Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:646

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
20/00926
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1139, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:3294, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Familierecht. Huwelijk in Iran. Vrouw verzoekt echtscheiding en betaling van de naar Iraans recht overeengekomen bruidsgave. Verweer dat partijen al gescheiden zijn en dat de bruidsgave reeds is betaald. Passeren bewijsaanbod. Prognose. Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0104
NJB 2021/1402
RvdW 2021/497
JPF 2021/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/00926

Datum 23 april 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man],
wonende te [woonplaats], Duitsland,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de man,

advocaat: N.C. van Steijn,

tegen

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de vrouw,

advocaat: A.H.H. Conradi-Vermeulen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaken C/09/538501 en C/09/572059 van de rechtbank Den Haag van 16 april 2019;

  2. de beschikking in de zaak 200.262.641/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2019.

De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn in 1981 in Iran met elkaar gehuwd.

(ii) De man heeft de Nederlandse en de Iraanse nationaliteit en de vrouw heeft de Iraanse nationaliteit.

2.2

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en te bepalen, onder meer, dat de man de bruidsgave van € 12.647,27 aan haar dient te voldoen. De rechtbank heeft deze verzoeken toegewezen. Zij heeft daartoe in haar eindbeschikking onder meer als volgt overwogen.

Gelet op de door de vrouw ingediende stukken betreffende de status van het huwelijk, in onderlinge samenhang bezien met de omstandigheid dat de man zijn eerdere (mondelinge) verweer niet (meer) nader heeft onderbouwd, is genoegzaam aangetoond dat partijen nog niet van echt zijn gescheiden.

De bruidsgave is een eigen rechtsfiguur die als een overeenkomst heeft te gelden. De overeenkomst is rechtsgeldig tot stand gekomen en nakoming daarvan betreft een vordering die niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De bruidsgave heeft naar Iraans recht een geheel eigen karakter waardoor deze niet gelijk is te stellen aan een uitkering tot levensonderhoud of een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. De bruidsgave is op ieder moment opeisbaar, zowel tijdens als na het huwelijk.

2.3

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.1

Het heeft daartoe wat betreft de echtscheiding overwogen dat het de door de rechtbank gebezigde gronden overneemt en tot de zijne maakt. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Ook in hoger beroep heeft de man geen enkel stuk overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen al zijn gescheiden. Dit had in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw wel op zijn weg gelegen. (rov. 5.3)

Ook wat betreft de bruidsgave neemt het hof de door de rechtbank gebezigde gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de bruidsgave op elk moment opeisbaar is en dat de vrouw tot het moment van haar verzoek tot echtscheiding de bruidsgave niet heeft opgeëist. Voorts is niet komen vast te staan dat de man de bruidsgave al betaald heeft. Ten aanzien van het bewijsaanbod biedt de man slechts aan om zijn zoon te laten getuigen en de vrouw betwist dat betekenis moet worden gehecht aan deze verklaring omdat zij reeds jaren met de zoon niet op goede voet leeft. Bij deze stand van zaken kan de getuigenis van de zoon niet leiden tot een andere beslissing. De door de man overgelegde verklaring van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] levert tot slot geen aanknopingspunten op voor het antwoord op de vraag of de man de bruidsgave reeds heeft betaald aan de vrouw. Het hof overweegt hiertoe dat de verklaringen slechts vermelden dat de bewuste personen wetenschap zouden hebben van de betaling van de bruidsgave, maar hoe zij die wetenschap hebben verkregen wordt geenszins toegelicht. (rov. 5.6)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof in rov. 5.6 het bewijsaanbod van de man heeft gepasseerd. Het oordeel van het hof dat de getuigenis van de zoon niet kan leiden tot een andere beslissing is volgens het onderdeel onjuist of onbegrijpelijk omdat het in strijd is met het prognoseverbod en omdat niet valt in te zien waarom het gegeven dat een getuige niet op goede voet zou leven met een procespartij reden is om deze niet te horen.

3.2

Art. 284 lid 1 Rv, dat op grond van art. 362 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, houdt in dat de bepalingen van bewijsrecht ook gelden in verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de man een bewijsaanbod heeft gedaan dat aan de eisen van art. 166 Rv voldoet (rov. 5.6). Daarvan uitgaand had het hof de man moeten toelaten tot dat bewijs. Een bewijsaanbod mag niet worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent de inhoud van de verklaring of de waarde die deze zal blijken te hebben.2 De overweging van het hof dat de getuigenis van de zoon niet kan leiden tot een andere beslissing komt neer op een dergelijke prognose. Het onderdeel is derhalve gegrond.

3.3

Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het slagen van onderdeel 1 tot gevolg heeft dat het oordeel van hof in rov. 5.3 evenmin in stand kan blijven, aangezien het bewijsaanbod van de man mede ziet op de vraag of de partijen in het verleden al van elkaar gescheiden zijn. Voorts acht het onderdeel onbegrijpelijk het oordeel dat de man in hoger beroep geen enkel stuk heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen al zijn gescheiden. Het wijst daartoe onder meer op de door de man overgelegde verklaringen van de zoon, van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], en van tien getuigen. Ook deze klachten zijn gegrond.

Indien het hof het aanbod de zoon als getuige te horen niet mede heeft betrokken op de vraag of partijen al gescheiden waren, is dat, gelet op de inhoud van de schriftelijke verklaring van de zoon, die mede ziet op de echtscheiding, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Voor zover het hof het bewijsaanbod heeft gepasseerd op de in rov. 5.6 genoemde grond, slaagt de klacht op grond van hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen.

In het licht van de overige, door de man overgelegde schriftelijke verklaringen is voorts onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de man in hoger beroep geen enkel stuk heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen al zijn gescheiden.

3.4

De overige klachten worden verworpen. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 23 april 2021.

1 Gerechtshof Den Haag 11 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3294.

2 Vgl. onder meer HR 14 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1235, rov. 3.4.