Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:504

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
20/00859
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:950
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2020:236
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 4, lid 3, letter b, WBR. Fictieve onroerende zaken. Belang in de rechtspersoon. Verkrijging van alleen de juridische eigendom van alle aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/858
FutD 2021-1152 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 09-04-2021
NTFR 2021/1245 met annotatie van Mr. D.C. Simonis
V-N 2021/17.13 met annotatie van Redactie
Fiscoloog 2021-0130
NLF 2021/0790 met annotatie van Yves Gassler
FED 2021/75 met annotatie van G.G.M. Snoeks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/00859

Datum 9 april 2021

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] MBH te [Z], Duitsland, (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 januari 2020, nrs. 19/00138, 19/00139, 19/00140 en 19/00141, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/3432, 17/3433, 17/3435 en 17/3437) betreffende vier door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.H. Germann en J. Ariës, heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 oktober 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende treedt op als beheerder van een Sondervermögen, dat naar Duits recht wordt aangemerkt als een afgescheiden vermogen zonder rechtspersoonlijkheid. Door deelname aan dit door belanghebbende beheerde Sondervermögen wordt belegd in onroerende zaken.

2.1.2

In 2015 heeft belanghebbende voor rekening en risico van de deelnemers aan het Sondervermögen alle aandelen verkregen in drie Nederlandse onroerendezaakrechtspersonen (hierna: de OZ-aandelen) als bedoeld in artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).

2.1.3

Ter zake van de verkrijgingen van de OZ-aandelen heeft belanghebbende op aangifte overdrachtsbelasting voldaan.

2.2

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende ter zake van de verkrijgingen van de OZ-aandelen overdrachtsbelasting is verschuldigd.

2.3

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende met de verkrijgingen van de OZ-aandelen niet een belang als bedoeld in artikel 4, lid 3, letter b, WBR bij de rechtspersonen heeft verkregen, zodat belanghebbende geen overdrachtsbelasting over die verkrijgingen verschuldigd is. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat de wetgever met het begrip ‘belang’ in artikel 4, lid 3, letter b, WBR aan een materieel begrip heeft gedacht waarvan de invulling afhankelijk is van feiten en omstandigheden die zich voordoen in het desbetreffende geval. In dit geval heeft belanghebbende de juridische eigendom van de aandelen in de rechtspersonen verkregen maar kan zij geen aanspraak maken op de opbrengsten van die aandelen en zijn die aandelen niet tot haar vermogen gaan behoren maar daarvan afgezonderd. De eigendomsrechten van belanghebbende zijn zo beperkt dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende een belang heeft bij die OZ-aandelen, aldus het Hof.

2.4.

Het middel komt op tegen dit oordeel van het Hof. Het betoogt in de eerste plaats dat het Hof het begrip ‘belang’ verkeerd heeft uitgelegd. Het gaat er bij de uitleg van dit begrip volgens het middel alleen maar om of de verworven aandelen in economische zin recht geven op een derde deel van de onroerende zaken van de verworven rechtspersoon. Niet van belang is volgens het middel of de verkrijger van de OZ-aandelen in economische zin slechts een beperkt belang bij die aandelen heeft verkregen. In de tweede plaats betoogt het middel dat het Hof heeft miskend dat volgens de artikelen 2 en 4 WBR zowel verkrijging van de juridische eigendom als verkrijging van de economische eigendom is belast. Omdat vaststaat dat belanghebbende de juridische eigendom van de OZ-aandelen heeft verkregen, doet het er niet toe dat het economische belang bij die aandelen is komen te berusten bij de participanten in het Sondervermögen, aldus het middel.

2.5.1

Het belastbare feit voor de overdrachtsbelasting is de verkrijging van de juridische of de economische eigendom van in Nederland gelegen onroerende zaken (artikel 2, leden 1 en 2, WBR). In artikel 4 WBR wordt een uitbreiding gegeven aan het begrip onroerende zaken die bewerkstelligt dat onder omstandigheden ook overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van aandelen in zogenoemde onroerendezaakrechtspersonen. Artikel 4 WBR bevat geen zelfstandige omschrijving van het belastbare feit. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat als belastbaar feit niet zou moeten worden aangemerkt de verkrijging van (uitsluitend) de juridische eigendom van OZ-aandelen.

2.5.2

De wetgever heeft bij de invoering van artikel 4 WBR beoogd alleen die verkrijgingen van OZ-aandelen binnen het bereik van de wet te brengen, waarbij de verkrijger een zodanig aandelenpakket verwerft dat van een wezenlijke zeggenschap in de rechtspersoon kan worden gesproken.2 Vanuit die bedoeling is steeds in artikel 4 WBR een begrenzing opgenomen van de gevallen waarin een verkrijging van OZ-aandelen ook daadwerkelijk zou leiden tot heffing, welke begrenzing uitsluitend zag op de omvang van het verkregen aandelenpakket. Het begrip ‘belang’ is als basis voor die begrenzing in 2008 in artikel 4, lid 3, WBR opgenomen ter vervanging van het eerder daarin gebruikte begrip ‘geplaatste kapitaal’. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze wetswijziging blijkt dat zij ertoe strekte om constructies te bestrijden bestaande uit de uitgifte en vervreemding van soortaandelen waarvan de verschillende soorten aandelen niet een gelijk belang in de onroerende zaken van de onroerendezaakrechtspersoon vertegenwoordigden.3 Uit de totstandkomingsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat het tevens de bedoeling is geweest om het begrip ‘verkrijging’ in die zin te beperken dat belasting niet wordt geheven ter zake van het verkrijgen van uitsluitend de juridische eigendom.4 De opmerking in de wetsgeschiedenis dat in artikel 4, lid 3, WBR met het begrip ‘belang’ tot uitdrukking wordt gebracht dat met de verkrijging van de aandelen een materieel, daadwerkelijk economisch belang in de rechtspersoon wordt verkregen5, dwingt niet tot een ander oordeel. Er is geen reden te veronderstellen dat met de hiervoor bedoelde begrenzing in artikel 4 WBR iets anders is bedoeld dan dat het verkregen aandelenpakket een wezenlijke zeggenschap in de rechtspersoon vertegenwoordigt.

2.6

Uit het voorgaande volgt dat het middel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraken van het Hof en de Rechtbank moeten worden vernietigd en het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep moet ongegrond worden verklaard.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en

- verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2020.

1 ECLI:NL:PHR:2020:950.

2 Kamerstukken II, 1969/70, 10 560, nr. 12.

3 Kamerstukken II, 2007/08, 31 206, nr. 3, blz. 41-43.

4 Vgl. Kamerstukken II, 2000/01, 27 030, nr. 6, blz. 2-4.

5 Kamerstukken II, 2007/08, 31206, nr. 6, blz. 14.