Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:66

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
17/05469
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:5004
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1224
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opiumwetdelicten; productie van en handel in synthetische drugs in georganiseerd verband vanuit verschillende locaties in Heerlen en Kerkrade in 2011. Taakstrafverbod, art. 22b Sr. Oplegging taakstraf niet mogelijk gelet op taakstrafverbod van art. 22b.2 Sr, terwijl feiten zijn begaan vóór inwerkingtreding van wet beperking oplegging taakstraf (op 3-1-2012)? Gelet op overgangsbepaling in wet van 17-11-2011 (Stb. 2012, 1), inhoudende dat deze wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor i.w.tr. van deze wet, en in aanmerking genomen dat bewezenverklaarde feiten voor 3-1-2012 (datum i.w.tr. van deze wet) zijn begaan, heeft hof miskend dat art. 22b Sr buiten toepassing dient te blijven. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Met overweging in strafmotivering alsmede gelet op duur van opgelegde gevangenisstraf (30 maanden), heeft hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat taakstraf hoe dan ook niet passend is. Gelet hierop moet ‘s hofs overweging over toepasselijkheid van art. 22b Sr als een overweging ten overvloede worden gezien, zodat verdachte geen belang heeft bij zijn klacht. Volgt verwerping. Samenhang met 17/05492.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0006 met annotatie van J.H.J. Verbaan
RvdW 2021/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05469

Datum 19 januari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 november 2017, nummer 20/004303-13, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde verbod tot oplegging van een taakstraf van toepassing is.

3.2

De verdachte is wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” (gepleegd in de periode van 5 april 2011 tot en met 14 juni 2011), 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” (gepleegd in de periode van 29 maart 2011 tot en met 14 juni 2011), 3. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” (gepleegd op 15 juni 2011) en 4. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde of vijfde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet” (gepleegd in de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 juni 2011), (onder meer) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:

“De verdediging heeft verzocht aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede een taakstraf. Zij heeft daartoe - zeer kort samengevat - aangevoerd dat met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde anders dan de rechtbank moet worden uitgegaan van een kortere periode en dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof overweegt hieromtrent - gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank - als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich gedurende ongeveer 2,5 maand schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. Verdachte maakte deel uit van een organisatie die zich bezighield met de productie van synthetische drugs. Binnen de organisatie werd gebruik gemaakt van verschillende opslag- en productieplaatsen. Verdachte is langdurig en veelvuldig betrokken geweest bij activiteiten van de criminele organisatie van [medeverdachte] , die de leider was van de organisatie. Verdachte was ook betrokken bij drugstransporten naar Duitsland, waarbij verdachte verantwoordelijk was voor het vervoeren van de drugs. Het ging daarbij om een groot aantal kilo's.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Daarnaast is het grensoverschrijdende transport van verdovende middelen een groot probleem. Dat geldt in het bijzonder voor de regio Zuid‑Limburg. Als gevolg van de geografische ligging tussen België en Duitsland, is transport vanuit deze regio naar het buitenland relatief gemakkelijk te doen. Omdat de prijsverschillen tussen Nederland en de ons omringende landen naar bekend is aanzienlijk zijn, kan veel geld verdiend worden met dergelijke transporten. Verdachte heeft slechts uit oogpunt van geldelijk gewin deze strafbare feiten gepleegd.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 7 augustus 2017, de verdachte betreffend, blijkt dat hij al eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. Bij die veroordeling is aan verdachte een taakstraf opgelegd, hetgeen verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw dergelijke feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Een taakstraf als door de verdediging verzocht is op grond van het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, aanhef en onder a en b, Sr niet mogelijk, omdat aan verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten wegens soortgelijke misdrijven taakstraffen zijn opgelegd (bij vonnissen van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 10 maart 2009, parketnummers 03-630552-08 en 03-630606-08 en verdachte deze taakstraffen heeft verricht. Een taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in art. 22b lid 3 Sr is niet aan de orde, omdat dat naar het oordeel van het hof onvoldoende recht zou doen aan de ernst, de veelheid en de duur van de feiten.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij zijn leven inmiddels weer op de rails lijkt te hebben, hetgeen onder meer kan worden afgeleid uit het feit dat verdachte blijkens het genoemde uittreksel uit het justitieel documentatieregister al enige jaren niet meer is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Het hof heeft bij de bepaling van de strafduur voorts rekening gehouden met de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Het hof stelt vast dat de rechtbank op 13 december 2013 vonnis heeft gewezen, dat verdachte op 23 december 2013 hoger beroep heeft ingesteld en dat het hof arrest wijst op 10 november 2017. De behandeling in hoger beroep is dus niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met bijna 2 jaar. Bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Deze overschrijding dient dan ook te worden gecompenseerd door strafvermindering. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.”

3.3.1

Artikel 22b Sr luidde ten tijde van de uitspraak van het hof:

“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:

a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;

b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.

2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”

3.3.2

Artikel 22b Sr is ingevoerd bij de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (Stb. 2012, 1). Deze wet is in werking getreden op 3 januari 2012. De wet bevat in artikel II een bepaling van overgangsrecht inhoudende dat de wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van die wet.

3.4

In aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde feiten voor 3 januari 2012 zijn begaan, heeft het hof miskend dat de genoemde bepaling buiten toepassing dient te blijven.

3.5

Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Met zijn overweging dat “gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet [kan] worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming (...) met zich brengt” en zijn overweging dat “een taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf (...) niet aan de orde [is], omdat dat naar het oordeel van het hof onvoldoende recht zou doen aan de ernst, de veelheid en de duur van de feiten”, alsmede gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat een taakstraf hoe dan ook niet passend is. Gelet hierop moet de overweging van het hof over de toepasselijkheid van artikel 22b Sr als een overweging ten overvloede worden gezien. Om die reden heeft de verdachte geen belang bij zijn klacht, zodat het cassatiemiddel niet tot cassatie kan leiden.

4 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 25 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2021.