Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:516

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
20/01703
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1140
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

OM-cassatie tegen beschikking hof waarbij AG bij het hof n-o is verklaard in zijn vorderingen om de schorsing van een bevel tot bewaring op te heffen en vervolgens de gevangenhouding te bevelen. Middel klaagt dat (1) hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een geschorst bevel bewaring van rechtswege eindigt op dag na vonnis van rechtbank en (2) over oordeel hof dat wet geen rechtsingang biedt om gevangenhouding te gelasten in het geval dat verdachte zich in bewaring bevindt na aantekening van beroep tegen einduitspraak. HR: Ad 1. Over beëindiging van voorlopige hechtenis i.v.m. einduitspraak in eerste aanleg bepaalt wet slechts dat rechtbank “een bevel tot voorlopige hechtenis”, dus ook een geschorst bevel tot bewaring, dient op te heffen in de gevallen a.b.i. art. 72.3 en 4 Sv. Oordeel hof dat een geschorst bevel tot bewaring als zodanig van rechtswege eindigt op dag na vonnis, strookt daarmee niet. Ad 2. Uit wettelijk stelsel vloeit als uitgangspunt voort dat na het instellen van h.b. de hoger beroepsrechter bevoegde instantie is m.b.t. beslissingen over voorlopige hechtenis, dus ook over opheffing van een schorsing van de bewaring. Art. 75.1 Sv bepaalt, in overeenstemming met zojuist genoemde uitgangspunt, dat bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel de verlenging daarvan na aantekening van beroep tegen einduitspraak worden gegeven door rechter in hoogste feitelijke aanleg. Uit deze bepaling volgt daarom dat rechter in hoogste feitelijke aanleg een bevel gevangenhouding kan geven, ook in het uitzonderlijke geval dat een verdachte zich in dit stadium in bewaring bevindt. Omstandigheid dat art. 75.1 Sv niet art. 65.1 Sv van overeenkomstige toepassing verklaart, maakt dit niet anders. In geval bewaring van verdachte is geschorst, heft hof deze schorsing op alvorens het bevel tot gevangenhouding te geven, omdat uit art. 65.1 Sv volgt dat alleen van een verdachte die zich in bewaring bevindt de gevangenhouding kan worden bevolen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0095
NJB 2021/1335
JIN 2021/71 met annotatie van Oort, C. van
RvdW 2021/455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/01703 B

Datum 13 april 2021

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 november 2019, nummer 22-003432-19, gegeven naar aanleiding van de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis en de vordering gevangenhouding in de zaak van:

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het openbaar ministerie in zijn vorderingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis. Het betreft de vordering tot opheffing van de schorsing van de bewaring en de vordering tot gevangenhouding.

2.2

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“De beoordeling van het verzoekschrift

Bij beschikking van 10 maart 2017 heeft de rechter-commissaris tegen de verdachte een bevel bewaring afgegeven, welk bevel per die datum is geschorst onder de bijzondere voorwaarden dat (onder meer):

5. De verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen en/of voorschriften die de reclassering stelt aan betrokkene, ook als dat het meewerken aan huisbezoeken inhoudt (..)

7. De verdachte wordt verplicht om zich in verband met zijn verslavingsproblematiek/psychische problematiek/persoonlijkheidsproblematiek te laten diagnosticeren en behandelen bij een forensische polikliniek op forensisch ACT team, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens deze instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Op 4 juli 2019 is verdachte door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met onder meer als bijzondere voorwaarde dat hij zich zal laten behandelen en begeleiden door (het FACT team van) Kairos of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, dat hij zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener voor de behandeling geeft. Deze bijzondere voorwaarden zijn niet dadelijk uitvoerbaar verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft in haar vonnis expliciet overwogen dat met het oog op een eventueel hoger beroep, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis niet wordt opgeheven. Daaruit volgt naar het oordeel van de advocaat-generaal dat de rechtbank het van belang achtte dat de voorwaarden waaronder de bewaring was geschorst van kracht bleven.

Uit het voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 21 augustus 2019 blijkt dat verdachte meerdere keren niet of te laat is verschenen op zijn meldplichtafspraken bij de reclassering en dat hij zijn afspraken met het forensisch FACT team van Kairos niet nakomt. Tevens blijkt uit dit verslag dat verdachte niet meer wenst mee te werken aan toezicht van de reclassering en behandeling bij het FACT team.

Op grond van het voorgaande vordert de advocaat-generaal ex artikel 82 Wetboek van Strafvordering dat de schorsing van de bewaring van verdachte zal worden opgeheven.

Tevens vordert de advocaat-generaal - gezien het gegeven dat de ernstige bezwaren en gronden zoals vermeld op het bevel bewaring thans nog aanwezig zijn - dat de gevangenhouding van de verdachte voor de duur van 90 dagen wordt bevolen ex artikel 75 lid 1 jo. 65 lid 1 Wetboek van Strafvordering.

Beoordeling van het verzoek

Met betrekking tot de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis overweegt het hof dat krachtens artikel 66, lid 2 van het Wetboek van strafvordering een bevel gevangenneming of een bevel gevangenhouding dat gegeven is op de terechtzitting, dan wel indien binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, van kracht blijft tot zestig dagen na de dag van de einduitspraak zijn verstreken.

De wet kent een dergelijke bepaling niet voor het bevel bewaring.

Hieruit kan worden afgeleid dat een geschorst bevel bewaring van rechtswege eindigt op de dag na het vonnis. De voorlopige hechtenis kan immers slechts doorlopen na het vonnis als er een bevel gevangenhouding of gevangenneming is bevolen.

Het hof zal de advocaat-generaal derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot opheffing van het geschorste bevel bewaring.

Met betrekking tot de vordering gevangenhouding overweegt het hof dat artikel 75 lid 1 tweede volzin Sv, artikel 65 lid 1 Sv niet van overeenkomstige toepassing verklaart voor de fase van het hoger beroep, en de wet derhalve geen rechtsingang biedt om in een situatie als de onderhavige de gevangenhouding te gelasten van een verdachte.

Het hof zal de advocaat-generaal derhalve ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering gevangenhouding.”

2.3

Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- artikel 64 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste veertien dagen, welke ingaat op het ogenblik der tenuitvoerlegging.”

- artikel 65 lid 1 Sv:

“De rechtbank kan, op de vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt. De verdachte wordt voorafgaand aan het bevel gehoord, tenzij hij schriftelijk heeft verklaard afstand te doen van het recht te worden gehoord. De rechtbank of de voorzitter kan, niettegenstaande een dergelijke verklaring, de medebrenging van de verdachte bevelen.”

- artikel 66 leden 1 en 2 Sv:

“1. Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van ten hoogste negentig dagen, welke ingaat op het ogenblik der tenuitvoerlegging.

2. Wanneer het bevel is gegeven op de terechtzitting, dan wel binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn het onderzoek is aangevangen, blijft het bevel van kracht totdat zestig dagen na de dag van de einduitspraak zijn verstreken.”

- artikel 72 leden 3 en 4 Sv:

“3. Bij alle einduitspraken wordt - behoudens het bepaalde in het zesde lid en artikel 17, tweede lid - het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd.

4. Indien de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf die van de reeds ondergane voorlopige hechtenis met minder dan zestig dagen overtreft en geen maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 69, bij de einduitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.”

- artikel 75 lid 1 Sv:

“Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel verlenging daarvan gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. De artikelen 65, tweede lid, 66, tweede lid, en 67 tot en met 69, zijn op deze bevelen van overeenkomstige toepassing. Een op artikel 67 gegrond bevel kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.”

- artikel 86 lid 1 Sv, welke bepaling is opgenomen in paragraaf 4, ‘schorsing der voorloopige hechtenis’:

“Alle rechterlijke beslissingen ingevolge deze paragraaf worden genomen door de rechter die - hetzij in eerste aanleg, hetzij in hoger beroep - bevoegd is de voorlopige hechtenis te bevelen of op te heffen, dan wel over het verlengen van de duur daarvan te beslissen.”

2.4.1

Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een geschorst bevel bewaring van rechtswege eindigt op de dag na het vonnis van de rechtbank.

2.4.2

Over de beëindiging van de voorlopige hechtenis in verband met de einduitspraak in eerste aanleg bepaalt de wet slechts dat de rechtbank “een bevel tot voorlopige hechtenis”, dus ook een geschorst bevel tot bewaring, dient op te heffen in de gevallen als bedoeld in artikel 72 lid 3 en lid 4 Sv. Het oordeel van het hof dat een geschorst bevel tot bewaring als zodanig van rechtswege eindigt op de dag na het vonnis, strookt daarmee niet.

2.4.3

Het middel klaagt daarover terecht.

2.5.1

Het cassatiemiddel klaagt voorts over het oordeel van het hof dat de wet geen rechtsingang biedt om de gevangenhouding te gelasten in het geval dat de verdachte zich in bewaring bevindt na aantekening van beroep tegen de einduitspraak.

2.5.2

Uit het wettelijk stelsel vloeit als uitgangspunt voort dat na het instellen van hoger beroep de hoger beroepsrechter de bevoegde instantie is met betrekking tot beslissingen over de voorlopige hechtenis, dus ook over de opheffing van een schorsing van de bewaring. Artikel 75 lid 1 Sv bepaalt, in overeenstemming met het zojuist genoemde uitgangspunt, dat bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel de verlenging daarvan na de aantekening van beroep tegen de einduitspraak worden gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. Uit deze bepaling volgt daarom dat de rechter in hoogste feitelijke aanleg een bevel gevangenhouding kan geven, ook in het uitzonderlijke geval dat een verdachte zich in dit stadium in bewaring bevindt. De omstandigheid dat artikel 75 lid 1 Sv niet artikel 65 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing verklaart, maakt dit niet anders. In het geval de bewaring van de verdachte is geschorst, heft het hof deze schorsing op alvorens het bevel tot gevangenhouding te geven, omdat uit artikel 65 lid 1 Sv volgt dat alleen van een verdachte die zich in bewaring bevindt de gevangenhouding kan worden bevolen.

2.5.3

Ook deze klacht is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 april 2021.