasje met een netje met chocolaatjes in de vorm van een hartje aan de fiets van [slachtoffer 1] gehangen.

(Pg. 50)

Het telefoonnummer van [slachtoffer 4] (het hof begrijpt: [slachtoffer 4]) had ik ook via twitter.

(Pg. 53)

Toen [slachtoffer 1] in het voorjaar 2014 terug was van vakantie heb ik door het openstaande raam tegen [slachtoffer 1] gezegd: ‘Wat ben jij mooi bruin’.

In 2014 ben ik twee keer naar voetbalwedstrijden van de meisjes gaan kijken. De eerste keer was op 29 maart toen zij thuis speelden.

(Pg. 54)

De tweede wedstrijd die ik heb gezien was op 3 mei 2014. Ik had op de website gezien dat de meisjes toen gingen voetballen in [plaats]. [slachtoffer 1] heeft mij gezien toen ik langs de kant stond.

(Pg. 56)

Op woensdagavond 3 juli 2013 ben ik gaan kijken bij het evenement [D] in [plaats]. Ik zag [slachtoffer 1] daar lopen.

(Pg. 57)

Ik ben op verschillende avonden geweest naar het evenement Midzomeravond in 2013. Ik heb toen iedere keer gezeten op een muurtje nabij het gemeentehuis.

(Pag. 59)

Op 10 mei (het hof begrijpt: 2014), een week nadat ik bij die voetbalwedstrijd van […] ben geweest, zijn de moeders van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bij mij langs geweest. Ze zeiden dat de meisjes het niet leuk vonden dat ik naar hun wedstrijd was gegaan en of ik ermee wilde stoppen. Zij hebben toen ook gezegd dat als ik daarmee zou doorgaan zij verdere stappen gingen ondernemen.

Ik wist dat [slachtoffer 1] op turnen zat. Dat wist ik van internet. Ik heb haar naam ingetoetst en toen kwam ik uit op die turnclub.

Het klopt dat ik in 2013 door de vader van [slachtoffer 1] en in 2014 door de moeder en de politie ben aangesproken dat ik moest stoppen.

(Pg. 60)

Ik ben verliefd geworden op [slachtoffer 1], dat is wel wat afgezwakt, maar ik blijf haar wel leuk vinden. Het klopt dat ik op de verjaardag van [slachtoffer 1] in 2013 voor mijn raam een roze ballon met tekst heb gehangen. Ik heb die daar gehangen toen [slachtoffer 1] met de hond ging wandelen.

(Pg. 61)

Ik heb het thuisnummer van [slachtoffer 1] gebeld. Dit telefoonnummer heb ik uit het telefoonboek. Ik denk dat ik dit nummer een keer of drie heb gebeld, verspreid over twee dagen.

(Pg. 62)

Op mijn oude computer en mijn laptop staan foto’s van [slachtoffer 1].

Ik heb door het raam met mijn telefoon een foto gemaakt van [slachtoffer 1].”

2.3

Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als belaging en de verdachte daarvoor onder meer veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren. De strafmotivering en de strafoplegging houden onder meer het volgende in:

“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft gedurende bijna twee jaren stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], een meisje dat, toen een en ander begon, nog maar 14 jaar oud was. Niet alleen heeft verdachte zich in die periode herhaaldelijk opgehouden in de directe omgeving van [slachtoffer 1] en foto’s van haar gemaakt, maar ook heeft hij contact gezocht met (eveneens minderjarige) vriendinnen van haar. Ondanks de signalen die hij via deze vriendinnen en ook van de vader en moeder van [slachtoffer 1], op verschillende momenten heeft gekregen, is verdachte doorgegaan met het benaderen van [slachtoffer 1]. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die [slachtoffer 1]. Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van de belaagde. Voor de belaagde levert het daardoor een forse psychische belasting op. Dit geldt te meer nu het hier gaat om een jong meisje dat belaagd is door een 53-jarige man.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de straffen zoals deze zijn gevorderd door de advocaat-generaal, zowel wat strafsoort als strafmaat betreft, het meest passend bij de persoon van verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal verdachte dientengevolge veroordelen tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Met de oplegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt het hof enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk de vordering van de advocaat-generaal, als bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte alle afbeeldingen/filmopnames zal inleveren die hij van het slachtoffer [slachtoffer 1] in zijn bezit heeft. Het hof zal bepalen dat verdachte de gegevensdragers met daarop deze afbeeldingen/filmopnames binnen 4 weken na het onherroepelijk worden van dit arrest zal inleveren bij de advocaat-generaal mr. E.A.M. Verheijen, dan wel een nader door haar aan te wijzen persoon of instantie.

(...)

Beslissing

Het hof:

(...)

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde binnen 4 weken na het onherroepelijk worden van dit arrest de gegevensdragers met daarop alle afbeeldingen/filmopnames van het slachtoffer zal inleveren bij de advocaat-generaal mr. E.A.M. Verheijen dan wel een nader door haar aan te wijzen persoon of instantie.”

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een bijzondere voorwaarde aan de geheel voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf heeft verbonden, die in strijd met artikel 14c lid 2, onder 14°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet het gedrag van de veroordeelde betreft.

3.2.1

Artikel 14c lid 2 Sr luidt, voor zover in cassatie van belang:

“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(...)
14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.”

3.2.2

Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2, onder 14°, Sr dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215).

3.3

Het hof heeft als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte de gegevensdragers met daarop alle afbeeldingen/filmopnames van het slachtoffer zal inleveren. In aanmerking genomen dat in de bewijsvoering en de strafmotivering van het hof naar voren komt dat de verdachte onder meer door foto’s van het nog jonge slachtoffer te maken en deze op te slaan een ernstige inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid tegenover het slachtoffer gehouden was - op een voor het openbaar ministerie te controleren wijze - zich te ontdoen van die afbeeldingen/filmopnames en dat de gestelde bijzondere voorwaarde de hiertoe strekkende gedraging van de verdachte betreft. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.4

Het cassatiemiddel faalt.

4 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt over de verbeurdverklaring van enkele van de inbeslaggenomen voorwerpen genoemd in het dictum van de uitspraak van het hof.

4.2

De uitspraak van het hof houdt - voor zover relevant voor de bespreking van het cassatiemiddel - onder meer in:

“Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

(...)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een PC (goednr. 781650);

- een harddisk, harde schijf inclusief adapter (goednr. 781652);

- een computer/laptop Dell portable (goednr. 781699);

- een harddisk, Verbatim sd-kaart/geheugenkaart (goednr. 781636);

(...)

- een zwarte computer/laptop Dell (in beslaggenomen ter terechtzitting in eerste aanleg);

- twee CD-roms (in beslaggenomen ter terechtzitting in eerste aanleg).”

4.3.1

Artikel 33a lid 1 Sr luidt voor zover van belang:

“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:

(...)

c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;

(...)”

4.3.2

Onder ‘het feit’ in artikel 33a lid 1 Sr moet het bewezenverklaarde feit worden verstaan.

4.4

In aanmerking genomen wat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard en mede gelet op wat het hof blijkens de bewijsvoering daarover heeft vastgesteld, is het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde met behulp van de onder 4.2 genoemde voorwerpen is begaan, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Het hof heeft immers geen vaststellingen gedaan waaruit kan volgen dat het bewezenverklaarde feit met behulp van deze voorwerpen is begaan. De enkele omstandigheid dat op deze gegevensdragers afbeeldingen en filmpjes van het slachtoffer zijn opgeslagen volstaat daartoe niet. Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld.

5 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van negentig uur en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen PC (goednr. 781650), een harddisk, harde schijf inclusief adapter (goednr. 781652), een computer/laptop Dell portable (goednr. 781699), een harddisk, Verbatim sd-kaart/geheugenkaart (goednr. 781636), een zwarte computer/laptop Dell (in beslaggenomen ter terechtzitting in eerste aanleg) en twee CD-roms (in beslaggenomen ter terechtzitting in eerste aanleg);

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2021.