Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:438

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
19/04666
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:287
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Brandstichting in kelder van café in Ravenstein, art. 157.1 en 157.2 Sr. 1. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof volstaan met constatering dat sprake is van overschrijding van redelijke termijn? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft vanwege totale duur van berechting in 2 instanties van minder dan 3 jaren, geoordeeld dat t.a.v. overschrijding van redelijke termijn in h.b. met ruim 9 maanden kan worden volstaan met enkele constatering dat er sprake is van overschrijding van redelijke termijn. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk. Bijzondere omstandigheden kunnen weliswaar rechtvaardigen dat wordt volstaan met vaststelling dat redelijke termijn in bepaalde fase van strafproces is overschreden. Omstandigheid dat uit totale duur van berechting in 2 instanties blijkt dat overigens voldoende voortvarend is gehandeld bij afdoening van strafzaak, kan echter niet als zodanige bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Ook inzendtermijn in cassatiefase is overschreden. HR vermindert opgelegde gevangenisstraf met 7 maanden.

Ad 2. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04666

Datum 23 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 oktober 2019, nummer 20/002774-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

2 Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel

2.1

Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in hoger beroep is overschreden. Het derde cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

2.2

Het eerste cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 tot en met 9.

2.3

Ook het derde cassatiemiddel slaagt. Een en ander moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

3.2

Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.

3.3

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;

- vermindert de duur van deze gevangenisstraf in die zin dat deze vijf jaren en vijf maanden beloopt;

- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2021.