Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:679

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
20/01190
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:163
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Belgische autoriteiten op telefoons en USB-sticks onder klager, waarna klager o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv klaagschrift indient. Vordert belang van strafvordering voortduren van beslag op digitale gegevensdragers? Rb moest gelet op art. 5.4.10.3 jo. 552a Sv beoordelen of voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop EOB betrekking heeft en die uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. Oordeel Rb strekt ertoe dat Nederlands OM als uitvoerende autoriteit i.c. niet kan volstaan met overdracht van (door OM te maken) kopieën van bestanden op in beslag genomen gegevensdragers maar dat die gegevensdragers zelf mogen en moeten worden overgedragen ter uitvoering van EOB en dat zich daarom geen grond voordoet voor teruggave van in beslag genomen gegevensdragers aan klager. Daarbij heeft Rb kennelijk betrokken dat uitvaardigende autoriteit blijkens EOB met het oog op verkrijgen van bewijsmateriaal in strafzaak de beschikking wil krijgen over volledige inhoud van gegevensdragers en dat met overdracht van die gegevensdragers het bewijsmateriaal waarop EOB betrekking heeft, in handen van uitvaardigde autoriteit wordt gesteld. Rb heeft verder geoordeeld dat het, na overdracht van gegevensdragers, aan uitvaardigende autoriteit is om te bepalen of, en zo ja op welke wijze nader onderzoek plaatsvindt aan gegevensdragers ter verkrijging van bewijsmateriaal. Daarin ligt tevens als oordeel besloten dat het i.c. niet aan Nederlands OM is om, alvorens tot overdracht over te gaan, kopieën te maken van de op gegevensdragers opgeslagen gegevens teneinde die aan klager ter beschikking te stellen. Deze oordelen getuigen niet van onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 20/01189 Br.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0142
RvdW 2021/566
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/01190 Br

Datum 18 mei 2021

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 maart 2020, nummer RK 20-001300, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te
’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Waar het in deze zaak over gaat

In deze zaak heeft op 6 februari 2020 een doorzoeking van de woning van de klager plaatsgevonden ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van België. Daarbij zijn diverse voorwerpen in beslag genomen, waaronder meerdere telefoons en USB-sticks. Namens de klager is een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard.

3 Juridisch kader

3.1

In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang:

- Artikel 5.4.5 leden 1 en 2 Sv:

“1. De officier van justitie draagt zorg voor spoedige uitvoering van een voor erkenning en uitvoering vatbaar Europees onderzoeksbevel, met dezelfde snelheid en prioriteit als ware het een vergelijkbare binnenlandse zaak. Indien nodig treedt hij over de uitvoering van het bevel en de verwachte duur van de uitvoering in overleg met de uitvaardigende autoriteit.

2. Bij de uitvoering van het verzoek worden de door de uitvaardigende autoriteit aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht genomen, tenzij dit strijd oplevert met de grondbeginselen van het Nederlandse recht. Indien dit laatste het geval is, deelt de officier van justitie dit mede aan de uitvaardigende autoriteit.”

- Artikel 5.4.7 leden 1, 4 en 5 Sv:

“1. Ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel kunnen opsporingsbevoegdheden worden toegepast, onder dezelfde voorwaarden waaronder deze kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van dit wetboek. Daarbij worden eisen die worden gesteld in verband met de proportionaliteit, alsmede een beoordeling van het onderzoeksbelang buiten beschouwing gelaten.

4. De officier van justitie kan besluiten een andere opsporingsbevoegdheid dan aangegeven in het bevel toe te passen, indien daardoor met minder indringende middelen hetzelfde resultaat kan worden bereikt.

5. Indien de officier van justitie voornemens is uitvoering te geven aan het bevel met toepassing van het tweede of vierde lid, meldt hij dit eerst aan de uitvaardigende autoriteit die kan besluiten het bevel in te trekken of aan te vullen.”

- Artikel 5.4.9 leden 1 Sv:

“De officier van justitie stelt de resultaten van de uitvoering van het Europees onderzoeksbevel zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de uitvaardigende autoriteit. Indien overeenkomstig artikel 5.4.10 een klaagschrift is ingediend of nog kan worden ingediend, vindt de overdracht van de resultaten eerst plaats nadat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift.”

3.2

De wetsgeschiedenis bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel (Wet van 31 mei 2017, Stb. 2017, 231), houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

- in de memorie van toelichting:

“De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit onverwijld – en uiterlijk binnen een week – op de hoogte van de ontvangst van het Europees onderzoeksbevel, waarvoor een standaardformulier (bijlage B bij richtlijn 2014/41/EU) wordt gebruikt. De officier van justitie dient vervolgens een beslissing te nemen over erkenning en uitvoering van een Europees onderzoeksbevel. Een duidelijk onderscheid tussen beide begrippen wordt in de richtlijn niet gemaakt (zie bijvoorbeeld artikel 11 dat handelt over gronden voor de weigering van erkenning én uitvoering). De erkenning lijkt betrekking te hebben op de voorwaarden waaronder een EOB in behandeling kan worden genomen en eventuele toepasselijkheid van weigeringsgronden, terwijl de

beslissing over de uitvoering de keuze voor een bepaalde opsporingsbevoegdheid omvat en de vaststelling van de modaliteiten voor de feitelijke uitvoering.
(...)

4.2

Toepassing van bevoegdheden

Artikel 10 van de richtlijn stelt de nationale wetgeving voorop bij de uitvoering van het EOB: in beginsel wordt een EOB uitgevoerd met de onderzoeksbevoegdheden die op grond van het wetboek voorhanden zijn, en desnoods met een andere bevoegdheid die hetzelfde resultaat oplevert.
(...)
De officier van justitie beschikt over de nodige vrijheid bij de keuze van de bevoegdheden waarmee een EOB wordt uitgevoerd. Dit kan een andere bevoegdheid zijn dan door de uitvaardigende autoriteit aangegeven in het bevel; artikel 5.4.7, vierde lid, bepaalt dat de officier van justitie kan besluiten om een andere bevoegdheid toe te passen als daarmee op minder ingrijpende wijze tot hetzelfde resultaat kan worden gekomen (zie in dit verband ook overweging 10 van de richtlijn). De uitvaardigende autoriteit dient wel vooraf van deze beslissing op de hoogte te worden gesteld.

4.3

Inachtneming wensen inzake te volgen procedure

In de praktijk is het vanzelfsprekend van groot belang dat de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het EOB goed aansluit op de behoeften van het buitenlandse strafrechtelijke onderzoek. Daarom zal de officier van justitie in veel gevallen in contact treden met de uitvaardigende autoriteit over de (wijze van) uitvoering van het EOB. Naast de aan te wenden bevoegdheid, spelen er mogelijk nog andere wensen van de uitvaardigende autoriteit, ingegeven door het belang van het onderzoek of door haar nationale recht. De richtlijn kent als uitgangspunt dat bij de uitvoering van het EOB de door de uitvaardigende autoriteit aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht worden genomen, tenzij dit strijd oplevert met de grondbeginselen van het Nederlandse recht (artikel 9, tweede lid, van de richtlijn en artikel 5.4.5, tweede lid).”
(Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 3, p. 6-10)

- in de nota naar aanleiding van het verslag:

“De officier van justitie die de uitvoering van een EOB onder handen heeft, zal inderdaad ernaar streven om de uitvoering op een voor de betrokkene zo min mogelijk ingrijpende manier te laten plaatsvinden, net zoals dat in de Nederlandse opsporingspraktijk een belangrijk richtsnoer bij de inzet van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen is. Het gaat om een facultatieve bepaling, omdat de keuze om een andere onderzoeksbevoegdheid in te zetten dan door de uitvaardigende autoriteit gevraagd in het EOB, altijd in overleg zal dienen te geschieden met de uitvaardigende autoriteit. Die kan immers goede redenen hebben (in verband met de bewijskracht in het nationale recht, of het gegeven dat andere middelen niet effectief zijn gebleken) om toch de in het EOB genoemde bevoegdheid toe te passen. Dit alles heeft tot gevolg dat de officier van justitie in de systematiek van de richtlijn Europees onderzoeksbevel niet verplicht kan zijn om over te gaan tot het inzetten van een minder ingrijpende bevoegdheid.”

(Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 6, p. 16)

4 Beoordeling van het cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Het keert zich daarbij tegen de overwegingen van de rechtbank dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag op de inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder de gegevensdragers, vordert omdat aannemelijk is dat deze voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, en dat geen grond bestaat om over te gaan tot teruggave van de gegevensdragers of kopieën van de daarop opgeslagen gegevens aan de klager.

4.2.1

Het onder 2 genoemde EOB houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Mijn ambt verzoekt de Nederlandse bevoegde overheden:

1. Achterhalen van de verblijf- en of woonplaatsen van (...) [klager], [geboortedatum]/1988 op Nederlands grondgebied of andere adressen waar betrokkenen belangen hebben.

(...)

3. Op de geïdentificeerde adressen in overleg met mijn ambt over te gaan tot simultane huiszoekingen op 06/02/2020. (...)

(...)

5. Naar aanleiding van de huiszoekingen over te gaan tot inbeslagname van:

- Forensisch kopie van de digitale gegevensdragers

- Telefonie

(...)

6. De overtuigingsstukken onmiddellijk ter beschikking te stellen van de Belgische onderzoekers en mijn ambt.

(...)”

4.2.2

Het ingediende klaagschrift houdt het volgende in:

“1. Dat door de Politie Zeeland-West-Brabant op 6 februari 2020 diverse voorwerpen in beslag zijn genomen. (...)

(...)

3. dat klager enig eigenaar is van de in beslag genomen voorwerpen, voor zover klager deze als zodanig herkent;

4. dat klager zich door het voortduren van voormelde in beslagneming ernstige hinder ondervindt bij zijn re-integratietraject en het onderhouden van zijn sociale contacten;

5. dat voor het onderzoek relevante gegevens inmiddels zijn geverifieerd, dan wel gekopieerd, waardoor aan het onderzoek van de in beslag genomen goederen een einde is gekomen, dan wel moet zijn gekomen;

6. dat klager bezwaar heeft tegen de door de officier van justitie op 6 februari 2020 gedane mededeling dat ze over wenst te gaan tot overdracht van de goederen aan de Belgische autoriteiten.”

4.2.3

De schriftelijke reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift houdt het volgende in:

“De Nederlandse verbalisanten die op 6 februari 2020 de doorzoeking in de woning van klager verrichtten, werden vergezeld door collega’s van de Belgische recherche. Zij hebben zorgvuldig een afweging gemaakt van welke goederen in beslag genomen dienden te worden voor het Belgische onderzoek. Ook werd daar waar nodig overleg gepleegd met de Onderzoeksrechter in België.

De goederen genoemd in het klaagschrift zijn op verzoek van de Belgische autoriteiten in beslag genomen.”

4.2.4

Volgens het proces-verbaal van de behandeling door de raadkamer van het ingediende klaagschrift heeft de raadsman van de klager daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt in:

“6. Evident duidelijk is dat de Belgische autoriteiten wensen dat men een Forensisch kopie van de digitale gegevensdragers wenst. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat dit punt de rechtmatigheid van het beslag raakt voor zover dit ligt op de gegevensdrager zelf. Zeker nu na tijdsverloop. Gegevensdragers zijn in deze sowieso de telefoons en usb-sticks. Kennelijk is men in België even zo ver als de Nederlandse Hoge Raad in welke mate zij een telefoon kwalificeren, zijnde een groot deel van je persoonlijke leven. Klagers hebben ook geen bezwaar tegen het maken van een kopie. Teleurgesteld te meer nu deze kennelijk nog niet is gemaakt.

7. In dit kader wordt ook verwezen naar ECLI:NL:GHDHA:2019:391 Hof Den Haag. Vernietigen van gegevens op een gegevensdrager. Feit van algemene bekendheid is dat op gegevensdrager (o.a. telefoon) diverse soorten data staan. De vraag of deze data strafbaar is of gebruikt is daarvoor kan onderzocht worden, maar feit van algemene bekendheid is ook dat op gegevensdragers gegevens staan die beschermt worden ex. art 8 EVRM.

8. Verzocht wordt dan ook het klaagschrift gegrond te verklaren en de gegevensdragers en overige goederen te retourneren. Let wel, hieraan wordt geen nadeel berokkend aan hetgeen verzocht is in het EOB. Subsidiair wordt verzocht een kopie van de goederen te verstrekken aan cliënten.”

4.2.5

De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in:

“2. De beoordeling

(...)

Naar aanleiding van een door de Belgische justitiële autoriteiten uitgevaardigd Europees onderzoeksbevel in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar klager heeft op 6 februari 2020 een doorzoeking van de woning van klager plaatsgevonden. Daarbij zijn diverse voorwerpen in beslag genomen.

Klager verzoekt de teruggave van:

- een Blackberry;

- een telefoon van het merk Samsung;

- een visitekaartje Capri bouw;

- een USB-stick van het merk Kingston;

- een USB-stick van het merk SanDisk;

- een USB-stick blauw;

- diverse administratie;

- een PH-meter van het merk/type Adwa;

- een brief met buitenlandse tekst;

- een telefoon van het Samsung blauw/zwart;

- een PH-meter (vanuit een Volvo met kenteken [kenteken 1]);

- visitekaartjes van […].nl;

- een parkeerkaartje […];

- een telefoon van het merk GTStar;

- een iPhone;

- een prepaid telefoon van het merk Nokia;

- een telefoon van het merk Samsung zwart;

- een prepaid telefoon van het merk Alcatel;

- administratie.

De voorwerpen waarvan klager teruggave verlangd zijn in beslag genomen op de voet van artikel 94 Sv ter uitvoering van een (in deze procedure overgelegd) Europees onderzoeksbevel, uitgevaardigd door de Belgische autoriteiten.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien

niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.

De rechtbank neemt verder tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin op grond van art. 94 Sv beslag is gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, bij de beantwoording van de vraag of het strafvorderlijk belang – ook wanneer dit niet is beperkt tot het Nederlandse strafvorderlijk belang – het voortduren van het beslag vordert, in beginsel verondersteld mag worden dat het recht van de lidstaat dat het Europees onderzoeksbevel heeft uitgevaardigd voorziet in een regeling die materieel rechtelijk overeenkomt met hetgeen geldt naar Nederlands recht. Dit mede gelet op het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv.

De rechtbank is van oordeel dat voor de voorwerpen waarvan klager de teruggave verlangt in voldoende mate is gebleken – mede gelet op de verdenking van deelname aan een criminele organisatie en teelt, invoer, handel en bezit van/in verdovende middelen zoals die jegens klager blijkt uit het overgelegde afschrift van het Europees onderzoeksbevel – dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aannemelijk is dat deze voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen.

Het betoog van klager dat de inbeslagneming onrechtmatig moet worden geacht en dat de bestanden op de gegevensdragers eenvoudig gekopieerd kunnen worden, waarna deze zouden kunnen worden geretourneerd aan klager, passeert de rechtbank. In een geval als het onderhavige, waarin beslag is gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, kan redelijkerwijs niet van het Openbaar Ministerie worden gevergd dat zij de bestanden op de gegevensdragers kopieert teneinde te bewerkstelligen dat de gegevensdragers zelf kunnen worden teruggegeven. Dat verdraagt zich niet met de vooral uitvoerende taak van het Openbaar Ministerie bij de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel. Het is bovendien aan de Belgische justitiële autoriteiten om te bepalen in hoeverre na overdracht van de voorwerpen onderzoek moet worden verricht aan de inbeslaggenomen voorwerpen. Op voorhand mag daarbij niet worden verondersteld dat dit onderzoek zich zal beperken tot de digitale bestanden die zich op de gegevensdragers bevinden en dat geen nader onderzoek aan de gegevensdragers zelf zal plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.”

4.3.1

In de onderhavige zaak zijn ter uitvoering van een EOB voorwerpen in beslag genomen en moest de rechtbank, gelet op artikel 5.4.10 lid 3 Sv in verbinding met artikel 552a Sv, beoordelen of die voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.

4.3.2

Het oordeel van de rechtbank strekt ertoe dat het Nederlandse openbaar ministerie als uitvoerende autoriteit in het onderhavige geval niet kan volstaan met de overdracht van – door het openbaar ministerie te maken – kopieën van de bestanden op de in beslag genomen gegevensdragers, maar dat die gegevensdragers zelf mogen en moeten worden overgedragen ter uitvoering van het EOB en dat zich daarom geen grond voordoet voor teruggave van de in beslag genomen gegevensdragers aan de klager. Daarbij heeft de rechtbank kennelijk – mede gelet op onder 4.2.3 vermelde reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift over het overleg met de Belgische autoriteiten in het kader van de doorzoeking ter uitvoering van het EOB – betrokken dat de uitvaardigende autoriteit blijkens het onder 4.2.1 weergegeven EOB met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal in de strafzaak de beschikking wil krijgen over de volledige inhoud van de gegevensdragers en dat met de overdracht van die gegevensdragers het bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft, in handen van de uitvaardigde autoriteit wordt gesteld.

4.3.3

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het, na de overdracht van de gegevensdragers, aan de uitvaardigende autoriteit is om te bepalen of, en zo ja op welke wijze nader onderzoek plaatsvindt aan de gegevensdragers ter verkrijging van bewijsmateriaal. Daarin ligt tevens als oordeel besloten dat het in het onderhavige geval niet aan het Nederlandse openbaar ministerie is om, alvorens tot overdracht over te gaan, kopieën te maken van de op de gegevensdragers opgeslagen gegevens teneinde die aan de klager ter beschikking te stellen.

4.3.4

Deze oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. De klachten van het cassatiemiddel stuiten daarop af.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2021.