Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:626

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
20/03891
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:74
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening Arnhemse Villamoord in 1998. Novum in de vorm van de intrekking van de (bekennende) getuigenverklaring van een van de veroordeelde personen. HR zet juridisch kader uiteen en herhaalt relevante overweging uit HR:1997:ZC9316 dat aanvrager aannemelijk moet maken dat en waarom een getuige op hem belastende verklaringen terugkomt. De bij de aanvraag overgelegde verklaringen wekken, tegen de achtergrond van de bewijsvoering van het hof, niet het voor het buitengewone rechtsmiddel van herziening vereiste ernstige vermoeden a.b.i. art. 457.1 aanhef sub c Sv. Daaruit volgt dat de aanvraag ongegrond is en o.g.v. art. 470 Sv moet worden afgewezen. Samenhang met 7 andere herzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03891 H

Datum 20 april 2021

ARREST

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof te Arnhem van 12 december 2000, nummer 21-000026-00, ingediend door P.B.A. Acda, advocaat te Roermond,

namens

[aanvrager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

hierna: de aanvrager.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de rechtbank Arnhem van 29 december 1999 – de aanvrager veroordeeld voor, kort gezegd, medeplegen van diefstal met geweldpleging tegen twee personen die de dood van een persoon ten gevolge heeft, tot een gevangenisstraf van tien jaren.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1

Het hof heeft ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:

“hij op 2 september 1998 te Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een slavenarmband en een aantal bankpasjes en een geldbedrag en een aantal portemonnees, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat door verdachte of door één van zijn mededader(s),

opzettelijk een pistool, is gericht op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ; en

is gevraagd om geld aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ; en

vervolgens opzettelijk is geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.”

2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2. Voor de beoordeling van de aanvraag zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen van belang:

“7. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 114 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en ondertekend op 18 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2] :

Onbekenden hebben op de avond van 2 september 1998 tussen 19.05 uur en 23.00 uur ingebroken of zijn wederrechtelijk binnengedrongen in mijn woning aan de [a-straat 1] te Arnhem. Daarbij heeft men geweld gebruikt tegen mijn vrouw [slachtoffer 1] . Ook een vriendin van ons genaamd [slachtoffer 2] was daarbij betrokken. Bij dit geweld is mijn echtgenote om het leven gekomen en is [slachtoffer 2] gewond geraakt. Mogelijk dat men door het gebruik van dit geweld zonder enige toestemming goederen heeft kunnen wegnemen danwel mijn echtgenote gedwongen heeft door middel van bedreiging met geweld goederen te doen afgeven. Deze goederen heeft men zich wederrechtelijk kunnen toeeigenen. De goederen waren mijn eigendom en ik heb niemand hiervoor toestemming gegeven.

De goederen die uit mijn woning zijn weggenomen betreffen:

- een portemonnaie met als inhoud Nederlands muntgeld;

- van mijn vrouw is weggenomen een gouden slavenarmband.

8. een in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] en [verbalisant 7] opgemaakt proces-verbaal, gesloten en ondertekend op 3 september 1998, voorzover inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] (bijlage 8 bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422):

Vanavond, woensdag 2 september 1998 omstreeks 19.05 uur ben ik met mijn personenauto naar Arnhem gereden. Ik heb de afslag Arnhem-Noord genomen en kwam zo op de [a-straat] . Ik reed met mijn auto hun erf op. Ik ben naar de voordeur gelopen en belde aan. Toen er niemand aan de deur kwam ben ik naar de achterzijde van de woning gelopen. Ik ben doorgelopen over een pad naar de achtertrap. Deze trap liep ik op. Ik doe de deur open en loop de bijkeuken in.

Plotseling verscheen [slachtoffer 1] in de deuropening van de woonkamer naar de hal. Wat mij opviel was dat [slachtoffer 1] zeer gespannen leek. Het eerste wat [slachtoffer 1] tegen mij zei was: " [slachtoffer 2] ik heb hier een boef". Op dat moment zag ik dat achter [slachtoffer 1] een onbekende persoon stond. [slachtoffer 1] zei nog: "Het is menens". Ik liep naar [slachtoffer 1] toe en vroeg wat er aan de hand was. [slachtoffer 1] antwoordde: "We zoeken naar geld, ik heb nog wel een plekje".

Ik had een grote bruinachtige leren tas bij me en die gooide ik op het kleed leeg. Ik hurkte en zocht naar mijn portemonnaie. Ik keek vanuit mijn gehurkte houding op en zag dat de manspersoon achter [slachtoffer 1] een pistool op haar rug richtte.

Ik hoorde dat de man zei: "Loop jij ook eventjes met me mee". Op een of andere wijze wees de man mij de weg naar de slaapkamer.

De man zei: "Gaan jullie op het bed liggen".

[slachtoffer 1] kroop het eerst op het bed. Ik kroop ook op het bed en ging naast haar liggen. We lagen met onze gezichten naar elkaar toe. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] nog wat zei. De zin begon met: "lk weet nog wel ergens...."

Direct nadat ik [slachtoffer 1] hoorde praten hoorde ik twee harde knallen. De knallen volgden elkaar snel op. Ik voelde dat ik werd geraakt aan mijn hoofd. Ik besefte dat ik aan mijn hoofd was geraakt.

9. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 24 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , beiden hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 4 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] :

Op 1 september 1998 reed ik omstreeks 19.15 uur over de [a-straat] richting Arnhem-Centrum. Villa " [A] " ken ik vrij goed. Ik en mijn dochter zagen op ongeveer 100 meter voorbij de villa een manspersoon staan. Wij vroegen ons af wat die man daar deed. De man stond aan de zijde waar zich ook de villa bevindt. Ik vond het vreemd dat de man daar zo stond. De man had een getinte huidskleur. Ik schat de leeftijd op ongeveer 30-35 jaar. De man had geen baard of snor. De man had kort donker haar en een bol gezicht. De man had een klein stevig postuur.

Op 2 september 1998 rond 19.30-19.45 uur reed ik weer over de [a-straat] . Ik zag een donkerblauwe of mogelijk zwarte Volkswagen Golf, oud model, de oprit van de villa " [A] " inrijden. De auto kwam uit de richting Arnhem-Centrum. Op het moment dat ik zag dat voornoemde auto de inrit in reed, zag ik op het zelfde moment de man, die ik de dag eerder ook had zien staan, wederom langs het fietspad staan. Hij stond op dezelfde lokatie als dinsdag. Ik had sterk de indruk dat de man daar wat uitspookte of op de uitkijk stond. Ik zag dat de man naar de Volkswagen Golf keek, die de inrit inreed.

10. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 39 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 5] voornoemd, gesloten en getekend op 6 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 2] :

Op 2 september 1998 ben ik iets na 19.00 uur over de [a-straat] in de richting van de Rijksweg A50 gereden. Net na het viaduct over de [c-straat] zag ik een personenauto op de parallelweg, de [b-straat] , staan. Ik zag dat achter de auto een manspersoon stond. Verder zag ik dat de kofferbak van deze auto geopend was. De man had donker haar en vermoedelijk een snor. Op het moment dat ik de auto passeerde zag ik in de auto nog een tweede persoon. Aan de contouren vermoedde ik dat het hier een manspersoon betrof. Iets zegt mij dat ik deze persoon op de achterbank heb zien zitten.

11. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof op 29 mei 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeverdachte 6] (pag. 4 e.v.):

Ik word ook wel [medeverdachte 6] of [medeverdachte 6] genoemd.

Ongeveer 2 weken voor 2 september 1998 ben ik per auto van Eindhoven naar Arnhem gekomen. [medeverdachte 9] , die toen bij mij in de auto zat, vertelde mij dat hij had gehoord dat er in een bepaald huis veel geld zou zijn.

Er is toen ook een rolverdeling besproken. Ik zou als chauffeur optreden. Twee weken voor 2 september 1998 ben ik bij [medeverdachte 7] geweest. Ik ben toen, met onder anderen [medeverdachte 1] , naar de [a-straat] te Arnhem gereden. [medeverdachte 1] wees daar verschillende mooie huizen aan. Vlak voor 2 september 1998 is dat huis nogmaals afgelegd. [medeverdachte 5] zat toen ook in de auto en wees een huis aan. We zijn toen allemaal uitgestapt om te kijken. [medeverdachte 5] zei toen: "Dat gaat makkelijk, er is geen beveiliging". [medeverdachte 7] was de professionele inbreker die makkelijk sloten kon openbreken. [medeverdachte 1] was meestal de leider van de groep; [aanvrager] en [medeverdachte 9] traden ook wel als zodanig op. Ik zou als chauffeur in de auto blijven. De anderen waren vrienden van elkaar. Ik kon goed rijden. Bovendien konden we met zes personen in mijn Mercedes.

[medeverdachte 9] zou naar de kluis zoeken en [medeverdachte 7] ging mee omdat hij de kluis zou kunnen openen. [betrokkene 1] zou ook mee gaan.

[medeverdachte 2] bestuurde de blauwe VW Golf. [medeverdachte 3] zou ook meegaan. Er was niet besproken waarom [medeverdachte 3] mee ging; hij was er op een bepaald moment.

Op 2 september 1998 reed [aanvrager] met mij in mijn auto mee. Op een gegeven moment had ik een lekke band. [medeverdachte 1] kwam mij helpen en kwam in een busje aanrijden. Bij een Shell pompstation is de band verwisseld. Mijn travelpas was geblokkeerd en ik heb toen mijn telefoon als onderpand gegeven. Mijn telefoon bleef als onderpand achter bij de pomphouder.

Na in cafe [B] in Nijmegen te zijn geweest ben ik met [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] , [aanvrager] en [betrokkene 1] naar het huis van [medeverdachte 1] in Arnhem gereden. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] waren daar ook. Er werd niet gesproken over de plaats waar we heen gingen omdat iedereen dat wist. Bij een tankstation op de Overmaat te Arnhem zijn de Volkswagen Golf en het busje van [medeverdachte 3] vol getankt.

Ik had handschoenen, touw en wapens in de auto. [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8] hadden wapens. In het huis van [medeverdachte 1] was tevoren besproken wie er wapens zouden meenemen. Bij [medeverdachte 1] thuis was ook besproken dat er touw mee moest.

Het was wel min of meer besproken dat [betrokkene 1] zou schieten omdat hij niet goed bij zijn hoofd was. [betrokkene 1] was voor 60% gek verklaard.

[medeverdachte 3] zou de brandkast meenemen. Het was zo dat hij een busje bij zich had.

In de kofferbak van mijn auto lag een blauwe sporttas. Die was van [medeverdachte 9] . In die tas zaten sleutels om auto’s te repareren.

Vanaf de [d-straat] zijn we naar de [a-straat] gereden.

Bij mij in de auto zaten [medeverdachte 8] , [aanvrager] , [medeverdachte 9] en [betrokkene 1] . De anderen, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] , zaten in de Volkswagen die door [medeverdachte 2] bestuurd werd.

De mannen die bij [medeverdachte 2] in de auto zaten stapten uit. De mannen die bij mij in de auto zaten stapten ook uit, met uitzondering van [medeverdachte 8] . [medeverdachte 7] haalde de sporttas uit mijn auto. Ik ben over het vlakbij gelegen viaduct gelopen. Ik zag in de koepeltjes op dat viaduct plafondschilderingen.

Op een gegeven moment kwam er een auto aanrijden waar een vrouw in zat. De vrouw stapte uit de auto en liep om het huis heen. Ik heb gezien dat de vrouw de trap aan de achterzijde van het huis opliep. Toen de vrouw met de auto de oprit op reed ging er een buitenlamp aan de voorzijde van het huis aan. Die lamp heeft een tijdje gebrand.

[medeverdachte 8] zat in mijn auto. Ik ben in de richting van het huis gelopen en hoorde een aantal knallen. Ik rende terug naar mijn auto en wilde weg rijden. [medeverdachte 8] , die in mijn auto zat, zette een pistool tegen mijn hoofd en zei tegen mij: "Wij zijn hier samen gekomen en we gaan ook samen weer weg".

[aanvrager] , [medeverdachte 9] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] kwamen er aan. [aanvrager] , [medeverdachte 9] en [betrokkene 1] gingen bij mij in de auto, de anderen bij [medeverdachte 2] . Ik ben weggereden. We zijn naar het huis van [medeverdachte 1] gereden. Er werd tijdens de rit tegen [betrokkene 1] gezegd dat deze fout niet gemaakt had mogen worden. Er heerste een gespannen sfeer in de auto. Er zat bloed aan de jas van [betrokkene 1] . [medeverdachte 3] reed met zijn busje achter ons.

[medeverdachte 9] zei tegen mij: "Als je je mond opendoet...."

[medeverdachte 7] is door [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] bedreigd omdat hij verkeerde informatie zou hebben gegeven.

Op een slaapkamer in het huis van [medeverdachte 1] is het wapen schoon gemaakt door [aanvrager] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 5] heb ik bij de villa zien lopen.

De personen die hier als verdachten in de zaal zitten hebben een rol gespeeld bij de inbraak.

Bij de overval op 2 september 1998 ben ik als chauffeur opgetreden. Ik was wel vaker chauffeur voor de groep van [aanvrager] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8] . Wij waren als groep samen. Ik reed omdat ik een auto had.

De groep draaide eigenlijk om [medeverdachte 9] .

De kluis die in het huis zou zitten zou door [medeverdachte 3] in zijn bestelbus vervoerd worden.

Op de vraag waarom we met zoveel mensen naar de villa aan de [a-straat] gingen antwoord ik dat dat misschien wel nodig was om iets zwaars uit dat huis te halen.

12. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof op 30 mei 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeverdachte 6] (pag. 9 e.v.):

Ongeveer twee/drie weken voor 2 september 1998 is er begonnen met de voorbereidingen voor de overval. [medeverdachte 7] , [aanvrager] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 1] en ik waren daarbij betrokken. [medeverdachte 1] heeft het huis waar moest worden ingebroken aangewezen. De besprekingen werden gehouden in het huis van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 8] is daar ook bij geweest.

Er is besproken wie er naar binnen zou gaan, wie er wat zou doen en welk huis het betrof. Er is dus een rolverdeling tot stand gekomen.

Via de groep ben ik op de hoogte gekomen van het huis waar moest worden ingebroken. Anderen zijn over het huis begonnen. Er is een aantal malen in de auto over gesproken. Er werd ook een rolverdeling afgesproken; ik zou als chauffeur optreden. De rol van [medeverdachte 5] was volgens mij dat hij het alarm zou uitschakelen.

Later op de avond heb ik [medeverdachte 3] weer gezien bij de woning van [medeverdachte 1] . Wij kwamen toen terug van de plaats van de inbraak. [medeverdachte 3] stond voor het huis van [medeverdachte 1] .

In de ochtend van 2 september 1998 zag ik [medeverdachte 3] in de woning van [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] riep ons samen. Dat was in de middag om ongeveer 18.00 a 18.30 uur. [medeverdachte 3] zat boven.

Ik heb [medeverdachte 3] die dag twee keer in het busje zien rijden.

13. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 31 mei 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [getuige 3] (pag. 22/23):

Ik weet dat op 2 september 1998 [aanvrager] pech had met een auto. Ik was thuis met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vroeg of hij mijn auto mocht lenen. Ik zei tegen [medeverdachte 1] dat hij dan wel benzine moest tanken. Hij kwam terug met die andere auto en al die mensen.

[aanvrager] en mijn zoon [medeverdachte 1] waren op 2 september 1998 rond 18.00/18.30 uur bij mij thuis.

14. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [aanvrager] (pag. 44 e.v.):

Ik ken [medeverdachte 5] . Ik ben een keer met [medeverdachte 9] bij de vriendin van [medeverdachte 5] geweest. Die vrouw had twee honden, waarvan er een drie poten had.

Ik ken [medeverdachte 8] . Ik heb wel eens met [medeverdachte 9] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] in een auto gezeten. Ik zat wel vaker bij [medeverdachte 6] in de auto.

Op 2 september 1998 ging ik met [medeverdachte 6] op weg naar [medeverdachte 1] en we kregen in de buurt van Elst een lekke band. We hebben toen [getuige 3] gebeld en [medeverdachte 1] is komen helpen. Bij een tankstation voor Arnhem is er ook getankt.

15. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeverdachte 6] (pag. 49/50):

Toen [betrokkene 1] terug kwam in de auto nadat hij in de villa was geweest zag ik bloed aan zijn jas. Dat bloed was nog niet opgedroogd.

16. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juni 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeverdachte 1] (pag. 57 e.v.):

Op 2 september 1998 hadden [aanvrager] en [medeverdachte 6] pech met de auto. [aanvrager] belde mij op en ik ben toen met de bestelwagen van mijn vader naar hen toe gegaan. [medeverdachte 6] moest tanken. Hij had geen geld bij zich en de benzinepas deed het niet. [medeverdachte 6] heeft zijn telefoon toen als onderpand gegeven. Later die dag ben ik [medeverdachte 6] tegen gekomen. Het tanken bij [C] was om ongeveer 17.00 uur.

17. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 416 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 9] , hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 12 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 4] :

Ik ben mede-eigenaar van Shell tankstation " [C] ", gevestigd aan [e-straat 1] te Arnhem. U vraagt mij of ik mij iets kan herinneren betreffende het tanken met een tankpas van Travel TC Card die geweigerd werd en waarvoor ik een mobiele telefoon in onderpand kreeg. De man zou gereden hebben in een Mercedes 190 diesel.

Ik kan mij zo’n dergelijk voorval herinneren. Dat is een aantal maanden geleden. Ik kan mij herinneren dat ik zelf aanwezig was. Nu ik er goed over nagedacht heb is dat geweest op mijn trouwdag. Mijn trouwdag is op 2 september. Ik kan mij dat herinneren omdat ik, na het voorval van het tanken waarbij de travelcard weigerde, moest wachten op geld. Ik moest mij daarna haasten. Het was tegen de avond dat dit voorval plaatsvond. Het was zeker nog licht buiten.

Er werd voor een bedrag van f. 130,-- benzine getankt bij pomp 3. Er kwam een Turkse man naar binnen die klein van stuk was. Deze man wilde het tanken betalen met een Travel TC Card, doch deze kaart was geblokkeerd voor het tanken van benzine. In ieder geval weigerde de card. Hij had ook geen contant geld bij zich om te betalen. De man liep naar buiten, waarop ik met hem meeliep. Ik zag dat er een Ford Transit busje bij pomp 3 stond. De man die wilde betalen was met een grijze Mercedes 190d. Ik zag bij het Ford busje twee Turkse mannen die ik vaker bij ons gezien had. De naam moet ik wel weten. U noemt mij de naam [medeverdachte 1] . Dat klopt.

De man met de tankpas wilde weggaan met de Mercedes. Ik accepteerde dat niet, waarop de man mij aanbood om zijn mobiele telefoon achter te laten. Ik heb dat geaccepteerd.

Enkele dagen hierna, na het weekend, kwam de man van de Mercedes terug om zijn mobiele telefoon op te halen en heeft contant afgerekend. Wij hebben in onze administratie gezocht, doch de nota die ik had opgemaakt, is verscheurd nadat er contant betaald werd.

Het enige wat wij kunnen vinden is dat op 2 september 1998 om 17.05 uur is getracht met een tankpas of iets dergelijks te betalen doch dat dat niet lukte en vervolgens is gewist.

18. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeverdachte 5] :

In juni 1998 heb ik [medeverdachte 9] leren kennen. In juni/juli 1998 heb ik wel eens voor hem gereden. [medeverdachte 9] liet anderen het werk doen. Hij was de organisator.

[medeverdachte 8] was een van de uitvoerders van de plannen van [medeverdachte 9] .

Ik ken heel Arnhem; ook de [a-straat] .

[medeverdachte 9] wilde een wapen hebben voor het geval er iemand in het huis waar ingebroken moest worden zou zijn.

19. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeverdachte 8] :

[medeverdachte 6] heb ik in Meppel ontmoet.

[aanvrager] kende ik wel.

Op 13 augustus 1998 waren we met z’n vieren. De auto werd bij een viaduct geparkeerd. Dat was in een grote stad. [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] zijn toen uitgestapt en ze zijn bij een woning geweest.

Over "de groep" rond [medeverdachte 9] kan ik verklaren dat [medeverdachte 9] de planner is van inbraken. De leden van "de groep" hebben altijd wapens bij zich.

20. een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen - als bijlage 620 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , respectievelijk inspecteur en hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 1 juli 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

Op 30 juni 1999 omstreeks 22.30 uur hebben wij een onderzoek ingesteld naar de werking van een buitenlamp, die bevestigd is aan de voorgevel van perceel [a-straat 1] .

Wij zagen dat de lamp met sensor goed en naar behoren functioneerde. Deze buitenlamp werkt vanaf het invallen van de schemering/duisternis. Wij merken op dat [medeverdachte 6] in een van zijn verklaringen heeft gesproken over het feit dat hij, staande bij een hek op een pad aan de achterzijde van de woning (perceel [a-straat 1] te Arnhem) zag, dat een buitenlamp aan de voorzijde van de woning ontstak, nadat een auto de inrit inreed en een vrouw voor de woning liep. Voorts heeft [medeverdachte 6] verklaard dat het daarvoor donker was rond de woning en dat de buitenlamp fel licht straalde.

Ter plaatse bleek inderdaad dat hetgeen [medeverdachte 6] heeft verklaard met betrekking tot zijn waarneming van dit buitenlicht, overeenkomt met de realiteit.

Het is namelijk mogelijk om, staande achter de woning, voor een deel waar te nemen wat er voor de woning gebeurt. De hal van de woning is aan de voor- en achterzijde voorzien van een niet afgedekte heldere glazen wand. Hierdoor is het mogelijk om staande achter de woning door de hal heen voor de woning zaken waar te nemen.

21. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 425 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 13 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 6] :

U vraagt mij in welke auto [medeverdachte 2] reed, toen wij op de 2e september 1998 vanaf de woning van [medeverdachte 1] naar het huis op de [a-straat] reden. Dat was een donker blauwe Volkswagen Golf. Volgens mij bouwjaar 1985 of 1986.

22. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 440 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 15 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 6] :

In de woning van [medeverdachte 1] werd onderling Turks gesproken. Alles wat wij bespraken werd in het Nederlands door [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 7] verteld. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] letterlijk wat in het Turks besproken werd in het Nederlands vertaalde aan [medeverdachte 7] . [medeverdachte 7] was van alles goed op de hoogte. [medeverdachte 1] voerde het woord. [medeverdachte 1] bepaalde en zei dat Husyien bij mij moest blijven. De taak van [aanvrager] was dat als er iemand het huis binnen zou komen, dat hij die iemand moest vastbinden. [medeverdachte 9] moest van [medeverdachte 1] meedoen aan deze inbraak omdat hij ervaring had met inbreken. Voor de 2e september 1998 zijn 1 of meerdere besprekingen geweest over deze inbraak. Iedereen was hierbij aanwezig met uitzondering van [betrokkene 1] . [medeverdachte 7] moest van [medeverdachte 1] meedoen aan deze inbraak, omdat hij ervaring had om in te breken en deuren open te maken.

[betrokkene 1] moest van [medeverdachte 1] meedoen aan deze inbraak, omdat [betrokkene 1] een verklaring had van een psychiater uit Duitsland, dat [betrokkene 1] geestelijk niet in orde was. Dit was het idee van [medeverdachte 1] en [aanvrager] . Ik had dit al bij eerdere besprekingen gehoord en ook op de 2e september 1998. Ik hoorde dat [aanvrager] zei, dat als er in het huis geschoten moest worden, [betrokkene 1] dat moest doen. [betrokkene 1] moest dat doen omdat hij in het bezit was van een rapport van een psychiater en daardoor een kortere straf zou krijgen. [betrokkene 1] zou niet alleen een pistool, maar als dat nodig zou zijn ook een mes moeten gebruiken. Dat was allemaal afgesproken.

[medeverdachte 2] kreeg als opdracht van [medeverdachte 1] om buiten in de auto te wachten.

23. een geschrift, zijnde een fotocopie van ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 451 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 16 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 6] :

Toen wij in de woning waren van [medeverdachte 1] op de [f-straat] te Arnhem, kwam daar ook een vriend van mij, [medeverdachte 3] . Hij woont in Amsterdam. [medeverdachte 3] kwam bij [medeverdachte 1] op de 2e september 1998 met een Volkswagen Transporter. Dit busje was wit van kleur. Toen wij wegreden bij [medeverdachte 1] was [medeverdachte 3] de bestuurder van het busje. Ik reed met mijn Mercedes en [medeverdachte 2] reed in de Volkswagen Golf. Wij waren toen op weg naar het huis waar de inbraak zou worden gepleegd.

[medeverdachte 3] was op de hoogte met wat er zou gaan gebeuren die avond omdat [medeverdachte 1] hem het verhaal had verteld dat er een inbraak gepleegd zou worden. Ik hoorde van [medeverdachte 1] dat het busje bestemd was om de brandkast te gaan vervoeren. Ik hoorde van [medeverdachte 9] dat de brandkast naar een adres moest waar [medeverdachte 5] verbleef.

Ik zag dat [medeverdachte 3] met zijn busje achter mij aan reed.

24. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 472 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 15 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 6] :

Naar ik mij kan herinneren waren wij bij [medeverdachte 7] op de [a-straat] te Arnhem ongeveer twee weken voor de 2e september 1998. [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] , [aanvrager] en ik stapten in mijn auto. Wij reden in de richting van Apeldoorn.

Wij reden in de richting van het huis waar later ingebroken werd. Toen wij weer langs het huis kwamen zei [medeverdachte 1] weer: “Daar moest ingebroken worden”. Ik zag dat [medeverdachte 1] het huis bedoelde waar later daadwerkelijk ingebroken werd.

25. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 488 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 28 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 6] :

Ik hoorde van [medeverdachte 1] , toen hij en de anderen in het huis waren en aan het zoeken waren op de benedenverdieping van dat huis, dat de vrouw die in het huis verbleef naar beneden kwam lopen. Ik hoorde ook van [medeverdachte 1] dat [betrokkene 1] toen direct zijn pistool pakte en daarmee de vrouw bedreigde. Ik hoorde van [medeverdachte 1] en [aanvrager] , in ieder geval hoorde ik het zeer zeker van [medeverdachte 1] , dat toen de vrouw was doodgeschoten van haar pols een armband werd afgenomen door [betrokkene 1] . Verder hoorde ik van [medeverdachte 1] dat er wat geld en andere dingen zijn weggenomen. Ik hoorde later in de woning van [medeverdachte 1] dat er nog een vrouw was neergeschoten.

Toen [betrokkene 1] in de auto stapte na de inbraak op de [a-straat] zag ik vers bloed op de jas zitten. Ik zag dat het bloed nog vochtig was.

In de woning van [medeverdachte 1] , na de inbraak op de [a-straat] te Arnhem, kreeg [medeverdachte 1] ruzie met [betrokkene 1] . [medeverdachte 1] verweet [betrokkene 1] dat hij de vrouw had neergeschoten.

26. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 489 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 28 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 6] :

Toen ik in cafe [B] te Nijmegen was, hoorde ik in een gesprek tussen [medeverdachte 1] , [aanvrager] en [medeverdachte 9] dat [betrokkene 1] , toen hij de vrouwen had beschoten, een portemonnee uit een tas van een van de vrouwen heeft gehaald en meegenomen. Deze portemonnee was van de vrouw die later het huis in kwam.

27. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 520 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 20 mei 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 6] :

Ik parkeerde mijn auto op de avond van de 2e september 1998, op het moment dat de inbraak in het huis werd gepleegd, op de parallelweg langs de [a-straat] te Arnhem. Toen ik daar uit mijn auto, de Mercedes, stapte, opende ik de kofferbak van de auto. Toen ik om de auto liep en de kofferbak opende, zat [medeverdachte 8] nog op de achterbank van mijn auto.

28. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 357 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 12] en [verbalisant 7] , beiden hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 30 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 2] :

[medeverdachte 9] zei dat hij een huis wist aan de [a-straat] waar veel geld en ook “mal” was. Mal is het Turkse woord voor verdovende middelen. [medeverdachte 9] heeft tegen mij gezegd dat het om een huis aan de [a-straat] ging. [medeverdachte 9] zei dat hij wilde gaan inbreken.

29. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 385 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 16 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 2] :

[medeverdachte 8] liep ook altijd met wapens rond. [medeverdachte 8] heet eigenlijk [medeverdachte 8] .

[medeverdachte 3] woont in Amsterdam. Hij is iemand die zich bazig kan gedragen. Ook door [medeverdachte 9] wordt [medeverdachte 3] met respect behandeld.

Mijn broer [medeverdachte 1] kent [medeverdachte 3] goed.

30. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 499 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 12] voornoemd en [verbalisant 8] , hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 4 mei 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 2] :

Bij het huis van [medeverdachte 1] , voor de ingang van de flat, zag ik een aantal mensen staan. Ik zag dat [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] met het lange haar, kale [aanvrager] , [medeverdachte 6] , [betrokkene 1] uit Duitsland, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en mijn broer [medeverdachte 1] daar stonden.

De auto van [medeverdachte 3] was een busje.

Ik zag dat [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , kale [aanvrager] en [betrokkene 1] naar de Mercedes van [medeverdachte 6] liepen. Ik ben met [medeverdachte 1] meegelopen naar een Volkswagen Golf. Ik kreeg de sleutels van de auto van [medeverdachte 1] . Ik ging achter het stuur zitten. [medeverdachte 1] ging op de passagiersstoel zitten en [medeverdachte 7] ging achter in de auto zitten. [medeverdachte 1] zei dat de inbraak met z’n allen gepleegd zou worden en zei dat ik in de richting van de [a-straat] moest rijden. [medeverdachte 1] zei dat ik buiten kon wachten tot zij terug zouden komen. Ik reed naar de [a-straat] . Toen we op die weg reden zei [medeverdachte 1] tegen mij dat ik moest stoppen. Ik zag dat de Mercedes van [medeverdachte 6] in de richting van Apeldoorn, aan de rechterzijde van de weg stond.

Nadat ik gestopt was zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] uit de auto gestapt. Nadat [medeverdachte 7] was uitgestapt, pakte hij uit de kofferbak van de auto een tas.

Ik zag dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] terug kwamen lopen. Ik zag dat ze snel liepen.

Ik zag dat [medeverdachte 7] de tas weer bij zich droeg. [medeverdachte 7] ging weer achterin zitten. [medeverdachte 1] ging weer naast mij zitten. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei: “ [betrokkene 1] heeft een wijf doodgeschoten”.

Vanaf de [a-straat] ben ik weer naar de woning van [medeverdachte 1] gereden. Na ongeveer 2 minuten vertrok ik uit de woning. Toen ik wegging was [medeverdachte 7] nog in de woning van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 9] en kale [aanvrager] kwamen mij achterop en zeiden dat ik hen ergens naar toe moest rijden. Ze zeiden dat ze naar een vrouw wilden gaan. Ik stuurde de auto naar een woning, op aanwijzing van [medeverdachte 9] . We zijn daar uitgestapt en de woning van die vrouw binnengegaan. De vrouw heeft twee honden, waarvan er een maar drie poten heeft. In die woning was [medeverdachte 5] aanwezig. [medeverdachte 9] heeft met [medeverdachte 5] staan praten.

Ik heb [medeverdachte 3] of zijn auto niet gezien in de nabijheid van de woning waar ingebroken werd. Later die avond, vroeg ik [medeverdachte 9] waarom [medeverdachte 3] er ook bij was. [medeverdachte 9] zei toen dat dat was voor het geval er iets zwaars uit de woning meegenomen moest worden.

31. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 478 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 6 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeverdachte 2] :

Waarschijnlijk was het wel de bedoeling dat de buit van de inbraak naar [medeverdachte 5] gebracht zou worden, want we zijn na de inbraak naar de woning van [getuige 5] , waar [medeverdachte 5] ook was, gegaan.

Toen we bij [getuige 5] waren geweest, die avond van de 2e september 1998, heb ik aan [medeverdachte 9] gevraagd waarom wij naar [medeverdachte 5] toe moesten. Ik hoorde dat [medeverdachte 9] tegen mij zei: “Wat wij uit dat huis gehaald zouden hebben, moesten we naar [medeverdachte 5] brengen”.

Toen we bij de woning van [medeverdachte 1] weggingen, zag ik [medeverdachte 5] uit de woning van [medeverdachte 1] komen. Ik zag dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] naar het busje liepen. Ik heb gezien dat [medeverdachte 5] in het busje stapte.

U vraagt mij wat er uit de villa gestolen zou worden. Ik weet alleen dat het “mal” zou moeten zijn. Met mal bedoel ik cocaine. Er werd ook gesproken over “para”, dat betekent geld.

32. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 404 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 11 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 1] :

[medeverdachte 9] heeft tegen mij gezegd dat hij een huis wist waar veel geld was te halen. Ik zat toen in de auto. In de auto zaten [aanvrager] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] met lange haren, [medeverdachte 9] en ik. Het gesprek ging over een paar miljoen. Ik was nieuwsgierig, dat trok mij wel aan. Daarna begonnen ze over een huis. [medeverdachte 9] zei een groot beveiligd huis. [medeverdachte 9] zei dat hij met wapens zou gaan, we zouden de mensen gijzelen. In het gesprek legde [medeverdachte 9] uit welk huis hij bedoelde. Hij bedoelde een groot huis met beveiliging. [medeverdachte 9] had het over een kluis.

Ik ging een periode om met de groep van [medeverdachte 9] , kale [aanvrager] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] . In die tijd ging ik ook om met [medeverdachte 7] .

33. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 415 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] voornoemd, gesloten en getekend op 11 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 1] :

U vraagt mij naar het voorval dat [medeverdachte 6] met pech langs de weg stond. Ik kan mij dat herinneren. Er is toen naar mijn ouders gebeld. Ik ben gegaan. Kale [aanvrager] was bij [medeverdachte 6] . Ik heb de band verwisseld. Ik ben naar een Shell tankstation in Arnhem Zuid gereden. [medeverdachte 6] reed achter mij aan.

34. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 410 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 6] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 11 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [aanvrager] :

Ik weet dat [medeverdachte 6] eigenaar is van een Mercedes. U vraagt mij of ik wel eens bij [medeverdachte 6] in de auto, de Mercedes, heb gezeten toen hij een lekke band kreeg. Ja, dat is wel een keer voorgekomen. Toen wij op weg naar Arnhem waren knapte de band. Ik heb toen naar de vader van [medeverdachte 1] gebeld. Ik kreeg [medeverdachte 1] aan de telefoon. Ik heb hem hulp gevraagd. [medeverdachte 1] kwam om ons hulp te bieden. [medeverdachte 1] verwisselde het wiel van de auto. U vertelt mij dat dit voorval op 2 september 1998 plaats vond.

U vraagt mij of ik mij kan herinneren of ik op de avond van het voorval van de lekke band met [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] en [betrokkene 1] met de auto van [medeverdachte 6] , de Mercedes, vanuit koffiehuis [B] te Nijmegen naar de woning van [medeverdachte 1] ben gereden. Het klopt inderdaad dat wij naar de woning van [medeverdachte 1] zijn gereden. Ik ken [medeverdachte 7] .

35. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 286 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 9 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 9] :

Ik ga elke dag om met [aanvrager] en [medeverdachte 2] . Ik ken de broer van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] genaamd. [aanvrager] en [medeverdachte 2] zeiden tegen mij dat ze wisten dat [medeverdachte 8] iets met de moord op de [a-straat] te maken had. Er werd ook gezegd dat een of twee jongens uit Amsterdam met die moord te maken hadden. Ik kende al een [medeverdachte 8] . Het werd mij duidelijk dat zij [medeverdachte 8] bedoelden die eigenlijk [medeverdachte 8] heet. Ik zei tegen [medeverdachte 2] en [aanvrager] dat ik gehoord had dat [medeverdachte 1] er iets mee te maken had.

[medeverdachte 6] ken ik via [aanvrager] .

Ik hoorde van [medeverdachte 7] dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] elkaar kennen.

[medeverdachte 7] heb ik via [medeverdachte 1] leren kennen.

[medeverdachte 5] ken ik al jaren. De achternaam van [medeverdachte 5] is [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] kwam wel eens bij een vrouwtje. Die vrouw had twee honden. Ze heet [getuige 5] .

39. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 312 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 16 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 8] :

Ik ken een [medeverdachte 1] . De [medeverdachte 1] die ik ken is een broer van [medeverdachte 2] . Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] heb ik leren kennen via [medeverdachte 9] . Ik heb een keer samen met [medeverdachte 1] in een auto gezeten. Daar waren ook [medeverdachte 9] , [aanvrager] .

Ik heb wel eens bij [medeverdachte 6] in de auto gezeten. De auto van [medeverdachte 6] is een Mercedes. [medeverdachte 3] is een hele goede vriend van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] en [aanvrager] . [medeverdachte 3] verblijft in Amsterdam.

[medeverdachte 9] heeft vaak een wapen.

40. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 481 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 27 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 5] :

Ik kan mij herinneren dat ik in de maanden juli of augustus 1998 met [medeverdachte 9] gesproken heb over het omzeilen van een alarmbeveiliging en over hoe je een kluis zou kunnen openen.

Ik zei [medeverdachte 9] toen dat ik een kluis los zou krijgen.

41. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 326 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 18 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 5] :

Op de avond van 2 september 1998 was ik in de woning van [getuige 5] te Arnhem. De mij bekende [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] kwamen in de woning van [getuige 5] . Naar mijn weten was er nog een derde persoon bij, dat was de kale Turk, genaamd [aanvrager] .

Ik hoorde dat [medeverdachte 2] zei: “In dat vrijstaande huis was geen geld te krijgen.”

42. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 328 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 20 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 5] :

[medeverdachte 9] gaat meestal zelf mee om iets te plegen. Er doen er dan nog wel meer mee, zoals [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , ik en de kale [aanvrager] . Ik spreek dan over de periode juni, juli, augustus en september. [medeverdachte 9] heeft dan meestal het idee wat er gedaan moest worden.

Van mij heeft hij de kennis nodig om in te breken. Vaak gaat het om de positie van het huis, ik bedoel de ligging, danwel ligt het uit het zicht. Zijn er buren. Zijn de mensen thuis, ligt er daadwerkelijk geld enz. Is het mogelijk om er bijvoorbeeld aan de achterzijde bij te komen. [medeverdachte 9] zei dan ook wel dat er een wapen meegenomen moest worden. Mocht er iemand aangetroffen worden in de woning dan zei [medeverdachte 9] ... (Opmerking verbalisanten: [medeverdachte 5] maakt een beweging met zijn hand alsof hij een vuurwapen afdrukt)

43. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 335 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 18] , inspecteur van politie en de verbalisant [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 22 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 5] :

Ik wil toevoegen dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] , voordat ze iets wilden gaan doen, ik bedoel daarmee observeren en inbreken, daarvoor enkele weken de tijd namen.

44. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 487 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] voornoemd, gesloten en getekend op 27 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven -:

als relaas van verbalisanten:

Wij toonden [medeverdachte 5] een foto met daarop afgebeeld [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

als verklaring van [medeverdachte 5] :

De persoon op de foto die u mij toont ken ik. Ik zag hem in de woning van [getuige 5] . Dat was op de avond toen [medeverdachte 9] , [aanvrager] en [medeverdachte 2] daar binnenkwamen. [medeverdachte 9] , [aanvrager] , [medeverdachte 2] en de persoon op de foto zijn daar kort gebleven.

45. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 407 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 09-006422 - opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 14] , beiden hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 11 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 7] :

In de periode van begin augustus 1998 tot en met eind november 1998 heb ik omgang gehad met [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] , [aanvrager] en [medeverdachte 1] . Ik was een beetje chauffeur voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] . Door [medeverdachte 1] ben ik in contact gekomen met [medeverdachte 9] en zijn vrienden. Ik weet dat [medeverdachte 9] met zijn achternaam [medeverdachte 9] heet. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heten met hun achternaam […] .

46. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 408 gevoegd bij proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] voornoemd, gesloten en getekend op 11 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 7] :

Ik heb wel eens gezien dat [medeverdachte 1] een oude verroeste revolver bij zich had. Ook [medeverdachte 9] had een wapen. Het was een groot wapen.

49. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 453 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] voornoemd, gesloten en getekend op 19 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 7] :

U vraagt mij wie ik op 2 september 1998 gezien heb. Ik heb gezien [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] , [aanvrager] en vermoedelijk [medeverdachte 6] en de vriend van [medeverdachte 6] , die “pief” uit Amsterdam.

50. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juni 2000, voorzover inhoudend als verklaring van de getuige [verbalisant 18] :

Het is mij bekend dat er plafondschilderingen in de koepeltjes op het viaduct waren.

51. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 31 oktober 2000, voorzover inhoudend als verklaring van de getuige [verbalisant 4] :

Met betrekking tot het verhaal van [medeverdachte 6] over de beschilderde koepeltjes moet ik zeggen dat hij daar daadwerkelijk gelopen moet hebben, anders had hij dat niet kunnen zien.”

2.3

Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“1. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de in deze strafzaak afgelegde verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Dit algemene verweer vergt nader onderzoek op verschillende onderdelen.

1.1

Betwist is dat verdachten hun verklaringen in vrijheid hebben afgelegd. De uitgeoefende druk zou in de weg staan aan de betrouwbaarheid van het door verdachten verklaarde.

Het hof heeft waargenomen dat het verzoek om medische hulp niet (direct) is gehonoreerd en dat verdachten soms langdurig zijn verhoord. Voorts is op een bepaald moment door een verbalisant aan een verdachte gevraagd of men bij elke leugen een vinger mocht afhakken. Tijdens meerdere verhoren hebben verbalisanten op verschillende momenten met stemverheffing gesproken, met de hand op tafel geslagen, zijn zij dicht bij de verdachte gaan zitten of staan en is een verdachte benaderd door een arm om hem heen te leggen. Tenslotte staat vast dat tijdens één verhoor door een verbalisant is gezegd dat de politie ervoor kan zorgen dat de verdachte twintig jaren krijgt opgelegd alsmede dat het mogelijk is om verdachtes gezichtsprofiel te laten passen in de in het dossier aanwezige compositietekening.

Het hof is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden niet structureel hebben plaatsgevonden. Het geringe aantal momenten dat van een zekere druk sprake was weegt niet op tegen de grote hoeveelheid uren die de verdachten zijn verhoord. Het hof merkt de incidentele uitlatingen, waaraan de verdediging refereert, niet aan als ernstig maar plaatst deze in de context van het gebruikelijke verhoor in een zware strafzaak op grond waarvan een zekere verbale en non-verbale druk toelaatbaar is en gericht op het verkrijgen van een in vrijheid afgelegde verklaring. Van de politieverhoren kan niet worden gezegd dat er een ontoelaatbare druk op verdachten uitging die hun verklaringsvrijheid op onaanvaardbare wijze heeft geschonden.

Kennisgenomen hebbend van vele - audio-visueel vastgelegde - politieverhoren stelt het hof vast dat de verhoren veeleer worden gekenmerkt door een rustig verloop van het gesprek en bijbehorende opstelling van verbalisanten en verdachten dan door een intimiderende en bedreigende gang van zaken. Het hof is voorts van oordeel dat het - al dan niet tijdelijk - weigeren van medische zorg gelegen is in de pleitbare inschatting van verbalisanten dat nog geen directe zorg was geboden danwel dat medische zorg aanstaande was. Voormelde uitlatingen van verbalisanten die betrekking hebben op het ervoor zorgen dat de verdachte twintig jaren krijgt opgelegd en dat diens profiel kan worden ingepast in de compositietekening zijn naar het oordeel van het hof wellicht minder professioneel maar zijn binnen de context van de andere verhoormomenten als incidenteel en niet onrechtmatig aan te merken. Voorts staat de lengte van de verhoren niet in de weg aan het oordeel dat zorgvuldig is verhoord nu de verhoren veelvuldig zijn onderbroken en de onderbrekingen veelal gepaard gingen met het nuttigen van voedsel.

1.2

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat het opsporingsteam bepaalde verhoormethoden zou hebben gebezigd die een behoorlijk opsporingsonderzoek onmogelijk hebben gemaakt. Aan de onder 1 weergegeven feiten en omstandigheden zou een structurele verhooraanpak met bijbehorende verhoormethodieken kunnen worden afgelezen.

Het hof heeft uit de verklaringen van verhorende verbalisanten, afgelegd als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede uit het strafdossier niet anders afgeleid dan dat het opsporingsteam in deze strafzaak op structurele basis de voortgang in het onderzoek heeft besproken waarbij de verhorende verbalisanten zich onderling met een zekere regelmaat hebben verstaan over de achterliggende en komende verhoren. Het hof is niet gebleken dat de onder 1 gememoreerde feiten en omstandigheden waren ingebed in een planning binnen het opsporingsteam. Ook in dit verband diskwalificeert de gang van zaken rond en tijdens de politieverhoren noch de betrouwbaarheid van de door verdachte(n) afgelegde verklaringen noch de verklaringsvrijheid van verdachte(n).

1.3

De verdediging heeft aangevoerd dat tijdens verschillende (delen van) verhoren de politie aan verdachte de bijstand van een tolk bewust heeft onthouden danwel dat bij - niet geplande - afwezigheid van een tolk het verhoor toch is voortgezet, ondanks het (herhaalde) verzoek van verdachten om het verhoor later voort te zetten in aanwezigheid van een tolk. Een en ander zou een dermate ernstige inbreuk op de verklaringsvrijheid van verdachte hebben meegebracht dat op die momenten geen sprake was van een zorgvuldige waarheidsvinding.

Tijdens de zitting in hoger beroep van 14 juni 2000 heeft de getuige [verbalisant 18] verklaard dat in het vijfde verhoor van [medeverdachte 6] de tolk om tactische redenen is weggehaald. [medeverdachte 6] zou zich achter de tolk hebben verscholen en zich aldus bedenktijd hebben verschaft alvorens vragen te beantwoorden. Deze beslissing stoelde op de gedachte dat het verhoor zonder tolk beter zou verlopen.

Het hof is van oordeel dat het primair aan de verbalisanten is voorbehouden om te bepalen of een verdachte een tolk nodig heeft. Indien uit de zonder tolk afgelegde verklaringen blijkt dat de verdachte de verhorende politieambtenaren lijkt te begrijpen kan slechts bij voorlezing van het op schrift gestelde verhoor blijken of de verdachte heeft verklaard overeenkomstig hetgeen hij wilde verklaren. In die gevallen dat een (gedeelte van een) verhoor zonder bijstand van een tolk plaatsvond is bij voorlezing van de verklaringen gebruik gemaakt van een tolk zodat verdachte(n) op die momenten in staat was (waren) om zijn (hun) verklaringen bij te stellen. Van die (behoefte aan) bijstelling is het hof overigens niet gebleken.

Waar specifiek is gerefereerd aan het vijfde verhoor van [medeverdachte 6] stelt het hof vast dat [medeverdachte 6] als getuige ter zitting heeft verklaard dat hij geen moeite had met de wijze van verhoren door de politie. Voorts is het hof gebleken dat [medeverdachte 6] de Nederlandse taal voldoende machtig is, zodat hij door de gewraakte gang van zaken minder in zijn rechten is geschonden dan door de verdediging is betoogd. Bovenal is het hof van oordeel dat de gewraakte opmerking van de getuige [verbalisant 18] louter betrokken kan worden op het verhoor van [medeverdachte 6] , hetgeen de kwaliteit van de verhoren van andere verdachten niet regardeert.

Voorgaande verweren, in onderlinge samenhang beschouwd, worden verworpen. Niet aannemelijk is geworden dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen onder rechtens ontoelaatbare druk zijn afgelegd.

1.4

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van met name de verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] betwist. De betrouwbaarheid van de persoon van [medeverdachte 6] is ernstig in twijfel getrokken terwijl van [medeverdachte 2] is gesteld dat deze een zwakke persoonlijkheid bezit. De leugenachtigheid van [medeverdachte 6] zou het waarheidsgehalte van zijn verklaringen sterk verminderen, hetgeen zou moeten blijken uit de vele innerlijke tegenstrijdigheden in de door hem afgelegde verklaringen. [medeverdachte 2] daarentegen zou door zijn persoonlijkheidsstructuur (gedeeltelijke) bekentenissen hebben afgelegd die niet stroken met de waarheid.

Het hof stelt vast dat de verdediging tijdens de zittingen in hoger beroep in ruime mate in de gelegenheid is geweest om de verklaringen van met name [medeverdachte 6] adequaat aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. De verdediging heeft [medeverdachte 6] indringend kunnen bevragen en van die mogelijkheid is overvloedig gebruik gemaakt.

De verklaringen die [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] hebben afgelegd zijn innerlijk consistent gebleken. Daarbij heeft [medeverdachte 6] ter terechtzitting in hoger beroep toegegeven dat hij - toen hij zichzelf nog wilde ontlasten - meermalen tegen de politie onwaarheden heeft verteld. In de latere verhoren zou hij verklaringen hebben bijgesteld en aangevuld, waardoor uiteindelijk een waarheidsgetrouw beeld van de gebeurtenissen op 2 september 1998 zou zijn ontstaan. Niet alle discrepanties in zijn verhoren kunnen door deze uitleg worden verklaard. Niettemin acht het hof deze gang van zaken voldoende betrouwbaar; mede door tijdsverloop kunnen bepaalde herinneringen inaccuraat zijn. Immers, verdachten zijn ongeveer een half jaar na het delict aangehouden. Dat gegeven staat evenwel niet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in de weg. Het hof wijst er bovendien op dat [medeverdachte 6] zich door zijn eigen verklaringen ernstig heeft belast, hetgeen het betrouwbaarheidsgehalte van zijn verklaringen ten goede komt.

Het hof oordeelt de verklaringen van [medeverdachte 6] als betrouwbaar en dientengevolge bruikbaar voor het bewijs aangezien ze op meerdere punten bevestigd worden door de verklaringen van [medeverdachte 2] . Deze verklaart gedetailleerd over zijn rol en die van andere verdachten. Als motief voor zijn bekennende verklaring voert [medeverdachte 2] zijn hoop op strafvermindering aan, hetgeen een betrouwbare uitleg vormt voor zijn bekentenissen. Als overeenkomst met de verklaringen van [medeverdachte 6] wijst het hof op de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij op 2 september 1998 in een donkerblauwe Golf reed. [medeverdachte 2] heeft verschillende van de verdachten aangewezen als zijnde degenen die bij de voorbereiding en uitvoering van de overval op 2 september 1998 betrokken waren. Hij heeft gedetailleerd verklaard over de personen die zijn meegegaan naar de [a-straat 1] alsmede over degenen die in of bij de auto’s zijn blijven wachten en over de personen die in de richting van het huis zijn gelopen. Voorts heeft hij informatie verschaft over de plaats waar de betrokken voertuigen geparkeerd waren. Deze daderinformatie spoort in hoge mate met de informatie uit de bekennende verklaringen van [medeverdachte 6] .

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] zeer gedetailleerd en bevatten concrete redenen van wetenschap die bovendien steun vinden in verklaringen van anderen danwel in ander bewijsmateriaal.

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij op 2 september 1998 met pech aan zijn auto langs de kant van de weg kwam te staan, waarna [medeverdachte 1] door [medeverdachte 6] is gebeld die vervolgens met de auto van zijn vader [medeverdachte 6] is komen helpen. Nadat beide voertuigen weer verder reden is benzine getankt bij een tankstation. De betaling van de benzine met behulp van de tankpas van [medeverdachte 6] was niet succesvol aangezien de pas van [medeverdachte 6] was geblokkeerd. Daarna heeft [medeverdachte 6] zijn mobiele telefoon bij het tankstation als onderpand achtergelaten. Voor deze verklaring van [medeverdachte 6] is steun te vinden in de verklaringen van [medeverdachte 1] , diens vader en [aanvrager] alsmede in de informatie van de op 2 september 1998 bij het tankstation werkzame [getuige 4] .

De verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] dat een deel van de verdachten in de blauwe Golf bij de woning arriveerden waarin is ingebroken, wordt gestaafd door de waarneming van de getuige [getuige 1] die op 2 september 1998 tussen 19.30 uur en 19.45 uur heeft gezien dat een donkerblauwe of mogelijk zwarte Golf, oud model, de oprit van het pand [a-straat 1] opreed.

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij na het parkeren van zijn Mercedes aan de [a-straat 1] de kofferbak heeft opengemaakt. Deze verklaring vindt steun in de getuigenverklaring van [getuige 2] die een man bij een openstaande kofferbak van een Mercedes heeft zien staan.

[medeverdachte 6] heeft voorts verklaard dat de voorzijde van het huis van de familie […] bij schemer of duisternis verlicht werd door een lamp die werd aangeschakeld door middel van een sensor. De sensor zou reageren na detectie van bewegingen. [medeverdachte 6] verklaart deze waarneming te hebben gedaan vanachter het huis en vanuit deze positie te hebben gezien dat op 2 september 1998 een vrouw het huis aan de voorzijde naderde waarna de lamp aanging. Deze waarnemingen van de werking van de buitenlamp zijn bevestigd door het politieonderzoek waaruit bovendien naar voren kwam dat het mogelijk is vanaf de achterzijde van het huis waar te nemen wat aan de voorzijde van het huis gebeurt doordat de hal van de woning zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde is voorzien van niet afgedekt helder glas.

Het hof stelt verder vast dat [medeverdachte 6] een beschrijving geeft van de plafondschilderingen van de koepels aan het viaduct over de [c-straat] . Deze informatie van de situatie ter plaatse is niet algemeen bekend en staaft op een ander onderdeel de verklaringen van [medeverdachte 6] .

[medeverdachte 2] verklaart dat hij na de inbraak aan de [a-straat 1] met [medeverdachte 9] en [aanvrager] naar het huis van [getuige 5] (die hij overigens niet kende) is gereden en daar verdachte [medeverdachte 5] zag. Deze lezing van de feiten vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 5] die vertelt dat hij op 2 september 1998 in de woning van [getuige 5] was en daar [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] en [aanvrager] zag en hij [medeverdachte 2] hoorde zeggen: "In dat vrijstaande huis was geen geld te halen".”

3 Procesverloop

3.1

De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, is onherroepelijk geworden als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2002, waarin het tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem gerichte cassatieberoep is verworpen (HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8899).

3.2

De gewezen medeverdachten [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben de procureur-generaal het verzoek gedaan op grond van artikel 461 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. Voor zover voor de beoordeling van de aanvraag van belang houdt het procesverloop met betrekking tot deze verzoeken het volgende in.

(i) Naar aanleiding van de verzoeken tot nader onderzoek heeft advocaat-generaal E.J. Hofstee op grond van artikel 462 lid 1 Sv de Adviescommissie afgesloten strafzaken (hierna: de ACAS) gevraagd om te adviseren over de wenselijkheid van het instellen van nader onderzoek. Op 20 december 2016 heeft de ACAS een tussenadvies uitgebracht. Dit tussenadvies houdt onder meer in dat de ACAS het wenselijk acht dat de in deze zaak veroordeelde personen, onder wie ook de aanvrager tot herziening, alsmede [betrokkene 1] nader worden gehoord over de in het kader van de strafzaak afgelegde verklaringen.

(ii) De advocaat-generaal heeft het nader horen van de in het tussenadvies van de ACAS genoemde personen opgedragen aan de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Holland. Dit heeft geresulteerd in – tegenover de rechter-commissaris afgelegde – verklaringen van de gewezen medeverdachten [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] , alsmede van [betrokkene 1] .

(iii) Op 8 juni 2018 heeft de ACAS een eindadvies uitgebracht over de wenselijkheid van het instellen van nader onderzoek als bedoeld in artikel 461 lid 1 Sv. Over de resultaten van het door de advocaat-generaal aan de rechter-commissaris opgedragen onderzoek houdt dit eindadvies het volgende in:

“[D]oor de rechter-commissaris [zijn] [medeverdachte 2] (op 13 juli 2017), [medeverdachte 9] (op 27 november 2017), [medeverdachte 1] (op 30 november 2017), [medeverdachte 5] (op 20 december 2017) en [betrokkene 1] (op 22 februari 2018) gehoord. De advocaten van de verzoekers zijn voor deze verhoren uitgenodigd en waren bij de verhoren aanwezig. [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] konden niet worden gehoord, omdat hun verblijfplaats niet kon worden getraceerd. [medeverdachte 6] , die in Duitsland woonachtig is, heeft via zijn Duitse advocaat laten weten dat hij geen nadere verklaring wilde afleggen. Aan [aanvrager] , die in Turkije woonachtig is, is via zijn (Nederlandse) advocaat de gelegenheid geboden de Commissie schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken. De Commissie heeft dat schriftelijke standpunt van [aanvrager] tot op heden niet ontvangen.

De Commissie vat de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen als volgt samen.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde delict. Hij heeft voorts verklaard dat de door hem afgelegde verklaringen onder druk van de politie tot stand zijn gekomen en dat de verbalisanten hem de in zijn verklaringen opgenomen uitspraken tijdens de verhoren hebben aangereikt.

[medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde delict. Hij heeft voorts verklaard nadien van [medeverdachte 2] te hebben gehoord dat diens verklaringen onder druk van de politie zijn afgelegd. Volgens [medeverdachte 9] had hij in de periode waarin het bewezen verklaarde delict plaatsvond grote problemen met [medeverdachte 1] en [aanvrager] , omdat zij veronderstelden dat [medeverdachte 9] hen in een andere zaak had verraden en dat zij daardoor in die zaak in Duitsland waren veroordeeld.

Dat laatste aspect komt terug in de verklaring van [medeverdachte 1] . Ook hij heeft verklaard over de druk die tijdens de verhoren in het kader van de strafzaak door opsporingsambtenaren werd uitgeoefend. [medeverdachte 1] heeft voorts opgemerkt dat [medeverdachte 9] en een andere (Turkse) man indertijd wel hebben gesproken over een wit huis of een witte villa, maar dat de politie daarvan heeft gemaakt dat dit gesprek betrekking had op de villa waarin op 2 september 1998 een gewelddadige overval plaatsvond.

Ook [medeverdachte 5] heeft verklaard onschuldig te zijn en dat hij door de politie is gedwongen te verklaren. Hij heeft verklaard na juli 1998 geen contact meer te hebben gehad met [medeverdachte 9] , in verband met een hoog oplopende ruzie tussen hen. Volgens [medeverdachte 5] is zijn in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring dat hij in de avonduren van 2 september 1998 bij de getuige [getuige 5] was hem door de verhorende opsporingsambtenaren opgedrongen. De door hem in een verklaring benoemde uitspraak van [medeverdachte 2] - dat er in die woning niets viel te halen - zou betrekking hebben gehad op een woning in Nijmegen waar hij ( [medeverdachte 5] ), met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] , enkele maanden voor september 1998 was geweest. Het zou, aldus [medeverdachte 5] , de politie zijn geweest die deze uitspraak heeft betrokken op de gewelddadige overval op 2 september 1998.

Ook [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de gewelddadige overval waarbij [slachtoffer 1] is doodgeschoten. Hij heeft opgemerkt dat hij op de desbetreffende avond in Duitsland was, op verjaardagsvisite.”

Het eindadvies van de ACAS houdt daarnaast onder meer het volgende in:

“(...) [D]e Commissie [adviseert] om (a) de nog bij het NFI beschikbare DNA-sporen te doen vergelijken met de DNA-profielen uit de DNA-databank, (b) de twee bruikbare dactyloscopische sporen en de dactyloscopische sporen die destijds niet bruikbaar werden geacht - indien beschikbaar - (opnieuw) te doen vergelijken met de in HAVANK opgeslagen vingerafdrukken.

Tegen de achtergrond van de bevindingen van de Commissie, zoals die hiervoor zijn gepresenteerd, ziet zij geen aanleiding te adviseren nader onderzoek te verrichten naar (met name) de (totstandkoming van de) bekennende verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] . De Commissie meent dat met haar werkzaamheden voldoende tegemoet is gekomen aan de verzoeken die hiervoor (...) zijn weergegeven.”

(iv) De advocaat-generaal heeft ook het door de ACAS in het eindadvies geadviseerde nader onderzoek laten verrichten. Uit de onderzoeksrapporten die door de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Holland aan [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn verzonden, blijkt dat het DNA-onderzoek niet heeft geleid tot een match in de DNA-databank en het dactyloscopisch onderzoek niet heeft geleid tot herkenning van de vingerafdrukken.

3.3

Namens de aanvrager is een herzieningsaanvraag ingediend die op 23 november 2020 bij de Hoge Raad is ingekomen.

4 De aanvraag tot herziening

4.1

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

4.2

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe gewezen op één nieuwe verklaring van de getuige – tevens gewezen medeverdachte van de aanvrager – [medeverdachte 6] en één aanvulling daarop. Ter onderbouwing van die stelling wordt in de aanvraag aangevoerd dat uit de nieuwe verklaringen blijkt dat [medeverdachte 6] is teruggekomen op zijn eerdere, de aanvrager belastende, verklaringen en dat dit gegeven – mede in het licht van “de duiding vanuit de analyse van dr. Israëls en het ACAS-advies omtrent de waarde van de bekentenissen” – het ernstige vermoeden doet ontstaan als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv (een zogenoemd novum).

5 De conclusie van de advocaat-generaal

5.1

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de aanvraag.

5.2

De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

6 Beoordeling van de aanvraag

De nieuwe verklaring van [medeverdachte 6] en de aanvulling daarop

6.1.1

De ongedateerde schriftelijke verklaring van [medeverdachte 6] , die blijkens de aanvraag op 5 oktober 2018 is opgesteld en die op 10 oktober 2018 door een beëdigd vertaler vanuit de Turkse taal in het Nederlands is vertaald, houdt het volgende in:

“Datgene wat ik hier zeg, is helemaal mijn onvervalste verklaring. Mijn vrienden en ik hebben niets te maken met de villa moord gepleegd in 1998.

Politie Arnhem heeft met druk en met gewelddadigheid mij deze verklaring afgenomen. Het proces van het verhoren dat uren en dagen heeft geduurd, is uitgevoerd. Ze hebben mij voor het verhoor opgeroepen naar aanleiding van de verklaring die [medeverdachte 2] had afgelegd. Maar ook al zei ik dat niets met het feit te maken had, toen ik voor de tweede keer werd opgeroepen en met eigen wil ging en een verklaring ging afleggen, hebben ze door bij mij psychologische druk, geweld en dwang te gebruiken mij genoodzaakt om een valse verklaring af te leggen. Geen enkele vriend heeft iets te maken met dit feit.

Want op 2 september 1998 om 19.30 was de benzine van het voertuig van [medeverdachte 1] opgeraakt. [medeverdachte 1] heeft, toen hij op weg was naar Nijmegen omdat zijn benzine op was geraakt, omstreeks 19.30 [medeverdachte 9] gebeld. En ik ben samen met [medeverdachte 9] naar de plek gegaan waar [medeverdachte 1] onderweg was blijven steken. Want omdat [medeverdachte 1] het niet bij zich had, had hij het aan [medeverdachte 9] gevraagd en wij zijn met mijn voertuig Mercedes 190D naar de locatie gegaan waar [medeverdachte 1] was. [medeverdachte 1] was onderweg naar Nijmegen blijven steken. Wij zijn via de brug richting Nijmegen naar [medeverdachte 1] gegaan. ANWB heeft zijn benzine aangevuld, daarna zijn wij naar Nijmegen gekomen, het was inmiddels 20.30. Wij zijn met zijn allen naar een Turkse koffieshop in de buurt van het Centraal Station van Nijmegen gegaan en wij zijn daar tot ongeveer 21.30 gebleven.

Op dat uur is absoluut geen van ons, ook niet [medeverdachte 1] , ook niet [medeverdachte 9] en ook niet [aanvrager] of één van mijn andere vrienden absoluut niet naar Arnhem gegaan en zijn daar ook niet geweest, waarvan de politie ons beschuldigt. De politie heeft mij urenlang met en zonder video verhoord terwijl zij mij psychologisch martelden en onder druk zetten. Dit ging ook ’s nachts door. Wanneer ik zei dat wij niets met het feit te maken hadden, groeide de woede en het geweld van de politie naar mij toe. Om van hen af te komen naar aanleiding van dit geweld en psychologische druk en te kalmeren heb ik - in lijn met wat zij wilden - een valse, pochende verklaring afgelegd. Elke keer, wanneer ik vertelde over de voertuigen die wij gebruikten, wilden zij van mij - wat ik ook nu zelfs niet weet - het merk en de kleur van het voertuig weten. Hoewel wij niets met het feit te maken hadden, waren zijzelf op zoek naar criminelen. Toen ik voor de rechter-commissaris moest verschijnen, heeft zelfs de rechter-commissaris aan de politie niet gevraagd of zij wetenschappelijke, tastbare documenten in handen had. Hij vroeg en niet naar het DNA-monster, en niet naar de vingerafdruk, en niet naar de vingerafdruk op de kogel dat in het ballistische rapport stond. Hij heeft naar niets gevraagd.

Kortom, er was een politie- en justitie systeem in werking dat probeerde tot het bewijs te komen via de crimineel. Helaas werd bij ons zonder vorm van proces [een straf] voltrokken. 9-10 Mensen hadden niet op basis van de verklaring van twee personen moeten worden berecht. Helaas was de verklaring en het verhoor van twee personen niet bij de documenten in het dossier terechtgekomen. Wij waren ons aan het voorbereiden om voor de rechter de verschijnen. In de rechtbank heb ik door de angst en de druk mijn verklaring niet kunnen veranderen. Want de politie zei dat ik anders met 15-20 jaar berecht zou worden. Ik ben ’s nachts met en zonder video om 2 uur à 3 uur verhoord. Elk verhoor was een tirannie, een marteling. Toen ik werd verhoord terwijl de tolk erbij was, daarna was ik alleen gebleven nadat de tolk was weggegaan en niet meer was teruggekomen, waarvan ik denk dat dat een plan van de politie was. Het psychologische geweld en de druk nam toe zodat ik een verklaring zou afleggen. Ik had in die periode trouwens ook problemen met mijn vrouw. Ik had dan ook geen kracht meer na het geweld en de druk van deze politie. Van de ene kant slapeloosheid, van de andere kant het geweld en de druk, in wat voor hel was ik in godsnaam terechtgekomen. Ik gaf een verklaring af met helemaal verkeerde informatie. Ik gaf totaal onwerkelijke verklaringen af. [verbalisant 5] (naam van de politieagent die mij verhoorde) zwaaide met zijn vinger alsof hij mij bedreigde, ik vond de schets op mij lijken, hij ging zo ver dat hij zei dat ik de moordenaar was. Hij bedreigde mij zelfs dat ik met 15-20 jaar berecht wou worden. Hij sloeg op de tafel. In de verhoorkamer misbruikte hij de bevoegdheid die de overheid aan hem en andere politieagenten gaf. Hij ging door met het verhoor door het gevoel te geven alsof hij zelf de macht van de staat was en alsof hij zelf de staat was. Ik kon deze druk slechts 2 uur aan. Omdat ik psychologisch van streek en depressief was door mijn ex-vrouw. Door de druk en het geweld tijdens dit verhoor kreeg ik bijna een hartaanval. Ik moest zo snel mogelijk van hen afkomen. En ik gaf een totaal onwerkelijke verklaring af. Ik bedoel dus dat zij stuurden en ik gaf dienovereenkomstig een verklaring af. Ik vertelde over de voertuigen die wij gebruikten, maar omdat ik geen informatie had over het voertuig waar zij naar vroegen, omdat zij niets te weten konden komen over het voertuig waar zij telkens over wilden horen, werden zij woest en gingen zij de druk en het geweld opvoeren. Maar ik had absoluut geen informatie over het voertuig waar zij naar vroegen, want ik en mijn vrienden hadden niets te maken met dit feit.

Al mijn vrienden - alle negen - die van dit feit zijn beschuldigd, waren op 2 september 1998 in Nijmegen. Geen van ons was op de plaats delict of zijn naar de plaats delict gegaan op het tijdstip dat de politie heeft genoemd. Terwijl wij onschuldig waren, werden negen vrienden, inclusief ik, zonder documenten, zonder bewijsmiddelen beschuldigd. Ik kan u vertellen dat het verhoor dat onder druk en geweld heeft plaatsgevonden, niet overeenkomt met de waarheid.

Want dit verhoor heeft onder druk, geweld en bedreiging plaatsgevonden. De tijdens dit feit genoemde 9 personen, inclusief ik, zijn ten onrechte berecht en wij, inclusief ik, hebben ten onrechte een gevangenisstraf uitgezeten. Alleen vanwege deze druk en het geweld van de politie, niet vanwege de bewijsmiddelen; de druk en het geweld van de politie die tot het resultaat wou komen vanuit de verdachte heeft ervoor gezorgd dat wij ten onrechte een gevangenisstraf moesten uitzitten. Voor een eerlijk proces moet deze rechtszaak opnieuw aanhangig worden gemaakt en de eer en waardigheid moeten aan mij en aan mijn onschuldige vrienden worden teruggegeven.

Eigenlijk moeten de politie, de officier van justitie, de rechter-commissaris, de rechters die hebben berecht, iedereen, iedereen die de macht van de staat heeft misbruikt en op mijn rug is gestapt en mij als opstapje heeft gebruikt, [verbalisant 18] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , de officier van justitie, de rechter-commissaris, de rechters zullen ook de hand in dit feit hebben, de verantwoordelijken, iedereen die deze justitie en rechtenschandaal heeft veroorzaakt moet voor de rechter verschijnen en het noodzakelijke moet gedaan worden.

Een 20 jaar lang durende gewetenswroeging is voor mij genoeg geweest. Deze gebeurtenis is mijn geheim gebleven, heeft geknaagd aan mij, heeft mij slapeloze nachten bezorgd, ik begin psychische problemen te krijgen. Ik wil dat zo snel mogelijk, dat aan mij en aan mijn vrienden, aan mijn ten onrechte berechte en veroordeelde vrienden, in de eerste plaats aan [medeverdachte 7] , zijn eer en waardigheid wordt teruggegeven.

Ik bied in de eerste plaats aan [medeverdachte 7] en aan zijn familie en vervolgens aan mijn andere vrienden mijn excuses aan. Ik bied mijn excuses aan iedereen omdat ik hen zo’n soort verdriet heb aangedaan en ik vraag hen met nadruk om mij te vergeven. Hun vergeving zal mijn leed niet helemaal maar gedeeltelijk verminderen. Vanaf nu wil ik bevrijd worden van deze gewetenswroeging.

Ik, [medeverdachte 6] zeg uit het diepst van mijn hart dat mijn bij de politie afgelegde verklaring absoluut niet overeenkomt met de waarheid. Het is een valse verklaring dat onder druk en marteling van de politie is afgelegd.

Hoogachtend,

[medeverdachte 6]

[handtekening]”

6.1.2

De bij de aanvraag gevoegde aanvulling op deze verklaring van [medeverdachte 6] houdt het volgende in:

“In aanvulling op mijn verklaring wil ik nog het volgende verklaren:

Ik heb na de veroordeling altijd in angst geleefd. Ik ben altijd bang geweest om naar Nederland te komen en ben sinds de veroordeling maar één keer in Nederland geweest, om mijn paspoort te verlengen. Ik ben bang dat de politie mij iets aan zal doen als ik iets aan de zaak zal wijzigen. De politie heeft mij dit ook gezegd tijdens de zittingen in hoger beroep, dat als ik mijn verklaringen zou wijzigen, zij mij lang zouden opsluiten en mijn gezin kapot zouden maken. Ik ben vandaag de dag nog steeds bang voor de politie in Arnhem omdat zij hebben laten zien dat zij alles kunnen maken. Zij hebben negen onschuldige mannen veroordeeld zonder dat er bewijs was. Ik ben bang voor mijn kinderen en mijn vrouw dat de politie hen of mij iets aan zal doen hierom. Hierom heb ik ook altijd een geheim leven geleid in Duitsland en heb ik alle contacten met Nederland verbroken. Pas nadat ik zag dat Paul Acda op televisie de waarheid over de zaak zei, heb ik gedurfd om contact met Paul Acda op te nemen voor het zeggen van de waarheid.

Frankfurt, 10 oktober 2018

[medeverdachte 6] .”

Juridisch kader

6.2.1

Uitgangspunt van het wettelijk stelsel is dat een veroordeling die door de Nederlandse strafrechter is uitgesproken, na het verstrijken van de termijnen voor het instellen van gewone rechtsmiddelen en eventueel na het daadwerkelijk benut zijn van die rechtsmiddelen, onherroepelijk wordt. Slechts onder bijzondere omstandigheden is daarna een inbreuk op die onherroepelijkheid mogelijk, namelijk als een aanvraag tot herziening van een dergelijke veroordelende uitspraak wordt ingediend en door de Hoge Raad gegrond wordt bevonden. Herziening is volgens de wet een buitengewoon rechtsmiddel.

6.2.2

Een van de gronden voor herziening kan, zoals ook in deze zaak centraal staat, een zogenoemd novum zijn. In artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv is dit aldus tot uitdrukking gebracht dat als grondslag voor een herziening slechts kan dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

6.2.3

Op grond van artikel 460 Sv moet de herzieningsaanvraag de gronden vermelden waarop deze rust, met bijvoeging van de bescheiden waaruit van die gronden kan blijken. Het is, ook gelet op het bijzondere karakter van het buitengewone rechtsmiddel van herziening, de aanvrager die tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een van de in artikel 457 lid 1, onder c, Sv genoemde beslissingen zou zijn gekomen indien hij ten tijde van de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van wat in de herzieningsaanvraag naar voren is gebracht.
De beoordeling van de herzieningsaanvraag door de Hoge Raad beperkt zich tot de gronden die in de aanvraag worden aangevoerd. Daarbij is nog van belang dat de wet toestaat dat een gewezen verdachte, nadat de Hoge Raad een aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard of heeft afgewezen, opnieuw een herzieningsaanvraag indient bij de Hoge Raad, mits die aanvraag steunt op andere gronden dan die eerder door de Hoge Raad ontoereikend zijn geoordeeld.

6.2.4

Op grond van artikel 461 lid 1 Sv kan de gewezen verdachte in bepaalde gevallen het verzoek doen aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een novum. Alvorens hierop te beslissen kan de procureur-generaal overeenkomstig artikel 462 lid 1 Sv advies inwinnen van een daartoe belaste commissie, de adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS), over de wenselijkheid van zo’n nader onderzoek.

6.2.5

De aard van het buitengewone rechtsmiddel van herziening brengt met zich dat de aangevoerde grond voor herziening niet al bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is immers sprake van een gegeven dat de rechter die de veroordeling uitsprak, in zijn oordeel heeft kunnen betrekken. Het vorenstaande geldt ook als de aangevoerde grond voor herziening is ontleend aan de resultaten van een door de procureur-generaal, al dan niet op advies van de ACAS, ingesteld nader onderzoek.

6.2.6

Bij de beantwoording van de vraag of een in een herzieningsaanvraag aangeduid nieuw gegeven het in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv bedoelde ernstige vermoeden wekt, moet de gehele bewijsvoering van de rechter worden betrokken. Het gaat er daarbij om of het nieuwe gegeven, in het licht van enerzijds wat is aangevoerd in de herzieningsaanvraag en anderzijds de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen en (eventuele) nadere bewijsoverwegingen, dat ernstige vermoeden wekt.

Beoordeling

6.3.1

Het hof heeft in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, de bewezenverklaring mede aangenomen op grond van meerdere door [medeverdachte 6] afgelegde verklaringen. Bewijsmiddelen 11, 12 en 15 betreffen verklaringen die [medeverdachte 6] ten overstaan van het hof heeft afgelegd tijdens de terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak tegen de aanvrager. [medeverdachte 6] was ten tijde van dit hoger beroep onherroepelijk veroordeeld en heeft deze verklaringen afgelegd als beëdigde getuige. In het bijzonder bewijsmiddel 11 betreft een uitvoerige verklaring van [medeverdachte 6] over zijn betrokkenheid en die van andere gewezen medeverdachten bij het door het hof bewezenverklaarde feit. Bewijsmiddelen 21-27 betreffen verklaringen van [medeverdachte 6] die door hem tegenover de politie zijn afgelegd. Deze verklaringen zijn belastend voor de aanvrager en voor de andere gewezen medeverdachten, daaronder begrepen [medeverdachte 6] zelf.
Het hof heeft voor het bewijs verder gebruik gemaakt van meerdere verklaringen die de getuige – tevens gewezen medeverdachte van de aanvrager – [medeverdachte 2] tegenover de politie heeft afgelegd (bewijsmiddelen 28-31). Ook deze door de getuige [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen zijn belastend voor de aanvrager en voor de andere gewezen medeverdachten, daaronder begrepen [medeverdachte 2] zelf.

6.3.2

Het hof heeft, naar aanleiding van het verweer dat de in de strafzaak tegen de aanvrager en zijn gewezen medeverdachten afgelegde verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, onder meer het volgende overwogen.
Allereerst is het hof ingegaan op de vraag of de tegenover de politie afgelegde verklaringen in vrijheid zijn gegeven. Het hof heeft, na kennisneming van vele audiovisueel vastgelegde politieverhoren, geoordeeld dat sprake was van een gering aantal momenten waarop sprake was van een zekere druk maar dat van de politieverhoren niet kan worden gezegd dat er een ontoelaatbare druk op de verdachte en de medeverdachten uitging die hun verklaringsvrijheid op onaanvaardbare wijze heeft geschonden. Het hof heeft ook verschillende andere omstandigheden onderzocht die zijn aangevoerd met betrekking tot het verloop van de verhoren en de methodieken waarmee de verhoren zijn uitgevoerd, en met betrekking tot het niet-inschakelen van een tolk bij de verhoren. Ook hierbij is het hof telkens tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat de verklaringsvrijheid is aangetast of dat de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen is aangetast.
Het hof heeft verder de betrouwbaarheid en de consistentie van de door [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen besproken. Daarbij is het hof tot het oordeel gekomen dat de verklaringen van [medeverdachte 6] betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs omdat deze op meerdere, door het hof nader aangeduide punten worden bevestigd door de verklaringen van [medeverdachte 2] . Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] zeer gedetailleerd zijn en concrete redenen van wetenschap bevatten, die bovendien steun vinden in verklaringen van anderen of in ander bewijsmateriaal. Het hof heeft in dit verband verwezen naar verschillende feiten en omstandigheden die blijken uit de bewijsmiddelen 9, 10, 13, 14, 16, 17, 20, 33, 34, 41, 44, 50 en 51.

6.4.1

De aanvraag berust erop dat de getuige – en tevens gewezen medeverdachte van de aanvrager – [medeverdachte 6] in de bij de aanvraag gevoegde verklaringen is teruggekomen op de door hem afgelegde belastende verklaringen zoals deze door het hof voor het bewijs zijn gebruikt. Bij de beoordeling hiervan dient te worden vooropgesteld dat de aanvrager aannemelijk moet maken dat en waarom een getuige op hem belastende verklaringen terugkomt (vgl. HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9316).

6.4.2

In de bij de aanvraag overgelegde verklaringen geeft [medeverdachte 6] als redenen voor het terugkomen op de eerdere voor de aanvrager belastende verklaringen op dat hij een geheel andere herinnering heeft aan het gebeurde op 2 september 1998, dat hij na de veroordeling altijd in angst heeft geleefd als gevolg van de door druk, geweld, bedreiging en marteling door de politie tot stand gekomen verklaringen, dat sprake is van een “20 jaar lang durende gewetenswroeging” die voor hem genoeg is geweest, dat hij “psychische problemen” begint te krijgen en dat hij wil dat “zo snel mogelijk” “eer en waardigheid” wordt teruggegeven aan hem en zijn veroordeelde vrienden.
In de bij de aanvraag overgelegde verklaringen en in de aanvraag wordt de omstandigheid dat [medeverdachte 6] eerst met zijn verklaring van 5 oktober 2018 is teruggekomen op die eerdere verklaringen in de kern slechts onderbouwd met de stelling dat [medeverdachte 6] pas hierover heeft durven praten naar aanleiding van een televisie-uitzending over de zaak. Hiermee zijn naar het oordeel van de Hoge Raad echter geen toereikende gronden aangedragen die aannemelijk maken waarom [medeverdachte 6] op de voor de aanvrager belastende verklaringen is teruggekomen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is de bewering dat de politie hem tijdens de zittingen in hoger beroep heeft gezegd dat, als [medeverdachte 6] zijn verklaringen zou wijzigen, hij zou worden opgesloten en zijn gezin kapot zou worden gemaakt, bovendien niet geloofwaardig. De bij de aanvraag overlegde verklaringen van [medeverdachte 6] bevatten verder geen plausibele uitleg waarom de “20 jaar lang durende gewetenswroeging” hem pas in 2018 aanleiding heeft gegeven tot het terugkomen op de in de strafzaak afgelegde verklaringen.
Een en ander klemt temeer nu in die verklaringen of in de aanvraag niet een reden wordt opgegeven waarom [medeverdachte 6] zich niet bereid heeft getoond mee te werken aan het door de ACAS geadviseerde en ten behoeve van de voorbereiding van een herzieningsaanvraag te verrichten onderzoek dat, zoals onder 3.2 (ii) is vermeld, door de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Holland is gedaan.

6.4.3

Verder verdient opmerking dat met betrekking tot wat in de bij de aanvraag overgelegde verklaringen van [medeverdachte 6] wordt gesteld over de gebeurtenissen op 2 september 1998 nadat om 19.30 uur de benzine van het voertuig van [medeverdachte 1] was opgeraakt, in die verklaringen en in de aanvraag een onderbouwing ontbreekt over deze gang van zaken en over de vraag hoe die zich verhoudt tot de vaststellingen van het hof zoals deze mede in de bewijsmiddelen 13, 14, 16, 17, 33 en 34 naar voren komen en die – kort gezegd – inhouden dat [medeverdachte 1] op 2 september 1998 heeft geholpen met het verwisselen van een band van de auto van [medeverdachte 6] en dat [medeverdachte 1] daarna rond 17.05 uur heeft getankt bij een tankstation in Arnhem, waarbij de betaling mislukte en [medeverdachte 6] zijn telefoon achterliet. Ook voor zover de bij de aanvraag overgelegde verklaringen van [medeverdachte 6] inhouden dat “Al mijn vrienden – alle negen – die van dit feit zijn beschuldigd, waren op 2 september 1998 in Nijmegen. Geen van ons was op de plaats delict of zijn naar de plaats delict gegaan”, ontbreekt een onderbouwing waarop deze bewering berust en wordt niet ingegaan op de verhouding tot de bewijsvoering van het hof, zoals deze, naast de hiervoor al genoemde bewijsmiddelen, in het bijzonder ook in de bewijsmiddelen 30, 31, 41, 44 en 49 naar voren komt.

6.4.4

Met betrekking tot hetgeen in de bij de aanvraag overgelegde verklaringen van [medeverdachte 6] naar voren wordt gebracht over het verloop van de politieverhoren, is bovendien van belang dat – zoals in 6.3.1 is vermeld – het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van verklaringen die [medeverdachte 6] niet alleen als verdachte tegenover de politie heeft afgelegd, maar ook als beëdigde getuige in hoger beroep ter terechtzitting ten overstaan van het hof heeft afgelegd nadat zijn veroordeling onherroepelijk was geworden. Ook heeft het hof – onder meer door kennisneming van vele audiovisueel vastgelegde politieverhoren – getoetst of de door [medeverdachte 6] tegenover de politie afgelegde verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd. Daarbij heeft het hof uitvoerig gemotiveerd geoordeeld dat het de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte 6] betrouwbaar acht, waarbij het tevens heeft aangeduid op welke onderdelen die verklaringen steun vinden in de verklaringen van [medeverdachte 2] en in andere bewijsmiddelen.

6.5.1

In de aanvraag wordt verder nog een beroep gedaan op hoofdstuk 4 van het boek “De Arnhemse villamoord. Valse bekentenissen”, dat H. Israëls en anderen hebben gepubliceerd in 2014 op basis van door de deelnemers aan het zogenoemde project Gerede Twijfel verricht onderzoek, en het onder 3.2 genoemde eindadvies van de ACAS van 8 juni 2018. In de aanvraag wordt niet aangevoerd dat dit boek en/of dat eindadvies op zichzelf beschouwd als novum moet of moeten worden aangemerkt, maar wordt naar voren gebracht dat de bevindingen die in dit boek en dat eindadvies worden gepresenteerd, ondersteunen dat meer waarde moet worden gehecht aan de bij de aanvraag overgelegde verklaringen van [medeverdachte 6] dan de door hem tegenover de politie afgelegde verklaringen. Daarbij wordt in het bijzonder gewezen op de in het genoemde boek en het ACAS-eindrapport opgenomen bevindingen met betrekking tot de inhoud en de totstandkoming van de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] .
In hoofdstuk 4 van het hiervoor genoemde boek worden de door [medeverdachte 6] tegenover de politie afgelegde verklaringen, mede aan de hand van de beschikbare video-opnamen, geanalyseerd. Met betrekking tot deze en andere bevindingen wordt in het boek opgemerkt: “Alles wat vermeld staat in dit boek, is afkomstig uit het dossier en de opnames van de verhoren, en dat is dus allemaal materiaal dat indertijd ook al bekend was bij de rechter.” De onderdelen van het ACAS-advies waarnaar in de aanvraag wordt verwezen, betreffen een analyse van de verklaringen van [medeverdachte 6] die hij tegenover de politie heeft afgelegd, mede aan de hand van de beschikbare video-opnamen, alsook passages over de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen en de mogelijkheid dat een “prisoners dilemma” heeft bestaan ten aanzien van de door [medeverdachte 6] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen.

6.5.2

Voor zover met de aanvraag zou zijn beoogd het boek en het eindadvies (mede) als nieuwe deskundigeninzichten aan te merken, kan dat niet worden gevolgd omdat de aanvraag niet is voorzien van de in het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736 aangeduide informatie die benodigd is om de inhoud van een deskundigeninzicht en de nieuwheid daarvan op waarde te kunnen schatten.

6.5.3

Opmerking verdient bovendien dat het hiervoor genoemde boek en het ACAS-eindadvies zich in hoofdzaak richten op de totstandkoming van de door [medeverdachte 6] tegenover de politie afgelegde verklaringen, terwijl het hof die totstandkoming – onder meer door kennisneming van vele audiovisueel vastgelegde politieverhoren – heeft onderzocht en gemotiveerd heeft geoordeeld dat deze verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarnaast heeft het hof de bewezenverklaring mede aangenomen op grond van de uitgebreide verklaringen die [medeverdachte 6] als beëdigde getuige ten overstaan van het hof heeft afgelegd nadat zijn veroordeling onherroepelijk was geworden, terwijl het hof ook op andere gronden dan de door [medeverdachte 6] afgelegde verklaringen de bewezenverklaring heeft aangenomen. Verder komen de bij de aanvraag gevoegde verklaringen van [medeverdachte 6] niet aan de orde in het hiervoor genoemde boek en het ACAS-eindadvies, omdat die verklaringen eerst tot stand zijn gekomen na de afronding van dat boek en dat eindadvies.

6.6

Gelet op het vorenstaande wekken de bij de aanvraag overgelegde verklaringen, tegen de achtergrond van de bewijsvoering van het hof, niet het voor het buitengewone rechtsmiddel van herziening vereiste ernstige vermoeden als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. Daaruit volgt dat de aanvraag ongegrond is en op grond van artikel 470 Sv moet worden afgewezen.

7 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021.