Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:586

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
20/02639
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:138, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:4379, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Familierecht. Kinderalimentatie. Kan bij berekening draagkracht van onderhoudsplichtige worden uitgegaan van forfaitaire woonlast?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0100 met annotatie van J.J. Smeenge
NJB 2021/1330
RvdW 2021/432
NJ 2021/151
EB 2021/60
RFR 2021/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02639

Datum 16 april 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: de vrouw,

advocaat: C.G.A. van Stratum,

tegen

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de man,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaken C/16/487447/FA RK 19-5227 en C/16/487449/FO RK 19-1359 van de rechtbank Midden-Nederland van 9 december 2019;

  2. de beschikking in de zaak 200.274.229 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2020.

De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van twee kinderen, die bij de vrouw wonen.

(ii) Ten tijde van het beëindigen van de relatie zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de man met ingang van 4 augustus 2015 € 450,-- per maand aan de vrouw betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: de kinderalimentatie; telkens voor beide kinderen samen).

2.2

In dit geding verzoekt de vrouw de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2019 te bepalen op € 681,-- per maand.

De man verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen op € 294,-- per maand.

De rechtbank heeft de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2019 vastgesteld op € 324,-- per maand.

2.3

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.1 Het heeft onder meer overwogen (rov. 5.11):

“Het hof ziet evenmin aanleiding om uit te gaan van de werkelijke woonlast van de man, zoals door de vrouw verzocht, omdat slechts in uitzonderlijke situaties dient te worden afgeweken van de forfaitaire berekening van kinderalimentatie. Van een dergelijk uitzonderlijke situatie is niet gebleken. Dat de man ervoor heeft gekozen om de meerwaarde van de verkochte woning te investeren in zijn huidige woning, waardoor hij een lagere woonlast heeft, is een keuze van de man om zijn eigen vermogenspositie in te richten op een door hem gewenste wijze en leidt er niet toe dat sprake is van een situatie waarin van het forfaitaire stelsel moet worden afgeweken.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel klaagt over de verwerping door het hof (in rov. 5.11) van het betoog van de vrouw dat bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten in plaats van met een forfaitair bedrag ter hoogte van 30% van zijn netto besteedbaar inkomen, in aanmerking genomen dat de werkelijke woonlasten aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag.

Het middel betoogt onder meer dat het hof aldus heeft miskend dat de in het Rapport Alimentatienormen genoemde forfaitaire rekenmethode slechts een aanbeveling voor een praktische invulling van de wettelijke maatstaf ‘draagkracht’ is en niet een dwingendrechtelijke regel. De alimentatierechter zal, wanneer het partijdebat daartoe noodzaakt, altijd aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten onderzoeken of toepassing van de richtlijnen resulteert in een uitkomst die in lijn is met de wettelijke maatstaven. Daarbij kan volgens het middel als vuistregel worden aangenomen dat het resultaat van de toepassing van de richtlijnen in ieder geval niet in lijn is met de wettelijke maatstaven als de werkelijke woonlasten van de alimentatieplichtige aanmerkelijk lager zijn dan de forfaitaire woonlasten èn uitsluitend als gevolg van toepassing van de forfaitaire rekenmethode niet (volledig) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien.

Volgens het middel had het hof in dit geval een onderzoek naar de werkelijke draagkracht van de man niet mogen nalaten nu a) door de man in hoger beroep is erkend dat zijn werkelijke woonlasten niet meer dan € 95,-- per maand bedragen, terwijl de forfaitaire woonlasten 30% van € 2.261,-- per maand, dus € 678,30 bedroegen; en b) toepassing van de forfaitaire rekenmethode tot gevolg heeft dat er onvoldoende draagkracht is om in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voorzien. Wanneer gerekend zou worden met de werkelijke woonlasten van de man kan wel volledig in de behoefte van de kinderen worden voorzien.

3.2.1

Art. 1:404 lid 1 BW bepaalt dat iedere ouder ten minste verplicht is naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen. Het begrip draagkracht is in de wet niet nader omlijnd en in de praktijk wordt daaraan invulling gegeven door (niet bindende) richtlijnen, opgesteld door de Expertgroep Alimentatie. Sinds 2013 adviseert de Expertgroep Alimentatie om bij de berekening van de draagkracht van de alimentatieplichtige voor de voldoening van kinderalimentatie wat betreft de woonlasten uit te gaan van 30% van het netto besteedbaar inkomen. Van de keuzes van een onderhoudsplichtige in zijn uitgavenpatroon wordt geabstraheerd, vanuit de gedachte dat iedere onderhoudsplichtige met het oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde zijn uitgavenpatroon zo dient in te richten, dat hij ten minste de gespecificeerde bijdrage kan voldoen, aldus de toelichting bij de desbetreffende aanbeveling.2

3.2.2

Op zichzelf is het hanteren van een forfaitaire woonlast niet in strijd met de wettelijke maatstaven. Het dient bovendien de voorspelbaarheid en rechtszekerheid en voorkomt dat elke verandering van de woonsituatie aanleiding geeft tot een verzoek tot wijziging van de alimentatie. De rechter zal echter, indien met de aldus berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait, steeds dienen na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.

3.2.3

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, geeft het oordeel van het hof dat slechts in uitzonderlijke situaties dient te worden afgeweken van de forfaitaire berekening van kinderalimentatie, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht is dus gegrond.

Nu vaststaat dat bij toepassing van het woonlastenforfait niet geheel in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien, dient het hof na verwijzing te onderzoeken of de werkelijke woonlasten van de man, door aflossing op zijn hypothecaire lening, duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan volgt uit de toepassing van dat forfait, en of de draagkracht van de man, berekend met inachtneming van die werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dat het geval is, dient het hof deze hogere bijdrage op te leggen, dan wel te motiveren waarom het daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.

3.3

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 16 april 2021.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4379.

2 Zie de Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co-ouderschap – concept november 2012, p. 14: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Toelichting-op-het-voorstel-voor-de-richtlijn-vereenvoudiging-kinderalimentatie.pdf.