Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:534

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
20/03052
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:144, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet forensische zorg (Wfz), Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Kan strafrechter ambtshalve een zorgmachtiging verlenen (art. 2.3 lid 1 Wfz in verbinding met art. 6:5 Wvggz) nadat officier van justitie geen gevolg heeft gegeven aan verzoek van de rechter een zorgmachtiging voor te bereiden? Verzoek rechter tot verstrekken van documenten die aan de zorgmachtiging ten grondslag liggen; art. 5:19 Wvggz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/1238
RvdW 2021/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/03052

Datum 9 april 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de officier van justitie,

advocaat: M.M. van Asperen,

tegen

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: M.E. Bruning.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 13/288599-19 van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2020.

De officier van justitie heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht.

Betrokkene heeft een verweerschrift tot referte ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de officier van justitie heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze uitspraak komen de volgende vragen aan de orde die spelen bij de toepassing van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz) en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz):

1. Kan de strafrechter een zorgmachtiging afgeven op de voet van art. 2.3 lid 1 Wfz in verbinding met art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, indien de officier van justitie geen verzoekschrift voor een zorgmachtiging heeft ingediend?

2. Kan de strafrechter die overweegt op de voet van art. 2.3 lid 1 Wfz een zorgmachtiging af te geven, de officier van justitie opdracht geven om documenten te verstrekken die ten aanzien van de betrokkene op grond van de Wvggz zijn verkregen?

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Betrokkene is strafrechtelijk vervolgd.

(ii) De rechtbank heeft op de strafzitting, gezien de berichten over de slechte psychische toestand van betrokkene, de officier van justitie opdracht gegeven tot het opstellen van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging.

(iii) De officier van justitie heeft de rechtbank laten weten dat de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging is beëindigd en dat hij geen verzoekschrift voor een zorgmachtiging zal indienen. De officier van justitie heeft op basis van de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur aan deze beëindiging het volgende ten grondslag gelegd:

“Betrokkene heeft psychiatrische zorg nodig, maar deze kan niet worden geboden in de reguliere GGZ binnen het kader van een zorgmachtiging, waardoor het zorgplan niet voldoet aan de eis van doelmatigheid (art. 2:1 lid 8 Wvggz) en de algemene eis van te verwachten effectiviteit van de verplichte zorg (art. 3:3 sub d Wvggz).”

(iv) De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur aan de rechtbank te verstrekken.

(v) De coördinerend officier van justitie Wvggz heeft de rechtbank laten weten dat de officier van justitie niet zal voldoen aan het verzoek om de hiervoor onder (iv) bedoelde documenten aan de rechtbank te verstrekken, omdat daarmee de wet zou worden overtreden (op de grond dat zonder verzoek van de officier van justitie waarop de rechtbank diende te beslissen, geen civielrechtelijke Wvggz-stukken konden worden verstrekt in de strafzaak).

(vi) Vervolgens heeft de advocaat van betrokkene een kopie van een zorgplan aan de rechtbank verschaft. Als bijlagen bij het zorgplan zijn onder meer een beslissing van de geneesheer-directeur, een signaleringsplan en een zorgkaart gevoegd.

(vii) De rechtbank heeft betrokkene vrijgesproken van hetgeen hem ten laste was gelegd1 en op dezelfde dag de hierna in 2.3 weergegeven beschikking gegeven2.

2.3

De rechtbank heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend op de voet van art. 2.3 lid 1 Wfz in verbinding met art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

Het openbaar ministerie heeft bij het afbreken van de voorbereiding van de zorgmachtiging een verkeerde maatstaf gehanteerd. Doelmatigheid (of het ontbreken daarvan) is geen grond voor beëindiging van de voorbereiding van de zorgmachtiging door de officier van justitie, zo blijkt uit art. 5:11 lid 2 Wvggz. De beslissing van de officier van justitie is derhalve niet in overeenstemming met de wet. (rov. 4.2.2)

De in art. 2.3 Wfz aan de rechter toegekende bevoegdheid ambtshalve, en dus zonder daartoe strekkend verzoekschrift van de officier van justitie, een zorgmachtiging af te geven, heeft slechts betekenis als de rechter ook beschikt over de onderliggende stukken. Alleen dan kan de rechter immers, gehoord de officier van justitie en de verdediging, weloverwogen beslissen of, naast de strafrechtelijke afdoening, een zorgmachtiging moet worden afgegeven. (rov. 4.2.3)

In een beslissing van 23 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3335) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overwogen dat op grond van art. 2.3 Wfz de rechter de bevoegdheid toekomt ambtshalve een zorgmachtiging af te geven, zelfs tegen het standpunt van de officier van justitie in. Dat de wetgever deze mogelijkheid aan de wetgever heeft willen geven, blijkt ook uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken I 2017/18, 32399, D, p. 11). (rov. 4.2.4)

Met het hof acht de rechtbank het in beginsel niet passend dat een officier van justitie gebruik zou maken van de bevoegdheid tot het voortijdig beëindigen van de voorbereiding van een zorgmachtiging in het geval de rechter op grond van art. 5:19 lid 2 Wvggz de officier van justitie heeft verzocht een verzoekschrift voor te bereiden, omdat de rechter in dat geval ambtshalve toepassing van art. 2.3 lid 1 Wfz overweegt. De aan de rechter gegeven ambtshalve bevoegdheid zou anders een lege huls zijn, hetgeen niet strookt met de bedoeling van de wetgever, die het wenselijk acht dat de (straf)rechter een integrale afweging kan maken tussen straf en zorg. Het is uiteindelijk aan de rechter of de zorgmachtiging wordt afgegeven. (rov. 4.2.5)

Indien de strafrechter ambtshalve toepassing van art. 2.3 lid 1 Wfz overweegt, verzoekt hij de officier van justitie toepassing te geven aan het bepaalde in art. 5:19 lid 1 Wvggz, dat wil zeggen dat de officier van justitie een verzoekschrift voor een zorgmachtiging moet voorbereiden. Hij moet dus onder andere een geneesheer-directeur aanwijzen, die een zorgverantwoordelijke en een onafhankelijk psychiater zal zoeken. Of de officier van justitie vervolgens een verzoekschrift indient, is niet maatgevend gezien art. 2.3 Wfz. Daarin is verwoord dat de strafrechter ambtshalve of na een verzoekschrift van de officier van justitie een zorgmachtiging afgeeft. (rov. 4.2.6)

In de onderhavige zaak lijkt de officier van justitie tweemaal een zorgmachtiging te hebben voorbereid. Over de precieze gang van zaken heeft de rechtbank echter geen duidelijkheid verkregen van de officier van justitie. Dit klemt, omdat de rechtbank van de verdediging een zorgplan heeft ontvangen van GGZ InGeest van 8 april 2020, waarin geconstateerd wordt dat verplichte zorg noodzakelijk wordt geacht voor betrokkene. (4.2.7)

Art. 8:34 Wvggz verplicht de officier van justitie, de politie, de rechter, de zorgaanbieder, de geneesheer-directeur, de zorgverantwoordelijke, de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders, en de psychiater bedoeld in art. 5:7 Wvggz, alsmede de medewerkers van de hiervoor genoemde personen tot geheimhouding van hetgeen in de uitoefening van hun taak aan hen is toevertrouwd, tenzij uit hun taak op grond van deze wet de noodzaak tot mededeling voortvloeit of enig ander wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht. Het is dus geen ongeclausuleerde geheimhouding. (rov. 4.3.1)

Wanneer het traject van een zorgmachtiging bij een verdachte wordt overwogen, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, is het noodzakelijk dat de officier van justitie en de rechter gebruik kunnen maken van de relevante gegevens over die persoon, met inbegrip van de gegevens die op grond van de Wvggz worden verkregen. Alleen zo kan een integrale en zorgvuldige afweging worden gemaakt die leidt tot het opleggen van de meest geëigende maatregel voor een persoon. (rov. 4.3.2)

Art. 8:34 Wvggz vermeldt dat wettelijke voorschriften kunnen nopen tot een verplichting tot mededeling. (rov. 4.3.3)

Op grond van art. 258 lid 2 Wetboek van Strafvordering kan de voorzitter van de rechtbank de officier van justitie bevelen gegevensdragers en stukken bij de processtukken te voegen. Hieruit vloeit voort de wettelijke verplichting genoemd in art. 8:34 Wvggz voor de officier van justitie om de stukken die zijn opgemaakt ter voorbereiding van de zorgmachtiging, die door de rechtbank is bevolen, aan het procesdossier toe te voegen. (rov. 4.3.4)

De passages uit de wetgeschiedenis waarvan het openbaar ministerie gewag maakt, zien niet op het verschaffen van zorgmachtigingsinformatie in de strafzaak waarin een integrale afweging gemaakt moet worden, maar gaan over het gebruik van deze informatie in een andere (toekomstige) strafzaak dan de zaak waarin de zorgmachtiging aan de orde is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt juist dat de wetgever in de situatie van art. 2.3 Wfz geen scheiding voor ogen stond tussen de rol van de officier van justitie in een Wvggz-kader en die op een strafzitting. De gegevens op grond van de Wvggz zijn dus ook voor de strafrechter relevant en de geheimhoudingsbepaling van art. 8:34 Wvggz staat ook om deze reden niet aan verstrekking in de weg. (rov. 4.3.5-4.3.7)

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1

Over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de officier van justitie overweegt de Hoge Raad ambtshalve als volgt.

3.2

Art. 6:1 lid 10 Wvggz bepaalt dat op de verlening van een zorgmachtiging de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aanvullend van toepassing zijn. Art. 6:3 Wvggz bepaalt dat tegen de beschikking inzake het verlenen van een zorgmachtiging geen hoger beroep openstaat. Uit art. 78 lid 6 RO in samenhang met art. 426 Rv volgt daarom dat cassatieberoep bij de burgerlijke rechter openstaat tegen de beslissing van de rechter inzake een zorgmachtiging.3

Art. 2.3 Wfz bepaalt dat de rechter in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bij afzonderlijke beslissing een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onderdeel a, Wvggz kan afgeven, en dat die afgifte plaatsvindt met toepassing van de Wvggz. Uit dit laatste volgt dat ook tegen een beschikking van de strafrechter tot afgifte van een zorgmachtiging op de voet van art. 2.3 Wfz, cassatieberoep openstaat bij de burgerlijke rechter.

4 Beoordeling van het middel

4.1.1

Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.2.2 tot en met 4.2.7 en klaagt in de kern dat de rechtbank geen zorgmachtiging mocht verlenen omdat de officier van justitie daartoe geen verzoek heeft ingediend. Het onderdeel voert aan dat de rechtbank op de voet van art. 2.3 lid 1 Wfz in verbinding met art. 5:19 Wvggz hoogstens een verzoek aan de officier van justitie kan richten om voorbereidingen te treffen voor het indienen van een verzoekschrift tot het verlenen van een zorgmachtiging, maar geen opdracht kan geven om een dergelijk verzoek in te dienen. Indien de officier van justitie, zoals in deze zaak, besluit de voorbereiding van een verzoek voor een zorgmachtiging te beëindigen omdat naar zijn oordeel niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor verplichte zorg, is er geen verzoek voor een zorgmachtiging en kan de rechter geen zorgmachtiging verlenen, aldus het onderdeel.

4.1.2

Art. 2.3 lid 1 Wfz bepaalt dat indien de rechter van oordeel is dat is voldaan aan de criteria voor het afgeven van een zorgmachtiging krachtens de Wvggz, hij, ambtshalve of na een verzoekschrift van de officier van justitie, met toepassing van de Wvggz een zorgmachtiging kan afgeven als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz. De rechter kan aan deze bevoegdheid toepassing geven in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, bijvoorbeeld als de betrokkene strafrechtelijk wordt vervolgd.

Indien de rechter ambtshalve toepassing van art. 2.3 lid 1 Wfz overweegt, dient hij op grond van art. 5:19 lid 2 Wvggz de officier van justitie te verzoeken een zorgmachtiging voor te bereiden. De officier van justitie dient aan een dergelijk verzoek gehoor te geven teneinde de rechter in staat te stellen te beoordelen of aan de criteria voor het afgeven van een zorgmachtiging wordt voldaan.

Uit de tekst van art. 2.3 lid 1 Wfz en de wetsgeschiedenis van de Wvggz zoals genoemd in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 3.7, 3.10 en 3.11, volgt dat ook indien de officier van justitie geen verzoekschrift voor een zorgmachtiging indient, de rechter ambtshalve een zorgmachtiging kan afgeven.4

Onderdeel 1 faalt derhalve.

4.1.3

Opmerking verdient dat wanneer de zorgmachtiging ambtshalve door de rechter wordt afgegeven en de verplichte zorg bestaat uit de opname van de betrokkene in een accommodatie, de rechter in de zorgmachtiging aandacht dient te besteden aan de vraag welke accommodatie geschikt is voor de betrokkene, gelet op zijn zorgbehoefte en de eventueel vereiste beveiliging. De rechter kan zo nodig bepalen op welke wijze de zorgmachtiging ten uitvoer moet worden gelegd, totdat een plek voor de betrokkene in een geschikte accommodatie beschikbaar is.5

4.2.1

Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 4.3.1 tot en met 4.3.7 en klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de procedure die tot het afgeven van een zorgmachtiging kan leiden, een van de strafzaak afgescheiden procedure is, waarop de regels voor de civiele verzoekschriftprocedure van toepassing zijn. Daarbij past niet dat de rechtbank de officier van justitie opdracht zou kunnen geven om documenten uit de voorbereidende fase van hoofdstuk 5 Wvggz in het strafdossier te voegen of rechtstreeks aan de strafrechter te verschaffen, aldus het onderdeel.

4.2.2

Op grond van art. 2.3 lid 1 Wfz is de strafrechter bevoegd om een zorgmachtiging af te geven. In de wetsgeschiedenis van de Wvggz is opgemerkt dat wanneer het traject van een zorgmachtiging bij een verdachte wordt overwogen, het noodzakelijk is dat de officier van justitie en de rechter gebruik kunnen maken van de relevante gegevens over die persoon, met inbegrip van de gegevens die op grond van de Wvggz worden verkregen. Alleen zo kan een integrale en zorgvuldige afweging worden gemaakt die leidt tot het opleggen van de meest geëigende maatregel voor een persoon, aldus de wetsgeschiedenis.6

Een en ander brengt mee dat de strafrechter die overweegt op de voet van art. 2.3 lid 1 Wfz een zorgmachtiging te verlenen, de officier van justitie opdracht kan geven om documenten die ten aanzien van de betrokkene op grond van de Wvggz zijn verkregen, aan de strafrechter te verstrekken. Art. 5:19 lid 2 Wvggz biedt hiervoor de wettelijke grondslag (zie hiervoor in 4.1.2).

Onderdeel 2 stuit hierop af.

4.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad behoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, Y. Buruma, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 9 april 2021.

1 Rechtbank Amsterdam 9 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3343.

2 Rechtbank Amsterdam 9 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3342.

3 Vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 3.1.2-3.1.3.

4 Zie onder meer Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 142 en Kamerstukken I 2017/18, 32399 en 31996, D, p. 11.

5 Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 144.

6 Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 101-102.