Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:511

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
19/04233
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:4781
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1124
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Diefstal van elektriciteit d.m.v. verbreking t.b.v. hennepkwekerij, art. 311.1.5 Sr). Bewijsklacht. Indien aantreffen van hennepkwekerij gepaard gaat met aantreffen van aanwijzingen dat elektriciteit die wordt gebruikt voor die kwekerij ‘buiten meter om’ wordt afgenomen en verdachte op die grond (ook) diefstal van elektriciteit wordt verweten, verdient diefstal zelfstandige aandacht in bewijsvoering. Betrokkenheid van verdachte bij hennepteelt brengt op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig maakt aan opzettelijk wegnemen van daarbij gebruikte elektriciteit (vgl. HR:2018:390). Bij die bewijsvoering kan o.m. van belang zijn dat onder ‘wegnemen’ van goed ex art. 310 Sr moet worden verstaan het zich verschaffen van feitelijke heerschappij over goed dan wel het aan de feitelijke heerschappij van rechthebbende onttrekken van dat goed. Elektriciteit wordt in deze zin pas ‘weggenomen’ door verbruik ervan door apparaten of installaties die zijn aangesloten op elektriciteitsnet (vgl. HR:2015:3361). Dat als algemeen uitgangspunt kan gelden dat rechthebbende weet wat zich in zijn pand bevindt dan wel wat zich daar afspeelt, volstaat doorgaans niet voor bewijs van opzettelijk wegnemen van elektriciteit. Wel kunnen concrete gedragingen van verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij die teelt blijkt en omstandigheden waaronder die teelt plaatsvond, meebrengen dat (het niet anders kan zijn dan dat) verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit (vgl. HR:2019:554). Diefstal met verbreking kan niet z.m. worden afgeleid uit gebruikte bewijsvoering. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/04229 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04233

Datum 20 april 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 september 2019, nummer 23-003067-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij, kort gezegd, opzettelijk handelde in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (het telen van hennepplanten) en onder 2 dat:

“hij in de periode van 19 augustus 2015 tot en met 28 september 2015 te [plaats] , gemeente [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander, waarbij de verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”

2.2.2

Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2019.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik was betrokken bij de hennepkwekerij. Ik wist dat er elektriciteit werd gestolen.

2. Een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij met nummer PL1100-2015213950-1 van 21 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Aanleiding onderzoek:

Op maandag 31 augustus 2015 stelden wij naar aanleiding van:

- een MMA melding, d.d. 10 september 2015, dat er hennep wordt geteeld in het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te [plaats] . Er wordt in dit pand geen activiteit waargenomen, er hangt een sterke hennepgeur en de ramen zijn altijd beslagen;

- een rapport warmtemeting extern, d.d. 23 september 2015, meetperiode van 23-09-2015 tot en met 28-09-2015. In het rapport is te zien dat het energieverbruik van 10.00 tot 22.00 uur flink omhoog schiet;

- collega [verbalisant 4] ( […] ), is bij het onderzoek naar een inbraak op de [a-straat 2] te [plaats] , aangesproken door een man die verklaarde dat er vaker een sterke en karakteriserende lucht van hennep werd waargenomen en dat de ruiten van [a-straat 1] waren beslagen van binnen danwel condens bevatte,

een onderzoek in op bedrijfspand, [a-straat 1] , om vast te stellen of deze informatie kon worden bevestigd. Hierbij bleek dat collega ’s onder andere met behulp van een warmtebeeld camera onderzoek hebben gedaan bij het bedrijfspand gelegen op de [a-straat 1] te [plaats] . Hier hebben zij positieve warmte metingen bevonden. Tevens kreeg de helikopter met warmtebeeld camera een positieve warmte meting.

Op 15 oktober 2015 is binnengetreden in het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te [plaats] . Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij aanwezig was, waarvan de planten kennelijk waren geoogst.

Na een kort onderzoek in het bedrijfspand bleek dat er in ruimte A en B een hennepkwekerij zonder hennepplanten aanwezig was. Wij zagen hat ruimte A en B waren ingericht als professionele hennepkwekerij.

De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door de fraude-inspecteur werkzaam bij de netwerkbeheerder Liander, in aanwezigheid van verbalisanten. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat, door het verbreken van de zegels er toegang is verkregen tot de hoofdzekeringskast. Er is vervolgens een elektrische aansluiting gemaakt buiten de stroommeter om. De weggenomen elektriciteit werd gebruikt voor de hennepkwekerij. Wij zagen dat er vanuit de meterkast een elektriciteitskabel was aangebracht die vervolgens via het trapgat naar de eerste verdieping ging.

3. Een geschrift, zijnde huurovereenkomst kantoorruimte tussen [betrokkene 1] en [A] ondertekent op 19 maart 2015.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ondergetekenden

[betrokkene 1] (...), hierna te noemen ‘verhuurder', en

[A] (...) rechtsgeldig vertegenwoordigd door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] en wonende aan de [b-straat 1] , [plaats] , hierna te noemen ‘huurder’, zijn overeengekomen

Het gehuurde, bestemming

1.1.

Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder de bedrijfsunit met kantoorruimte, hier ‘het gehuurde’ genoemd, gelegen aan de [a-straat 1] , [plaats] (...).

Duur, verlenging en opzegging

3.1.

Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 2 jaar, ingaande op 16 maart 2015 en lopende tot en met 15 maart 2017.

(...)

Aldus opgemaakt en ondertekend in tweevoud

Plaats: [plaats] Plaats: [plaats]

Datum 19-03-2015 datum: 19-03-2015

Handtekening verhuurder handtekening huurder

4. Een geschrift, aangifteformulier diefstal energie van 23 oktober 2015 betreffende de onderneming Liander, gevestigd te Duiven.

Dit formulier houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als verklaring van [betrokkene 2] , in dienstbetrekking als administratief medewerker bij Liander N.V.:

Namens Liander N.V. ben ik uit hoofde van mijn functie bevoegd om aangifte te doen bij de politie.

Liander heeft vanaf 17 april 2014 met een persoon/bedrijf genaamd [A] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar het perceel [a-straat 1] , te [plaats] .

De fraudespecialist M02 constateerde op 15 oktober 2015 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie in voornoemd perceel en trof het volgende aan.

De eerder genoemde fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Hij zag namelijk dat er geen zegels meer aanwezig waren. Nadat hij het deksel van de aansluitkast had verwijderd zag hij dat aan de bovenzijde van de zekeringshouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag namelijk dat er een extra aansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit.

Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel in ieder geval in de periode 26 mei 2015 tot en met 15 oktober 2015.

Niemand had het recht of de toestemming van Liander N.V. om het zegel te verbreken of wijziging in de bedrading aan te brengen. Niemand is gerechtigd de elektra, zijnde eigendom van Liander N.V. op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen.”

2.2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaringen verder het volgende overwogen:

“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het telen van de hennepplanten en dat ‘slechts’ het aanwezig hebben van de hennepplanten bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft immers slechts aan anderen een ruimte ter beschikking gesteld voor hennepteelt, waarmee hij verder geen bemoeienis heeft gehad. Er dient geen acht te worden geslagen op de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring waarin hij heeft verklaard zelfstandig de hennepkwekerij te zijn gestart en de daaruit verkregen hennep te hebben verkocht. De verdachte heeft deze verklaring afgelegd zonder een advocaat te hebben kunnen consulteren en uit het verhoor blijkt dat de politie zelf ook twijfelt aan de verklaring van de verdachte dat hij alles alleen heeft gedaan. Bovendien zijn er onderzoeksbevindingen die duiden op de betrokkenheid van anderen. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde diefstal van elektriciteit, nu geen uitvoeringshandelingen van de verdachte zijn gebleken.

Het hof overweegt als volgt.

De hennepplantage is aangetroffen in een deel van een door de verdachte gehuurde ruimte. De verdachte wist van de kwekerij en de diefstal van de elektriciteit. Hij heeft dit ter terechtzitting in hoger beroep andermaal verklaard. De verdachte heeft een scenario geschetst waarin anderen de kwekerij exploiteerden en de elektriciteit hebben afgetapt en waarin zijn rol beperkt was tot het ter beschikking stellen van de ruimte. Deze verklaring is evenwel niet nader onderbouwd. De verdachte heeft geen namen of andere concrete gegevens van die anderen verstrekt. Het feit dat uit observaties is gebleken dat andere personen in het pand aanwezig zijn geweest is onvoldoende om daadwerkelijke betrokkenheid van die personen bij de hennepkwekerij in de strafrechtelijke zin van medeplegen aan te nemen. Dit een en ander neemt niet weg dat de verdachte assistentie kan hebben ingeschakeld bij het opzetten van de kwekerij, bijvoorbeeld omdat hij door een schouderblessure niet tot zwaar werk in staat was. Zijn (hoofd-)rol wordt hierdoor evenwel niet anders.

Gelet op het bovenstaande moet ervan worden uitgegaan dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde teelt schuldig heeft gemaakt. Er is onvoldoende bewijs dat een of meer anderen een substantiële bijdrage aan de hennepteelt hebben geleverd, zodat hij van het medeplegen van de ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken.”

2.3

Naar aanleiding van het aantreffen van een hennepkwekerij in een bedrijfspand dat is gehuurd door een eenmanszaak van de verdachte, heeft het hof niet alleen ten laste van de verdachte bewezenverklaard het als pleger opzettelijk telen van hennep maar ook het als pleger wederrechtelijk wegnemen van elektriciteit met verbreking. Deze diefstal met verbreking kan echter niet zonder meer worden afgeleid uit de gebruikte bewijsvoering. Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

2.4

In gevallen als het onderhavige, waarin het aantreffen van een hennepkwekerij gepaard gaat met het aantreffen van aanwijzingen dat de elektriciteit die wordt gebruikt voor die kwekerij, kort gezegd, ‘buiten de meter om’ wordt afgenomen, en de verdachte op die grond (ook) de diefstal van elektriciteit wordt verweten, verdient die diefstal zelfstandige aandacht in de bewijsvoering. De betrokkenheid van de verdachte bij de teelt van hennep brengt immers op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig maakt aan het opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit (vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390). Bij die bewijsvoering kan onder meer het volgende van belang zijn. Onder ‘wegnemen’ van een goed als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het zich verschaffen van de feitelijke heerschappij over het goed dan wel het aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrekken van dat goed. Elektriciteit wordt in deze zin pas ‘weggenomen’ door het verbruik ervan door apparaten of installaties die zijn aangesloten op het elektriciteitsnet (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3361). Dat als algemeen uitgangspunt kan gelden dat een rechthebbende weet wat zich in zijn pand bevindt dan wel wat zich daar afspeelt, volstaat doorgaans niet voor het bewijs van het opzettelijk wegnemen van de elektriciteit. Wel kunnen concrete gedragingen van de verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij die teelt blijkt en de omstandigheden waaronder die teelt plaatsvond, meebrengen dat (het niet anders kan zijn dan dat) de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit (vgl. HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554).

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021.