Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:647

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
19/05374
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1102, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:6938, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Procesrecht. Verdeling nalatenschap. Art. 3:301 lid 2 BW en art. 433 Rv. Veroordeling tot medewerking aan levering registergoed met bepaling dat vonnis in de plaats treedt van een deel van de leveringsakte (art. 3:300 lid 2 BW). Hoger beroep niet ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep? Hoge Raad doet zelf de zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/1401
NJ 2021/164
RvdW 2021/491
JOR 2021/167 met annotatie van Steneker, A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/05374

Datum 23 april 2021

ARREST

In de zaak van

1. [eiseres 1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],

hierna: [eiser 2],

3. [eiseres 3],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [eisers],

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],

2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: [verweerders],

advocaat: C.G.A. van Stratum.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/16/323079 / HA ZA 12-652 van de rechtbank Utrecht van 13 juni 2012 en van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2013, 10 september 2014, 8 juni 2016 en 26 april 2017;

  2. de arresten in de zaak 200.224.770 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2017 en 27 augustus 2019.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 27 augustus 2019 beroep in cassatie ingesteld.

[verweerders] refereren zich aan het oordeel van de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze zaak betreft een geschil tussen [eisers] en [verweerders] over de verdeling van de nalatenschap van hun (schoon)ouders. De rechtbank heeft [verweerders] bij eindvonnis onder meer veroordeeld tot medewerking aan de levering aan [eiser 2] van het voormalige woonhuis van de (schoon)ouders (hierna: het woonhuis).1

2.2

Het dictum van het eindvonnis luidt, voor zover in cassatie van belang:

“De rechtbank

3.1.

deelt het woonhuis (…) toe aan [eiser 2] tegen een waarde van € 29.495,71, met de bepaling dat [eiser 2] gehouden is

- de kosten van de levering van de aandelen van de overige erfgenamen in het woonhuis aan hem te voldoen;

- de overige erfgenamen een overbedelingsvergoeding te betalen van € 7.374,00;

3.2.

veroordeelt [[verweerders]] tot medewerking aan de levering aan [eiser 2] van zijn onverdeelde aandeel in het woonhuis (…);

(…)

3.4.

bepaalt dat dit vonnis (telkens) in de plaats zal treden van de door [[verweerders]] te verrichten benodigde rechtshandelingen voor de levering aan [eiser 2] van [het woonhuis] indien [[verweerders]] niet binnen twee weken na de betekening van dit vonnis zijn medewerking verleent;

(…)

3.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;”

2.3

[verweerders] hebben hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis. Met grief IV tot en met (de eerste) grief VII richtten [verweerders] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het woonhuis aan [eiser 2] moet worden toegedeeld en geleverd tegen een bedrag van € 29.495,71.

2.4

Het hoger beroep is niet ingeschreven in het register als bedoeld in art. 433 Rv (hierna: het rechtsmiddelenregister).

2.5

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank onder meer wat betreft de hiervoor in 2.2 weergegeven beslissingen onder 3.1., 3.2. en 3.4. vernietigd en, kort gezegd, beslist dat het woonhuis wordt toegedeeld aan [eiser 2] en dat de toedeling moet geschieden tegen de actuele waarde in het economisch verkeer (rov. 5.25 tot en met 5.32).2

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 2.1 van het middel betoogt dat het hof op grond van art. 3:301 lid 2 BW [verweerders] ambtshalve niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun hoger beroep ten aanzien van de verdeling van het woonhuis, omdat [verweerders] het hoger beroep niet (tijdig) in het rechtsmiddelenregister hebben laten inschrijven.

3.2.1

Op grond van art. 3:301 lid 2 BW moeten verzet, hoger beroep en cassatie tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, op straffe van nietontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister.

3.2.2

Het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW strekt ertoe dat bij inschrijving in de openbare registers van een uitspraak die in de plaats treedt van (een deel van) een tot levering bestemde akte als bedoeld in art. 3:89 BW, zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek, geen rechtsmiddel is ingesteld. Dit is van belang voor de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen. De bepaling bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, bij de afgifte van de in art. 25 Kadasterwet bedoelde verklaring dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het rechtsmiddelenregister. Dit is niet alleen van belang in de gevallen die in art. 25 lid 1, onder a en b, Kadasterwet zijn genoemd, maar ook in het geval waarin de in te schrijven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.3

3.2.3

De rechter dient ambtshalve na te gaan of aan het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW is voldaan.4

3.2.4

Een niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 3:301 lid 2 BW strekt zich alleen uit tot de grieven of klachten die zich richten tegen oordelen die betrekking hebben op het gedeelte van de uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van (een deel van) de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen.5 Verder geldt de eis van inschrijving in het rechtsmiddelenregister slechts voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering is getreden of nog kan treden.6

3.3.1

In dit geval kan het dictum van het eindvonnis niet anders worden begrepen dan dat de rechtbank daarin (onder 3.4.) heeft bepaald dat – indien [verweerders] niet (tijdig) meewerken aan de levering van het woonhuis aan [eiser 2] – de uitspraak in de plaats treedt van een deel van de leveringsakte, namelijk van de in de leveringsakte vereiste verklaringen van [verweerders] Dit deel van het dictum staat in onlosmakelijk verband met de in het dictum (onder 3.2.) opgenomen veroordeling van [verweerders] tot medewerking aan de levering van het woonhuis aan [eiser 2], en de in het dictum (onder 3.1.) bepaalde waarde waartegen het woonhuis aan [eiser 2] is toegedeeld. De rechtbank heeft dus toepassing gegeven aan art. 3:300 lid 2 BW.

Met grief IV tot en met (de eerste) grief VII richt het hoger beroep van [verweerders] zich tegen deze gedeelten van het eindvonnis.

3.3.2

Vast staat dat [verweerders] het hoger beroep niet hebben ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.3 en 3.3.1 is overwogen, had het hof [verweerders] dan ook op grond van art. 3:301 lid 2 BW niet-ontvankelijk moeten verklaren in hun hoger beroep voor zover dit zich richt tegen de hiervoor in 3.3.1 bedoelde gedeelten van het eindvonnis (dus tegen het dictum van het eindvonnis onder 3.1., 3.2. en 3.4.).

Onderdeel 2.1 slaagt derhalve.

3.4

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

3.5

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen op de wijze zoals hierna is vermeld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2019, maar uitsluitend voor zover het hof het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2017 wat betreft het dictum onder 3.1., 3.2. en 3.4. (voor zover dat het woonhuis betreft) heeft vernietigd en het hof, in zoverre opnieuw recht doende, partijen heeft gelast over te gaan tot verdeling van het woonhuis als in rov. 5.30-5.32 is bepaald en heeft bepaald dat de verdeling van het woonhuis dient te geschieden ten overstaan van een notaris verbonden aan de Baarnse Notarissen;

en in zoverre opnieuw recht doende:

  • -

    verklaart [verweerders] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover zij daarin opkomen tegen het dictum van het eindvonnis van de rechtbank onder 3.1., 3.2. en 3.4. (voor zover dat het woonhuis betreft);

  • -

    compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 23 april 2021.

1 Rechtbank Midden-Nederland 26 april 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2045.

2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6938.

3 HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, rov. 3.4.

4 HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, rov. 3.4.

5 Vgl. HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, rov. 3.4.

6 HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, rov. 3.5.