Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:636

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
19/02828
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:152
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen uitvoer van harddrugs en deelname aan criminele organisatie. Kon hof het gehele w.v.v. toerekenen aan betrokkene? De enkele omstandigheid dat uit kwalificatie van wat ten laste van betrokkene in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak is bewezenverklaard, volgt dat betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, hoeft niet eraan in de weg te staan dat rechter w.v.v. geheel aan betrokkene toerekent. Onder omstandigheden kan echter een nadere motivering vereist zijn om die toerekening begrijpelijk te doen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als, i.v.m. wat door of namens betrokkene ttz. in h.b. is aangevoerd of gelet op wat uit bewijsvoering in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak rechtstreeks voortvloeit m.b.t. verkrijging van voordeel door verschillende daders, voldoende duidelijke aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat voordeel over meer daders moet worden verdeeld. ‘s Hofs oordeel dat w.v.v. in zijn geheel aan betrokkene moet worden toegerekend, is niet z.m. begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met vier andere zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0123
RvdW 2021/512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02828 P

Datum 20 april 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juni 2019, nummer 20-001759-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend.

2.2.1

In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof de betrokkene veroordeeld voor, kort gezegd, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Dit arrest houdt onder meer het volgende in:

“Het hof stelt (...) met betrekking tot de onderscheidenlijke transporten naar Engeland en de rol van de verdachte daarbij vast dat in de tenlastegelegde periode op aanzienlijke schaal harddrugs naar Engeland zijn getransporteerd. Een en ander geschiedde binnen een gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en [betrokkene 2] als de personen die drugstransporten faciliteerden, aanstuurden en coördineerden, met [medeverdachte] als de persoon die de voor de transporten te gebruiken personenauto’s daarvoor prepareerde en met [betrokkene 3] als de uiteindelijke chauffeur van het transport naar Engeland, alwaar de verdovende middelen werden afgeleverd.”

2.2.2

Het hof heeft het door de betrokkene uit in de strafzaak bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 108.981,21. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde is het hof uitgegaan van voormeld arrest in de hoofdzaak en van het rapport van de politie Haaglanden met proces-verbaalnummer 1509/1009/3358 van 17 mei 2010. Het hof volgt de berekening van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat het hof zal uitgaan van twee transporten minder, omdat het hof - anders dan de rechtbank - de tenlastegelegde transporten op 21 april 2009 en op 20 januari 2009 niet bewezen heeft geacht in de hoofdzaak.

Het hof heeft in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak onder laatstgenoemd parketnummer wettig en overtuigend (onder meer) bewezen verklaard dat veroordeelde tezamen en in vereniging met anderen op 2 augustus 2009, 7 juni 2009, 10 mei 2009, 8 april 2009, 9 februari 2009 en in december 2008 harddrugs heeft uitgevoerd naar Groot-Brittannië en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op de export naar Groot Brittannië van harddrugs.

Bij het transport van 2 augustus 2009 is een partij van bijna 14 kilo heroïne aangetroffen en in beslag genomen. Dit transport heeft vanwege de inbeslagname op zichzelf geen wederrechtelijk voordeel gegenereerd. Het hof zal dit transport dan ook niet meennemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

(...)

Het hof gaat er bij gebreke van contra-indicaties van uit dat veroordeelde de verdovende middelen zelf heeft ingekocht en in de auto's heeft laten verstoppen door [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft verklaard dat veroordeelde hem in verband met zijn werkzaamheden wel eens € 500,- heeft gegeven. Het hof gaat er op basis hiervan van uit dat veroordeelde aan [medeverdachte] voor elk transport een bedrag van € 500,- heeft betaald.

(...)

De veroordeelde heeft anderen de in de kokerbalken van auto's verstopte partijen verdovende middelen partijen naar Engeland laten vervoeren. Per partij neemt het hof als stelpost een bedrag van € 5.000,- op als kosten voor de vervoerders; dit nu de vervoerders behoudens [betrokkene 1] geen verklaring over hun tegemoetkoming hebben afgelegd en ook de veroordeelde niet heeft verklaard over de kosten voor het vervoer. Alleen [betrokkene 1] heeft op 16 maart 2010 verklaard dat hij van veroordeelde € 500,- heeft geleend en dat hij, toen bleek dat hij geen geld had om dit bedrag terug te betalen, zijn schuld heeft ingelost door een auto naar Engeland te brengen.

Gelet op het vorenstaande zal het hof derhalve (5 x € 500,-) + (5 x € 5.000,-) + (1 x € 500,-) =
€ 28.000,- als kosten voor personeel op het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde in mindering brengen.

De auto's met verdovende middelen werden op een afgesproken of van tevoren bekende plaats afgehaald en overgebracht naar Engeland. Nu niemand verklaart over vervoerskosten zal het hof als stelpost voor vervoerskosten € 1.000,- per transport bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde in mindering brengen. In casu komt het hof derhalve tot een totaal bedrag ter zake van vervoerskosten van (5 x € 1.000,- = ) € 5.000,-.

Nu uit het onderzoek is gebleken dat de veroordeelde voor zijn handel gebruik maakte van zijn privé telefoon brengt het hof geen telefoonkosten in mindering.

Overzicht kosten:

Kosten personeel: € 28.000,-

Kosten vervoer: € 5.000,- +

Totaal kosten: € 33.000,-

Het voordeel van de veroordeelde wordt als volgt berekend:

Verkoop Engeland: 63 kilo heroïne (groothandelsprijs) x € 15.587,- = € 981.981,-

Inkoop Nederland: 63 kilo heroïne (groothandelsprijs) x € 13.333,33 = € 839.999,79 -/-

Bruto winst: € 141.981,21

Totale kosten: € 33.000,- -/-

Netto wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde: € 108.981,21

Het hof ontleent derhalve aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en had en dat dit voordeel moet worden geschat op netto € 108.981,21.”

2.3

De enkele omstandigheid dat uit de kwalificatie van wat ten laste van de betrokkene in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak is bewezenverklaard, volgt dat de betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, hoeft niet eraan in de weg te staan dat de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene toerekent. Onder omstandigheden kan echter een nadere motivering vereist zijn om die toerekening begrijpelijk te doen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als, in verband met wat door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd of gelet op wat uit de bewijsvoering in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak rechtstreeks voortvloeit met betrekking tot de verkrijging van voordeel door de verschillende daders, voldoende duidelijke aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld.

2.4

In het licht hiervan en gelet op de hiervoor onder 2.2.1 weergegeven vaststelling van het hof in de strafzaak dat het transport van verdovende middelen naar Engeland heeft plaatsgevonden “binnen een gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en [betrokkene 2] als de personen die drugstransporten faciliteerden, aanstuurden en coördineerden (...)”, is het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 108.981,21 in zijn geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend niet zonder meer begrijpelijk.

2.5

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021.