Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:429

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/03329
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:26
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:683
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ondervragingsrecht, art. 6.3.d EVRM. Deelname aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr), medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 en 225.2 Sr), medeplegen diefstal (art. 311.1.4 Sr) en medeplegen (poging tot) oplichting (art. 326.1 Sr) 1. Heeft voor verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van medeverdachte bestaan, nu ondervraging heeft plaatsgevonden i.h.k.v. ontnemingszaak? 2. Steunt bewezenverklaring in beslissende mate op verklaring van deze medeverdachte?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1017 en ECLI:NL:HR:2017:1016 m.b.t. ondervragingsrecht en gebruik van verklaring van getuige voor bewijs als behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken. V.zv. middel klaagt dat hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van medeverdachte heeft bestaan, gaat het uit van een onjuiste lezing van ’s hofs overwegingen. Hof heeft overwogen dat “ondervragingsrecht weliswaar niet ten volle is uitgeoefend, maar dat er feitelijk gezien wel uitvoering en invulling aan is gegeven” doordat medeverdachte in zowel strafzaak als ontnemingszaak heeft verklaard te blijven bij verklaringen die hij in e.a. heeft afgelegd, en verhoor van medeverdachte in ontnemingszaak zich ook heeft uitgestrekt tot betrokkenheid van hem en van verdachte bij diverse zaaksdossiers. Op grond daarvan heeft hof geoordeeld dat verdediging “in zekere mate in staat is geweest” verklaring van medeverdachte te toetsen en dat “mogelijkheid tot ondervraging [niet] volledig heeft ontbroken”. Aan oordeel dat gebruik van verklaring van medeverdachte voor bewijs in overeenstemming is met recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, heeft hof daarnaast ten grondslag gelegd dat die verklaring op door verdachte betwiste en hem belastende onderdelen steun vindt in andere b.m. Hiermee heeft hof tot uitdrukking gebracht dat uitoefening van ondervragingsrecht met zekere beperkingen gepaard is gegaan. Hof is dan ook niet enkel op grond dat een mogelijkheid tot ondervraging heeft bestaan, tot oordeel gekomen dat gebruik van verklaring van medeverdachte voor het bewijs in overeenstemming is met recht op een eerlijk proces a.b.i. in art. 6 EVRM. Overwegingen hof strekken er daarentegen toe dat omstandigheid dat verdediging in de met onderhavige strafzaak samenhangende ontnemingszaak wel enige vragen heeft kunnen stellen die relevant zijn voor bewijs van betrokkenheid van verdachte bij de in strafzaak bewezenverklaarde feiten, naast aanwezigheid van steunbewijs een relevante factor is bij toetsing art. 6 EVRM.

Ad 2. ’s Hofs oordeel dat gelet op door hof voor bewijs van betrokkenheid van verdachte aangenomen f&o, in onderlinge samenhang beschouwd, de door verdachte betwiste verklaring van medeverdachte voldoende steun vindt in andere b.m., geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Volgt verwerping. Samenhang met ECLI:NL:HR:2021:324 (strafzaak tegen medeverdachte).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0072 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/995
RvdW 2021/382
NJ 2021/210 met annotatie van W.H. Vellinga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03329

Datum 23 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2019, nummer 21-006035-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 1] voor het bewijs verenigbaar is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en voert daartoe onder meer aan dat een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van [medeverdachte 1] heeft ontbroken, en dat de bewezenverklaring in beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 1] rust.

2.2.1

Kort gezegd is de verdachte veroordeeld ter zake van de volgende feiten:

- 1: deelname aan een criminele organisatie;

- 2A: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- 2B: medeplegen van het gebruik maken van een vervalst geschrift;

- 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

- 4A: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

- 4B: medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd;

- 4C: medeplegen van poging tot oplichting.

2.2.2

Het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank houdt onder meer het volgende in met betrekking tot de bewijsvoering:

“De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Bij haar overwegingen ter zake de ten laste gelegde feiten zal de rechtbank ten behoeve van de leesbaarheid van haar vonnis niet de volgorde van de tenlastelegging volgen.

Feit 3

Diefstal van post

Op 10 juni 2013 heeft [betrokkene 10] namens Koninklijke TNT Post B.V. aangifte gedaan van oplichting en valsheid in geschrifte. Aangever heeft verklaard dat de afdeling verhuisservice van PostNL in mei 2013 erop wees dat er veel onrechtmatige verhuisberichten dan wel (tijdelijke) doorzendingen van post werden aangevraagd. Door verschillende klanten was aangegeven dat zij een bericht hadden ontvangen dat hun post doorgestuurd zou worden naar een nieuw adres, terwijl deze klanten daartoe geen verzoek hadden ingediend. Er zijn 67 meldingen ontvangen van klanten voor wie op onterechte wijze een verzoek was ingediend om hun post door te sturen. De klanten wonen door het hele land. In alle gevallen moest de post doorgestuurd worden naar adressen in Almere. De valse aanvragen zijn alle ingediend vanaf de volgende e-mailadressen: [e-mailadres 1], [e-mailadres 2], [e-mailadres 3], [e-mailadres 4] en [e-mailadres 5]. De valse aanvragen zijn uitsluitend gedaan vanaf computers met de volgende twee IP adressen: [001] en [002].

Op 16 mei 2013 heeft [betrokkene 1] aangifte gedaan dat hij op 19 april 2013 van PostNL een brief ontving waarin stond dat hij verhuisservice zou hebben aangevraagd. Dit had hij niet. PostNL heeft aangegeven dat er voor [betrokkene 1] postdoorzendservice is geweest van 10 april 2013 tot 10 mei 2013.

Op 10 juli 2013 heeft [betrokkene 7] aangifte gedaan. Aangever heeft verklaard dat hij post mist en dan met name bankafschriften. In zijn brievenbus lag een hoge stapel reclamefolders; daarbovenop lag zijn overige post.

[betrokkene 3] heeft op 20 augustus 2012 aangifte gedaan dat hij toen hij op 12 augustus 2012 terugkwam van vakantie veel post miste. In zijn brievenbus lag alleen reclamemateriaal en geen zakelijke post. Er lag geen enkel poststuk van de bank of iets dergelijks in zijn brievenbus.

Op 11 mei 2013 heeft [betrokkene 2] aangifte gedaan en verklaard dat zij regelmatig post later ontving of helemaal niet. Aangeefster, die in Amsterdam woont, heeft voorts verklaard dat zij via de ING bank heeft ontdekt dat haar post naar de [b-straat 1] in Almere werd toegestuurd. Op haar bankafschrift van 16 april 2013 staat nog haar eigen adres, maar op een bankafschrift van 21 mei 2013 staat het adres van de [b-straat]. Ook ontving zij vaak post een week later dan dat de post verstuurd was en was alle post die zij in haar brievenbus vond al opengemaakt. Soms waren de enveloppen weer dicht geplakt.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zowel verdachte [verdachte] als hijzelf verhuisservice hebben aangevraagd voor diverse personen, waaronder ook voornoemde aangevers. Via Funda werd naar leegstaande huizen gezocht waarvan ze het adres konden opgeven als zijnde het nieuw adres van de slachtoffers. In sommige gevallen heeft verdachte de bevestiging van de verhuisservice uit de brievenbus van de slachtoffers gevist. Medeverdachte [medeverdachte 1] was er soms bij als verdachte dat deed. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij en verdachte soms ook enveloppen weer dicht plakten opdat de slachtoffers niet in de gaten kregen dat hun post geopend was geweest. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat hij en verdachte met behulp van stokjes of bepaald keukengerei post uit brievenbussen hengelden.

Bij een doorzoeking zijn bij medeverdachte [medeverdachte 1] diverse goederen aangetroffen, zoals een Pritt-stift en een correctieroller. Bij een doorzoeking van de auto en de woning van verdachte zijn diverse goederen aangetroffen. In de auto van verdachte lagen Pritt-stiften, een bamboetang en stokjes. In zijn woning zijn ook verschillende grijpwerktuigen aangetroffen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij deze goederen allemaal voor barbecueën gebruikt niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] en in aanmerking nemende dat een deel van die goederen in zijn auto zijn aangetroffen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] heeft benaderd en dat hij hem mondeling of via elektronische communicatie opdrachten gaf welke post hij moest onderscheppen. Verdachte wist volgens medeverdachte [medeverdachte 1] dat er post door [medeverdachte 2] werd onderschept.

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte post heeft gestolen van [betrokkene 4] en van [betrokkene 8]. Zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 8] hebben geen aangifte gedaan van diefstal van post dan wel dat zij post vermissen. Ook anderszins is dit niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat verdachte post van [betrokkene 11] gestolen heeft.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van post.

Feit 4A

Oplichting

[betrokkene 1]

Op 16 mei 2013 heeft [betrokkene 1] aangifte gedaan van oplichting van het totaalbedrag van € 9.591,01. Aangever heeft verklaard dat hij op 29 maart 2013 werd gebeld door een vrouw die zich voordeed als medewerkster van de ING bank. Op 5 april 2013 werd aangever wederom gebeld, dit keer door een man, die aangever om gegevens van de overleden vrouw van aangever vroeg voor het aanvragen van een creditcard. Van de ING bank heeft aangever begrepen dat er twee creditcards zijn aangevraagd; een op zijn naam en een op de naam van zijn overleden vrouw. Aangever wist niets van deze aanvragen. Van de creditcards die op naam van aangever en zijn overleden vrouw zijn geopend, zijn verschillende bedragen afgeschreven. Op 10 mei 2013 werd aangever door [betrokkene 12] van International Card Services (ICS) gebeld. Hem werd medegedeeld dat iemand had geprobeerd de Visacard van de ANWB om te zetten naar een Gold Card. [betrokkene 12] vertelde aangever dat hij de aanvraag niet vertrouwde en de persoon die de aanvraag deed heeft gevraagd om 0,01 euro cent over te maken. Dit is toen niet gelukt via de saldolijn.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte toegang tot de saldolijn van [betrokkene 1] heeft aangevraagd en dat hij op naam van [betrokkene 1] en zijn vrouw twee creditcards heeft aangevraagd bij de ING bank. Met die creditcards is geld opgenomen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij eerst € 1.000,00 heeft gepind en dat hij de creditcard vervolgens aan verdachte heeft gegeven waarna er nog € 3.500,00 mee is gepind. Het geld hebben ze, volgens medeverdachte [medeverdachte 1], verdeeld.

Uit onderzoek is gebleken dat de telefoon van verdachte ([telefoonnummer 1]) op 8 mei 2013 en op 10 mei 2013 zendmasten heeft aangestraald in de buurt van de pinautomaten waar geld is opgenomen van de rekening van [betrokkene 5], omstreeks het tijdstip dat daar geld is opgenomen. Geld van de rekening van [betrokkene 1] was overgeboekt naar de rekening van [betrokkene 5].

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij op 18 mei 2013 bij [betrokkene 1] in Tilburg aan de deur is geweest waar hij zich heeft voorgedaan als bezorger van PostNL. Hij was daar samen met verdachte naar toegereden. Getuige [betrokkene 13] heeft verklaard dat op 18 mei 2013 rond lunchtijd bij haar buurman [betrokkene 1] een man aan de deur is geweest die zich voordeed als postbezorger. Zij vertrouwde dit niet en heeft de man weggejaagd en een foto van hem gemaakt. Op de foto is medeverdachte [medeverdachte 1] herkenbaar. Hij draagt op de foto een tas van het merk Adidas. Bij een doorzoeking in de schuur van verdachte is een tas die precies op de tas lijkt die medeverdachte [medeverdachte 1] om had toen hij bij [betrokkene 1] aan de deur was aangetroffen.

Uit de verkeersgegevens van de telefoon van verdachte ([telefoonnummer 1]) is gebleken dat deze op 18 mei 2013 omstreeks 13.17 uur een telefoonmast heeft aangestraald in Tilburg. Deze telefoonmast staat in de buurt van de woning van [betrokkene 1].

[betrokkene 2]

Op 11 mei 2013 heeft [betrokkene 2] aangifte gedaan van oplichting van het totaalbedrag van € 4.099,00. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 16 mei 2013 naar haar saldo via internetbankieren keek, nadat zij op 10 mei 2013 voor het laatst op haar saldo had gekeken. Aangeefster zag dat er allerlei voor haar onbekende bedragen van haar rekening waren afgeschreven. De bedragen waren via een saldolijn naar voor haar onbekende bankrekeningnummers overgeschreven. Toen aangeefster hierover contact met de ING bank opnam kreeg zij te horen dat zij in het bezit zou zijn van een saldolijn dan wel een saldolijn zou hebben geactiveerd. Aangeefster heeft nooit een saldolijn geopend. Aangeefster heeft een nieuwe bankpas ontvangen van ING bank. Aangeefster heeft via haar nichtje, die contact had opgenomen met de ING, gehoord dat haar nieuwe bankpas al veel eerder toegestuurd was dan het moment dat zij de bankpas had ontvangen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte een creditcard heeft aangevraagd op naam van [betrokkene 2]. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] gebruikten in hun (elektronische) communicatie veel codetaal; “Tiger” was [betrokkene 2]. Uit onderzoek is gebleken dat aangeefster, op de dagen waarvan zij heeft aangegeven dat zij door een medewerker van ING bank was gebeld die allerlei gegevens van haar wilde weten, is gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. De simkaart van dit nummer heeft in verschillende telefoons van zowel verdachte als van medeverdachte [medeverdachte 1] gezeten.

Uit onderzoek naar de verschillende afschrijvingen van de ING-rekening van [betrokkene 2] is gebleken dat met dat geld onder meer een Rolex-horloge en een aantal Iphone’s zijn gekocht. Bij die bestellingen is het telefoonnummer [telefoonnummer 3] opgegeven als contactnummer. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij en verdachte dit nummer hebben gebruikt.

Ook is gebleken dat op naam van [betrokkene 2] meerdere pakketjes zijn afgeleverd bij pakketdienst “[B]”. Het laatste pakketje dat bij "[B]” is afgegeven bevatte 6 Ipads mini die bij [C] gekocht waren. Uit een telefoongesprek van verdachte dat is afgeluisterd blijkt dat verdachte 6 Ipads mini in zijn bezit heeft gehad en heeft verkocht. De koper van deze Ipads mini heeft verdachte herkend als de persoon waarvan hij de Ipads mini heeft gekocht.

[betrokkene 7] en [betrokkene 8]

Op 28 juni 2013 heeft [betrokkene 7] telefonisch aangifte gedaan van oplichting nadat er iemand was aangehouden die in het bezit was van een op zijn naam gestelde creditcard van de Rabobank. Aangever heeft verklaard dat hij ongeveer 4 maanden eerder door de ING bank en Rabobank was benaderd dat iemand met zijn gegevens een creditcard had aangevraagd.

Op 10 juli 2013 heeft [betrokkene 7] aangifte gedaan van oplichting van het totaalbedrag van € 5.335,14 bij ING bank en € 2.508,00 bij de Rabobank. Aangever heeft verklaard dat door zowel de ING bank als door de Rabobank creditcards op zijn naam zijn uitgegeven die hij niet heeft aangevraagd. Aangever werd in maart 2013 door een medewerker van de Rabobank gebeld en hem werden verificatievragen gesteld. De bank deed dit omdat zij eerder was gebeld door een onbekende die zich voor aangever had uitgegeven. Van die creditcard was inmiddels al € 1.249,00 afgeschreven. In juni 2013 werd aangever wederom door de Rabobank gebeld. Een onbekende die zich voor aangever had uitgegeven had met de bank gebeld. Van die creditcard was een bedrag van € 1.259,00 afgeschreven. Aangever heeft onder de naam [D] een rekening lopen bij de Rabobank.

Op 10 juli 2013 heeft [betrokkene 8] aangifte gedaan van oplichting van het totaalbedrag van € 2.503,50. Aangeefster heeft van de politie te horen gekregen dat iemand was aangehouden die een creditcard van de ING bank in zijn bezit had die op haar naam gesteld was. Aangeefster was hier verbaasd over, omdat zij nog in het bezit is van haar eigen ING creditcard. Aangeefster heeft verklaard dat van haar rekening een bedrag van € 2.503,50 is afgeschreven. Op haar naam blijkt een ING Platina creditcard afgegeven te zijn. Aangeefster heeft die creditcard nooit aangevraagd.

Op 28 juni 2013 werd in een casino in Almere [betrokkene 6] aangehouden, omdat hij met verschillende passen geld aan het pinnen was. Hij had een pas van de Rabobank bij zich die op naam van [betrokkene 7] gesteld was en een creditcard die op naam van [betrokkene 8] gesteld was. Uit onderzoek naar de telefoongegevens van [betrokkene 6] is gebleken dat hij meerdere keren telefonisch contact heeft gehad met verdachte. [betrokkene 6] en verdachte hebben ook op de dag van de aanhouding van [betrokkene 6] meerdere keren telefonisch contact gehad. In de telefoon van verdachte is het nummer van de telefoon van [betrokkene 6], die hij op de dag van zijn aanhouding bij zich had, als contact teruggevonden. Verdachte had ook een identiteitsbewijs van [betrokkene 6] in zijn bezit en is samen met [betrokkene 6] door een getuige gezien. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [betrokkene 6] familie van hem is.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op naam van [betrokkene 7] een creditcard heeft aangevraagd en dat de creditcard uit de brievenbus van [betrokkene 7] is gehengeld. Medeverdachte [medeverdachte 1] is vervolgens samen met verdachte met die creditcard gaan pinnen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij kort daarna heeft geprobeerd het rekeninglimiet van [betrokkene 7] te verhogen. Verdachte heeft bij de Rabobank een al bestaande creditcard van [betrokkene 7] als verloren opgegeven. Vervolgens is er een nieuwe creditcard aan [betrokkene 7] toegestuurd. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft die creditcard samen met verdachte uit de brievenbus van [betrokkene 7] gehengeld. [betrokkene 6] is in opdracht van verdachte met de creditcard gaan pinnen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat hij gegevens van [betrokkene 8] bij PostNL had weggehaald en dat hij met die gegevens een creditcard wilde aanvragen. Uit de aangifte van PostNL volgt dat op naam van [betrokkene 8] een adreswijziging is aangevraagd waarbij het e-mailadres [e-mailadres 1] is gebruikt. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zowel hij als verdachte gebruik hebben gemaakt van het e-mailadres [e-mailadres 1].

De adreswijzigingen zijn betaald met een creditcard op naam van [betrokkene 4]. Bij een doorzoeking in de woning van verdachte is een bibliotheekkaart aangetroffen op naam van [betrokkene 4]. Ter zitting heeft verdachte ook bekend dat hij in het bezit was van een bibliotheekkaart op naam van [betrokkene 4].

Uit hetgeen hierboven onder feit 3 bewezen is verklaard volgt dat verdachte tezamen en in vereniging post heeft gestolen van onder meer [betrokkene 8].

[betrokkene 3]

heeft op 1 mei 2013 aangifte gedaan van fraude. Aangever heeft verklaard dat hij op 2 april 2013 een brief heeft ontvangen van de ING bank waarin stond dat hij een pincode ontving voor een creditcard. Aangever had al een creditcard en had geen nieuwe pincode aangevraagd. Later heeft aangever van de ING bank vernomen dat zijn pinpas en creditcard als vermist waren opgegeven. Op 24 april 2013 ontving aangever een brief die geadresseerd was aan [betrokkene 14] waarin stond dat hij een activeringscode ontving voor een creditcard.

[betrokkene 3] heeft ook op 28 juni 2013 aangifte gedaan. Aangever heeft verklaard dat hij op 23 juni 2013 tijdens het internetbankieren zag dat er een extra creditcard bijstond die hij niet had aangevraagd. Het saldo (de rechtbank begrijpt: van betalingen) van deze creditcard stond op € 1.544,00. Op 25 juni 2013 werd aangever door de ING bank gebeld met de mededeling dat er op 22 juni 2013 een aanvraag was binnengekomen voor de ING saldolijn. Aangever had geen aanvraag ingediend voor deze faciliteit.

[betrokkene 3] heeft op 28 november 2013 wederom aangifte gedaan en verklaard dat iemand op zijn naam een rekeningnummer en een creditcard had aangevraagd en daarmee geld had opgenomen voor een totaal bedrag van € 3.132,11. In de periode van 15 april 2013 tot en met 22 april 2013 zijn met de creditcard geldopnamen en pintransacties verricht bij onder meer de ING, Bijenkorf Amsterdam, Ortel Mobile prepaid te Amersfoort, en op verschillende locaties in Almere.

Op 20 augustus 2012 heeft [betrokkene 3] aangifte gedaan van fraude dan wel oplichting. Aangever heeft verklaard dat op 16 augustus 2012 en 17 augustus 2012 tegenrekeningen zijn toegevoegd aan de beleggingsrekening die hij bij AEGON heeft. Op 17 augustus 2012 is een bedrag van € 195,06 overgeboekt van aangevers renterekening naar een nieuw toegevoegde tegenrekening. Voorts waren bij zijn klantgegevens een voor hem onbekend telefoonnummer: [telefoonnummer 4] en emailadres: [e-mailadres 1], toegevoegd.

[betrokkene 3] heeft op 5 februari 2013 aangifte gedaan van oplichting. Aangever heeft verklaard dat hij op 23 januari 2013 is gebeld door iemand die zich uitgaf als medewerker van de gemeente Almere die hem vroeg of hij brieven had ontvangen over het feit dat de identiteitskaarten van zijn kinderen waren verlopen en dat deze vernieuwd moesten worden. Vervolgens heeft aangever AEGON ingelicht over een mogelijke fraude met de rekeningen van zijn kinderen. Op 30 januari 2013 kreeg aangever bericht van AEGON dat een bedrag van € 3.164,33 van zijn ABR rekeningnummer was afgeschreven naar een tegenrekening die op naam van [betrokkene 15] te Almere stond.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte diverse keren in Almere heeft gepind met de creditcards op naam van [betrokkene 3]. In het totaal is er zeker wel tien keer gepind met deze creditcards. Het betroffen creditcards van de ING en de Rabobank. Er is voor rond € 5.000,00 van de rekening van [betrokkene 3] gepind.

Uit verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte ([telefoonnummer 1]) blijkt dat dit telefoonnummer kort na een pintransactie met één van de creditcards ten name van [betrokkene 3] een zendmast heeft aangestraald in de buurt van de pinautomaat.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij [betrokkene 3] heeft gebeld en zich voorgedaan heeft als een medewerker van de gemeente Almere. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft getracht om op deze wijze de geboortedata van de kinderen van [betrokkene 3] te achterhalen. Hij had de geboortedata nodig omdat er geld stond op een rekening van AEGON die op de naam van de kinderen van [betrokkene 3] stond.

Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat zowel hij als verdachte gebruik hebben gemaakt van het e-mailadres [e-mailadres 1] en dat dit e-mailadres ook gebruikt werd om aanvragen voor creditcards te doen. Uit de aangifte van PostNL volgt dat op naam van [betrokkene 3] meerdere keren een adreswijziging is aangevraagd waarbij het e-mailadres [e-mailadres 1] is gebruikt.

Uit hetgeen hierboven onder feit 3 bewezen is verklaard volgt dat verdachte tezamen en in vereniging post heeft gestolen van onder meer [betrokkene 3].

[A]

Op 5 augustus 2013 heeft [betrokkene 16] namens [A] aangifte gedaan. Aangever heeft verklaard dat op 27 mei 2013 [E] B.V. ([E]) een verzoek heeft ingediend om een tankpas op te sturen naar een medewerker, [betrokkene 11]. De tankpas is op 31 mei 2013 op verzoek van [A] door Multi Tank Card per post verzonden naar [betrokkene 11]. Vervolgens wordt later een pincode per post verzonden. Aangever werd op 5 juni 2013 gebeld door een persoon die zich voordeed als [betrokkene 11]. Deze persoon vroeg naar de pincode van de tankpas. Het telefoonnummer waarvan gebeld werd is [telefoonnummer 5]. De pincode van de tankpas is telefonisch verstrekt. Door de persoon die heeft gebeld is het volgende e-mailadres doorgegeven: [e-mailadres 1]. De tankpas is in de periode van 10 juni 2013 tot en met 24 juni 2013 gebruikt. In die periode is er getankt bij de benzinepomp Super Tank Almere voor een bedrag van € 2.204,87, ex. BTW. Van Multi Tank Card kwam er een melding binnen dat er afwijkend tank gedrag geconstateerd was waarna de tankpas is geblokkeerd. Op 21 juni 2013 werd aangever gebeld door een persoon die stelde [betrokkene 11] te zijn waarna de tankpas weer is geactiveerd. Op 25 juni 2013 komt er wederom een melding binnen van Multi Tank Card dat sprake is van afwijkend tank gedrag waarna de tankpas definitief is geblokkeerd. [betrokkene 11] heeft vervolgens telefonisch contact gehad met de medewerker die ook contact heeft gehad met de persoon die de pincode vroeg. Deze medewerker heeft verklaard dat [betrokkene 11] niet dezelfde stem heeft als de persoon die om de pincode heeft verzocht.

Op 28 juni 2013 heeft [betrokkene 11] aangifte gedaan. Aangever heeft verklaard dat hij een leaseauto heeft die geleased wordt van het bedrijf [A]. Aangever ontvangt via de leasemaatschappij een tankpas. Aangever had op 31 mei 2013 een nieuwe tankpas aangevraagd die met de post bezorgd zou worden. Op 6 juni 2013 wilde aangever met zijn tankpas betalen toen hij ontdekte dat deze was geblokkeerd. Op 9 juni 2013 ontving aangever een nieuwe tankpas. Op 21 juni 2013 heeft aangever contact gehad met een tussenpersoon van [E], zijn werkgever. Met de tankpas die geblokkeerd was bleek gefraudeerd te zijn. Aangever werd vervolgens door de lease maatschappij gebeld met de vraag wat hij de afgelopen tijd allemaal had gedaan met de auto. Ook werd aangever gevraagd wat zijn adres was. Aangever vond dit vreemd, want zijn adres was bekend bij de leasemaatschappij. Bij de leasemaatschappij was echter een ander adres bekend: [c-straat 1] te [plaats].

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] bij toeval een tankpas had onderschept op zijn werk. Medeverdachten [medeverdachte 2] en verdachte hebben met de tankpas getankt. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat zowel hij als verdachte gebruik hebben gemaakt van het e-mailadres [e-mailadres 1].

Anders dan de raadsman van verdachte heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders met betrekking tot [A], in die zin dat uit de door medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen volgt dat zij gezamenlijk de taken hebben uitgevoerd en de opbrengst verdeelden. Uit hetgeen hierboven onder 3 als bewezen is verklaard volgt dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tezamen en in verenging de brief waar de tankpas in zat hebben gestolen. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat zowel medeverdachte [medeverdachte 2] als verdachte gebruik hebben gemaakt van de tankpas die op naam van [betrokkene 11] stond. De rechtbank verwerpt gelet op vorenstaande dan ook het verweer van de raadsman van verdachte dat verdachte niet betrokken is geweest bij oplichting van [A].

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen meermalen schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Feit 4B

Poging tot oplichting

Sociale Verzekeringsbank

Op 28 juni 2013 heeft [betrokkene 17] namens de Sociale Verzekeringsbank aangifte gedaan van oplichting en valsheid in geschrifte. Aangever heeft verklaard dat op 26 april 2013 [betrokkene 1] met de Sociale Verzekeringsbank contact heeft opgenomen omdat hij een brief had ontvangen dat zijn rekeningnummer gewijzigd zou zijn in rekeningnummer [003]. [betrokkene 1] had echter geen wijziging doorgegeven. Naar aanleiding van deze melding is de Sociale Verzekeringsbank een onderzoek begonnen. Uit dat onderzoek bleek dat bij nog twee AOW-gerechtigden het rekeningnummer was gewijzigd in rekeningnummer [003]. Voornoemd rekeningnummer staat op naam van [betrokkene 18]. Uit onderzoek is gebleken dat op dat rekeningnummer AOW-betalingen voor [betrokkene 19] en van [betrokkene 20] zijn betaald. Ook zijn op dat rekeningnummer bedragen bestemd voor [betrokkene 21] en [betrokkene 22] terecht gekomen. Uit onderzoek is verder naar voren gekomen dat de rekeningwijzigingen via DigiD bij de Sociale Verzekeringsbank zijn gedaan en steeds afkomstig waren van twee verschillende IP adressen, namelijk [001] en [002]. Het eerste IP adres hoort thuis bij de Gemeente Lelystad en het tweede bij Bibliotheek Almere. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat [betrokkene 18] geen lidmaatschap heeft bij de Bibliotheek Almere. Op 17 juni 2013 werd de Sociale Verzekeringsbank wederom geconfronteerd met DigiD fraude. Voor de AOW-gerechtigden [betrokkene 20], [betrokkene 22], [betrokkene 23], [betrokkene 21], [betrokkene 24], [betrokkene 9] en [betrokkene 25] zou geld voortaan overgemaakt moeten worden op rekeningnummer [004]. Deze rekening staat op naam van [betrokkene 26]. De betaaladressen zijn via DigiD gewijzigd vanaf het IP adres [002] van Bibliotheek Almere. Op 21 juni 2013 ontving de Sociale Verzekeringsbank een melding van activiteit van het IP adres van Gemeente Lelystad. Via dat IP adres is toen bij twee AOW-gerechtigden gekeken naar de persoonsgegevens, betaaloverzichten en ontvangen betalingen. Uit nader onderzoek bij de Gemeente Lelystad is gebleken dat een stagiaire, medeverdachte [medeverdachte 1], als verdachte kon worden aangemerkt. De netwerkbeheerder van Gemeente Lelystad was in het bezit van loggins waarop te zien is dat door de stagiaire zowel intern als extern op verschillende dagen en tijdstippen was ingelogd op de site van de Sociale Verzekeringsbank.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte hem heeft geleerd hoe hij met gegevens van andere mensen kon inloggen op de site van de Sociale Verzekeringsbank. Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte 1] geleerd hoe hij een DigiD code kon aanvragen. Medeverdachte [medeverdachte 1] is vervolgens met het idee gekomen om op de site van de Sociale Verzekeringsbank in te loggen en gegevens te wijzigen. Medeverdachte [medeverdachte 1] logde in op de site van de Sociale Verzekeringsbank met de DigiD code van iemand anders en wijzigde dan het rekeningnummer in het rekeningnummer van een asielzoeker of van iemand anders die moeilijk te vinden was. Medeverdachte [medeverdachte 1] kreeg de DigiD gegevens van verdachte of hij vroeg zelf eerst een DigiD account aan op naam van iemand anders. Medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte wisten van bepaalde mensen dat zij AOW ontvingen doordat zij hun post uit de brievenbus te haalden. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft meerdere malen ingelogd op de site van de Sociale Verzekeringsbank om te checken of het gelukt was.

Uit hetgeen hierboven onder feit 3 bewezen is verklaard volgt dat verdachte tezamen en in vereniging post voor onder meer [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gestolen.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot oplichting van de Sociale Verzekeringsbank met betrekking tot [betrokkene 4] en [betrokkene 19]. Uit de aangifte van de Sociale Verzekeringsbank blijkt niet dat sprake is geweest van een poging tot oplichting met betrekking tot [betrokkene 4]. Voorts blijkt uit de aangifte van de Sociale Verzekeringsbank dat de AOW uitkering van [betrokkene 19] daadwerkelijk is gestort op het gewijzigde rekeningnummer. Ten aanzien van [betrokkene 19] is dan ook geen sprake van een poging tot oplichting.

Uit de aangifte van de Sociale Verzekeringsbank volgt dat zij met betrekking tot het account van [betrokkene 2] een melding heeft ontvangen. Anders dan de raadsman van verdachte heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat ondanks deze melding geen definitieve betaalwijziging heeft plaatsgevonden niet betekent dat geen sprake is van “het zich voordoen als [betrokkene 2]". Verdachte of zijn mededader konden immers alleen inloggen op het account van [betrokkene 2] indien zij zich middels een DigiD voordeden als [betrokkene 2]. Uit de aangifte van de Sociale Verzekeringsbank blijkt voorts dat via het IP adres [002], welk adres thuis hoort bij de Bibliotheek Almere, is ingelogd op het account van [betrokkene 2].

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot oplichting van de Sociale Verzekeringsbank door zich voor te doen als [betrokkene 23], [betrokkene 24], [betrokkene 25], [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

Uit hetgeen hierboven bewezen is verklaard volgt dat verdachte op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juli 2012 tot en met 24 juli 2013 het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd.

Feit 4C

Poging tot oplichting

Mediamarkt

Op 11 januari 2013 heeft [betrokkene 4] aangifte gedaan van vermissing van zijn rijbewijs en paspoort.

Op 1 augustus 2013 heeft [betrokkene 27] namens de Media Markt Amsterdam aangifte gedaan van poging tot oplichting. Op 2 februari 2013 is door een man een kredietaanvraag gedaan in verband met de aankoop van goederen ten bedrage van € 4.999,00. Als legitimatie voor de lening werd een paspoort en een bankpas overhandigd, beide op naam gesteld van [betrokkene 4]. De beveiliger zag vervolgens dat de foto van het legitimatiebewijs niet overeenkwam met het uiterlijk van de man die de lening wilde afsluiten. Ook de handtekening kwam niet overeen. Bij het terugkijken van de camerabeelden is gezien dat de man die de kredietaanvraag heeft gedaan de winkel binnenkwam samen met een andere man. De beveiliger heeft verdachte aangewezen als de persoon die het paspoort en de bankpas overhandigde voor het afsluiten van de lening.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zichzelf alsook verdachte herkent op de aan hem getoonde foto’s. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de foto’s bij de Mediamarkt zijn gemaakt. Verdachte had het paspoort van [betrokkene 4]. Hij stelde aan medeverdachte [medeverdachte 1] voor om met dat paspoort een aankooplening bij de Mediamarkt af te sluiten op naam van [betrokkene 4]. De aankooplening zou bij elkaar voor € 5.000,00 afgesloten moeten worden.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met medeverdachte [medeverdachte 1] bij de Mediamarkt was. Ook heeft verdachte ter zitting bekend dat hij in het bezit was van een bibliotheekpas op naam van [betrokkene 4]. Bij een doorzoeking in de woning van verdachte is ook een bibliotheekkaart aangetroffen op naam van [betrokkene 4].

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot oplichting van de Mediamarkt.

Feiten 2A en 2B

Valsheid in geschrifte en gebruikmaking van valse geschriften

Op 10 juni 2013 heeft [betrokkene 10] namens Koninklijke TNT Post B.V. aangifte gedaan van oplichting en valsheid in geschrifte. Aangever heeft verklaard dat in mei 2013 van de afdeling verhuisservice van PostNL een melding binnenkwam dat er veel onrechtmatige verhuisberichten dan wel postdoorzendingen werden aangevraagd. Door verschillende klanten was aangegeven dat zij een bericht hadden ontvangen dat hun post doorgestuurd zou worden naar een nieuw adres, terwijl deze klanten daartoe geen verzoek hadden ingediend.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft, zoals hierboven onder feit 3 reeds is overwogen, verklaard dat hij en medeverdachte [verdachte] voor verschillende slachtoffers verhuisservice of postdoorzendservice hebben aangevraagd.

Uit hetgeen hiervoor onder feit 4B. bewezen is verklaard volgt dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] meerdere (digitale) formulieren voor wijziging van het rekeningnummer voor AOW-betalingen valselijk heeft opgemaakt en gebruikt door zich via internet voor te doen als [betrokkene 23], [betrokkene 24], [betrokkene 25], [betrokkene 1] en [betrokkene 2], die formulieren (digitaal) in te vullen en in te zenden.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij inlogde op de site van Sociale Verzekeringsbank met de DigiD code van iemand anders. Medeverdachte kreeg de DigiD gegevens van verdachte of hij vroeg zelf eerst een DigiD account aan op naam van iemand anders.

Uit hetgeen hierboven onder 4A. bewezen is verklaard volgt dat verdachte tezamen en in vereniging meerdere (digitale) aanvragenformulieren voor creditcards valselijk heeft opgemaakt en gebruikt door zich voor te doen als [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [betrokkene 3]. Voorts volgt uit hetgeen hierboven onder 4A. als bewezen is verklaard dat verdachte tezamen en in verenging meerdere aanvraagformulieren voor een saldolijn-account van ING bank valselijk heeft opgemaakt en gebruikt door zich voor te doen als [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Tevens volgt uit hetgeen hierboven onder 4A bewezen is verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging een aanvraagformulier wijziging tegenrekening voor de AEGON beleggingsrekening ten name van [betrokkene 3], valselijk heeft opgemaakt.

Uit hetgeen hierboven onder 4C. bewezen is verklaard volgt dat verdachte tezamen en in vereniging een aanvraagformulier voor een krediet via de Mediamarkt ten name van [betrokkene 4] valselijk heeft opgemaakt en heeft gebruikt.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte valsheid in geschrifte heeft gepleegd met betrekking tot de akte van cessie tussen [betrokkene 3] en AEGON. Niet gebleken is immers dat de akte van cessie tussen [betrokkene 3] en AEGON is vervalst dan wel dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakte akte van cessie.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het opmaken en gebruik maken van valse geschriften.

Feit 1

Criminele organisatie

Uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de verschillende frauduleuze activiteiten samen uitvoerden of daarbij een heldere werkverdeling hanteerden. Zo is verdachte kennelijk samen met medeverdachte [medeverdachte 1] naar het huis van [betrokkene 1] in Tilburg gereisd. Zo blijkt uit de verkeersgegevens van de telefoon van verdachte dat deze op 18 mei 2013 een telefoonmast heeft aangestraald in Tilburg en dat die telefoonmast in de buurt staat van de woning van [betrokkene 1]. Dit was rond het tijdstip dat getuige [betrokkene 13] een foto van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gemaakt. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die dag samen met verdachte bij het huis van [betrokkene 1] is geweest. Voorts heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte 1] bij de Mediamarkt is geweest. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] dat hij vooral de administratie deed en dat verdachte meestal naar de woningen toe ging waar ze de post heen hadden laten sturen. Medeverdachte [medeverdachte 2] drukte bij PostNL bepaalde poststukken achterover, waartoe [medeverdachte 1] hem instrueerde. Verdachte en zijn medeverdachten communiceerden via een chatprogramma waarbij ze onder meer codewoorden gebruikten voor banken, adressen, namen van slachtoffers en gegevens. Voor de frauduleuze overboekingen en soms ook voor het verrichten van geldopnames werd gebruik gemaakt van (bankrekeningen van) handlangers.

Uit hetgeen hierboven onder 2A, 2B, 3, 4A, 4B en 4C als bewezen is verklaard en uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat reeds langere tijd op deze wijze werd gehandeld. Er was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband. Uit hetgeen eerder in dit vonnis is overwogen volgt tevens dat het samenwerkingsverband tussen verdachte en de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het voor hem in 2011 is begonnen en dat verdachte al langer bezig is. Dat verdachte heeft deelgenomen aan deze organisatie volgt uit hetgeen hierboven onder 4A, 4B, 4C, 3, 2A en B bewezen is verklaard.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie.”

2.2.3

In zijn arrest heeft het hof met betrekking tot de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

“De in het vonnis opgenomen bewezenverklaring van de feiten 1, 2A en 2B, 3 en 4A, 4B en 4C, is juist. De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar en verdachte is een strafbare dader.

Aanvullingen en verbeteringen bewijsmiddelen:

De bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn opgenomen worden als volgt aangevuld en/of verbeterd:

 Het hof voegt aan de bewijsmiddelen toe de verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 29 augustus 2013, p. 1541 (ordner 9) - zakelijk weergegeven - : V: Wat zegt de naam [betrokkene 8] jou? A: Daarvan hadden we ook een creditcard. (...) Wat zegt de naam [betrokkene 7] jou? A: [betrokkene 7] is volgens mij de naam die op de creditcard stond waarmee [betrokkene 6] is aangehouden. [betrokkene 6] ging in opdracht van [verdachte] met die kaart van [betrokkene 7] pinnen. De eerste keer heb ik telefonisch bij de Rabobank een creditcard op naam van [betrokkene 7] aangevraagd en gekregen. Die creditcard hebben we uit de brievenbus van [betrokkene 7] gehengeld. Onmiddellijk nadat we die creditcard hadden, zijn we gaan pinnen. We hebben het geld verdeeld. De tweede keer heb ik wederom telefonisch bij de ING een creditcard op naam van [betrokkene 7] aangevraagd en gekregen. Ook deze creditcard hebben we bij [betrokkene 7] uit de brievenbus gehengeld. Met de ING creditcard hebben we onmiddellijk gepind en het geld verdeeld.

 Op p. 8 van het vonnis, derde alinea is als verklaring van [medeverdachte 1] opgenomen dat hij en [verdachte] een verhuisservice hebben aangevraagd voor diverse personen, waaronder ook voornoemde aangevers. In aanvulling op het vonnis overweegt het hof dat voor zover dat niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen blijkt, de diefstal van post kan worden afgeleid uit het feit dat de verdachten uiteindelijk over creditcards van deze personen beschikten, hetgeen alleen het gevolg kan zijn geweest van het stelen van post, zoals is bewezenverklaard.

 Het hof voegt aan de bewijsmiddelen toe het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2013, p. 295 e.v. (ordner 3), in samenhang met het proces-verbaal van herkenning d.d. 13 augustus 2013, p. 306 e.v. (ordner 3), waaruit blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] is herkend toen hij pakketjes afhaalde die waren bezorgd op naam van aangeefster [betrokkene 2] en dat dat onder meer ging om een pakket afkomstig van [C], leverancier van Apple-producten.

 Het hof voegt aan de bewijsmiddelen toe de verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 11 september 2013, p. 1554 (ordner 9): "V: Het simkaartje wat bij het 06- nummer [telefoonnummer 3] hoort, in welke telefoons heeft dat gezeten en bij wie was deze telefoon in gebruik? A: Bij [verdachte]. Maar ook in mijn telefoon. Dit nummer werd door ons specifiek gebruikt voor de fraude om zo geen sporen achter te laten”.

 Op p. 14 van het vonnis, tweede alinea, is vermeld dat onder 3 is bewezenverklaard dat verdachte tezamen en in vereniging post heeft gestolen van onder meer [betrokkene 8], maar dit strookt niet met de bewezenverklaring. Het hof schrapt daarom deze overweging.

 In voetnoot 38 is vermeld dat het betreffende proces-verbaal is opgemaakt door [verbalisant 1], maar dit betreft [verbalisant 2]. Het hof verbetert de verwijzing in zoverre.

 Het hof voegt aan de bewijsmiddelen toe hetgeen is vermeld in de aangifte van [betrokkene 3] d.d. 5 februari 2013, p. 803 en 804 (ordner 6), waaruit blijkt dat er bij de identiteitsfraude (wederom) gebruik is gemaakt van het e- mailadres [e-mailadres 1].

 Met betrekking tot zaaksdossier 7 stelt het hof in aanvulling op het vonnis vast dat uit de bij het verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 2 september 2013, p. 1321 e.v. (ordner 8), gevoegde chatberichten blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] de persoon is geweest die zich telefonisch heeft voorgedaan als [betrokkene 11].

 Het hof voegt aan de bewijsmiddelen toe de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 31 juli 2013, p. 1298 e.v. (ordner 8), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - : Ik werk bij PostNL als bezorger en sorteerder en [medeverdachte 1] heeft mij gevraagd bankafschriften voor hem te onderscheppen. Ik heb dat gedaan. Voor hem waren alleen bankafschriften met hoge bedragen interessant. Als er op de bankafschriften meer stond dan 10.000,- of 20.000,- euro dan leverde ik deze goede bankafschriften af bij [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zei dat hij er duizenden euro’s mee verdiende. De beloning voor mij hing af van wat [medeverdachte 1] weg kon sluizen. Het zou er aan liggen hoeveel personen hier aan meewerkten, en afhankelijk daarvan zou ieder zijn deel krijgen. (...) Ja als wij met zijn drieën zijn, dan inderdaad een derde. (...) Ik maakte de brieven open aan de zijkant met een mesje, tandenstoker of zoiets en plakte deze na het bekijken weer dicht met een Pritt-stift. [medeverdachte 1] plaatste de gemaakte foto’s van de bankafschriften weer op Dropbox op de computer en dan konden hij en de mensen met wie hij het samen deed deze gegevens weer bekijken en zodoende hun werk doen. [medeverdachte 1] sprak in de wij-vorm. Ik heb voor hen van mei tot en met juli 2013 bewust post onderschept.

 Het hof voegt aan de bewijsmiddelen toe de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 31 juli 2013, p. 1306 e.v. (ordner 8), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - : Ik heb de brief van de tankpas onderschept tijdens het sorteren. Vervolgens heb ik de brief aan [medeverdachte 1] gegeven die deze pas tankklaar heeft gemaakt, dus de pincode heeft geregeld. (...) [medeverdachte 1] vertelde mij dat (zij) de asielzoekers, die hij zijn soldaten noemde, stonden op te wachten, zodat de asielzoekers er niet met het geld vandoor konden gaan maar het gepinde geld direct moesten afgeven aan [medeverdachte 1] en/of zijn maten.

 Met betrekking tot feit 4B blijkt uit het vonnis dat de website van de Sociale Verzekeringsbank is benaderd vanuit de bibliotheek in Almere. In dat verband voegt het hof als bewijsmiddel toe de verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 14 juli 2013, p. 1441 e.v. (ordner 9), inhoudende: “We (het hof begrijpt: [verdachte] en [medeverdachte 1]) deden ook dingen samen bij de bieb”.

2.2.4

Het hof heeft bovendien ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1] het volgende overwogen:

“De bewezenverklaring is in het vonnis in belangrijke mate gebaseerd op de belastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]. De verdediging heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie bepleit dat diens verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten, nu de verdediging [medeverdachte 1] niet op enig moment heeft kunnen bevragen. Pogingen om hem als getuige te ondervragen zijn gestuit op zijn beroep op het verschoningsrecht. Volgens de verdediging is de verklaring van [medeverdachte 1] als ‘sole and decisive’ aan te merken en zijn er geen compenserende maatregelen geboden voor het niet kunnen ondervragen van [medeverdachte 1]. Zonder de verklaring van [medeverdachte 1] resteert onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Verdachte dient daarom van alle in hoger beroep aan de orde zijnde feiten te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 1] is gebaseerd en dat die verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Er is derhalve geen reden om de verklaring van [medeverdachte 1] van het bewijs uit te sluiten. Daarbij heeft de advocaat-generaal in aanmerking genomen dat verdachte zelf een zodanig ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd, dat deze als kennelijk leugenachtig kan worden aangemerkt en aldus bijdraagt aan het bewijs.

Het hof overweegt als volgt.

(...)

Relevante feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedurende de procedure in eerste aanleg is door de verdediging niet verzocht om het horen van [medeverdachte 1] als getuige.

De rechtbank heeft op 2 oktober 2014 vonnis gewezen, waarna door de verdediging op 16 oktober 2014 hoger beroep is ingesteld. Op 8 augustus 2017 is door de (nieuwe) raadsman van verdachte te kennen gegeven dat het hoger beroep zich richt tegen de bewezenverklaring en dat - nu de bewezenverklaring in belangrijke mate rust op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] - de verdediging [medeverdachte 1] als getuige wenst te horen.

Dit verzoek is toegewezen en [medeverdachte 1] is vervolgens opgeroepen om op 21 maart 2019 als getuige door de raadsheer-commissaris te worden gehoord. Echter: aangezien kort voor het geplande verhoor uit mededelingen van de raadsman van [medeverdachte 1] bleek dat hij zich op zijn verschoningsrecht zou gaan beroepen, is het betreffende verhoor - mede gelet op de omvang van de zaak en de benodigde voorbereidingstijd - door de raadsheer-commissaris afgelast. De raadsheer-commissaris heeft daarbij te kennen gegeven dat bij de inhoudelijke behandeling opnieuw bekeken kan worden of [medeverdachte 1] alsnog bereid is een verklaring af te leggen.
De strafzaken van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn vervolgens op de zitting van 28 juni 2019 gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld. [medeverdachte 1] is op die zitting als getuige in de zaak van verdachte gehoord, maar heeft zich ten aanzien van alle vragen van de verdediging op zijn verschoningsrecht beroepen. Wel heeft hij een vraag van het hof beantwoord, namelijk of hij zich zijn verklaring bij de politie kan herinneren en of hij destijds naar waarheid heeft verklaard. [medeverdachte 1] heeft daarop (als getuige) geantwoord: “Ik heb het dossier voorafgaand aan deze zitting doorgenomen en volgens mij heb ik bij de politie 19 verklaringen afgelegd. Wat ik heb verklaard, staat in die processen-verbaal. Van wat ik wist, heb ik de waarheid verklaard. Als ik iets niet wist, heb ik dat ook aangegeven”.

Het hof stelt voorts vast dat in hoger beroep ook een ontnemingszaak tegen verdachte aanhangig is (parketnummer 21-000074-19), waarin verdachte ook wordt bijgestaan door mr. C.J. Nierop. Deze zaak is op 28 juli 2019 gelijktijdig met de onderhavige strafzaak, voor regie behandeld.

Uit het dossier van de ontnemingszaak blijkt dat mr. Nierop in de ontnemingszaak in eerste aanleg op 24 augustus 2016 heeft verzocht om het horen van [medeverdachte 1] als getuige, welk verzoek door de rechtbank is toegewezen. De zaak is daartoe verwezen naar de rechter-commissaris en op 9 januari 2017 is [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft bij die gelegenheid de vraag van mr. Nierop of hij verdachte [verdachte] kent, bevestigend beantwoord, maar heeft zich voor het overige op zijn verschoningsrecht beroepen. Vervolgens is op 8 november 2018 door de voorzitter van de rechtbank beslist dat [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting zal worden gehoord.

De ontnemingsvordering is door de rechtbank inhoudelijk behandeld op 23 november 2018. Op die zitting is [medeverdachte 1] wederom als getuige in de zaak van verdachte gehoord. Aanvankelijk beriep hij zich op zijn verschoningsrecht, maar later heeft hij toch een aantal vragen van de verdediging beantwoord. [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat hij zich veel zaken niet meer kan herinneren en dat hij daarvoor naar het dossier verwijst. Blijkens het proces-verbaal heeft hij onder meer verklaard: “Ik heb daar verder niets aan toe te voegen. Op de vraag of ik bij mijn verklaring blijf dat ik erbij betrokken was, verwijs ik naar het dossier. Wat ik heb

verklaard, staat erin. (...) De zaken waar ik geld mee heb verdiend, staan in het dossier. (...) Ik blijf bij mijn verklaring zoals afgelegd bij de politie. (...) Ik was wel betrokken bij die zaken, zoals ik heb verklaard bij de politie. Op de vraag van de voorzitter of veroordeelde [verdachte] ook bij al die zaken betrokken was, antwoord ik dat dit het geval is, zoals ook in het dossier staat. De betrokkenheid kan ik mij nog wel herinneren (...). [verdachte] heeft wel in elk geval in de zaken [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [A] geld verdiend. Er heeft telkens een verdeling van de opbrengst plaatsgevonden”.

De raadsman heeft vervolgens afgezien van verdere bevraging van de getuige.

Het proces-verbaal waarin voornoemd verhoor is opgenomen is ter terechtzitting van het hof op 28 juni 2019 in het strafdossier van verdachte gevoegd en maakt daar deel van uit.

Oordeel hof

De eerste vraag die het hof gezien het hiervoor geschetste juridische kader dient te beantwoorden is of de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om [medeverdachte 1] in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.

Het hof stelt in dit verband vast dat uit de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt dat het ondervragingsrecht weliswaar niet ten volle is uitgeoefend, maar dat er feitelijk gezien deels wel uitvoering en invulling aan is gegeven. Immers heeft [medeverdachte 1] zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak als getuige verklaard dat hij blijft bij de verklaringen die hij in eerste aanleg heeft afgelegd, en heeft hij zich in de ontnemingszaak uitgelaten over de betrokkenheid van zichzelf en verdachte bij diverse zaaksdossiers. Hieruit blijkt dat dat verhoor zich ook heeft uitgestrekt tot vragen die relevant zijn voor de onderhavige strafzaak en dat het niet alleen heeft gezien op aspecten die relevant zijn voor de ontnemingszaak. Nu de verdediging in zekere mate in staat is geweest te toetsen waar de verklaring van [medeverdachte 1] op is gebaseerd en [medeverdachte 1] die verklaring ten opzichte van een rechter heeft bevestigd, is van een situatie dat een mogelijkheid tot ondervraging volledig heeft ontbroken, geen sprake.

Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of deze mogelijkheid als zodanig behoorlijk en effectief kan worden aangemerkt dat de verklaring van [medeverdachte 1] bruikbaar is voor het bewijs zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de eisen van een eerlijk proces.

Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaring van [medeverdachte 1] als betrouwbaar kan worden aangemerkt en dat deze verklaring op door de verdachte betwiste en hem belastende onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

[medeverdachte 1] heeft al direct na zijn aanhouding openheid van zaken gegeven en heeft daarbij niet alleen verdachte maar ook zichzelf belast. Zijn verklaring is concreet en gedetailleerd en hij verklaart consistent over de verschillende rollen die hij en verdachte in het proces zouden hebben gehad. Het hof acht van belang dat [medeverdachte 1] als getuige de betrokkenheid van zichzelf en verdachte bij verschillende zaaksdossiers heeft bevestigd en dat hij heeft aangegeven bij de politie naar waarheid te hebben verklaard. Van het terugkomen op een verklaring is geen sprake. Ten slotte is relevant dat zijn verklaring steun vindt in ander bewijs en dat het daarbij gaat om bewijs dat ziet op verschillende fases van het proces van fraude en oplichting, zoals dat blijkens het dossier heeft plaatsgevonden. Dit proces ving aan met het stelen van post (onder meer door post uit brievenbussen te ‘hengelen’ en het aanvragen van verhuisservice), vervolgens werden banken en andere instellingen opgelicht (of werd dat in ieder geval geprobeerd), waarbij gebruik werd gemaakt van vervalste formulieren. Met behulp van verkregen creditcards en/of toegang tot systemen, konden de verdachten vervolgens beschikken over geld, waarmee zij diverse aankopen hebben gedaan, welke goederen al dan niet weer werden verkocht.

Ten aanzien van verdachte zijn er onderzoeksbevindingen die duiden op een actieve betrokkenheid bij verschillende fases van het hiervoor genoemde proces. Zo zijn er blijkens het vonnis bij verdachte in zijn woning en auto goederen aangetroffen die werden gebruikt bij het ‘hengelen’ van post uit de brievenbus, werden er Pritt-stiften aangetroffen (die volgens [medeverdachte 1] werden gebruikt om door hen geopende post weer dicht te plakken), en werden er - zo overweegt het hof aanvullend - diverse PostNL documenten, PostNL herstel/retourstickers en bedrijfskleding van PostNL en TNT-post aangetroffen. Niet gesteld of gebleken is dat verdachte op enig moment werkzaam is geweest bij een postbedrijf en de verklaring van verdachte dat hij het aangetroffen ‘grijpwerktuig’ gebruikte om te barbecueën, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig.

Uit de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt, blijkt verder dat er een bibliotheekpas op naam van een van de aangevers ([betrokkene 4]) onder verdachte is aangetroffen en - zo stelt het hof in aanvulling op het vonnis vast - dat er adresgegevens in verdachtes Ipad bleken te staan die te linken zijn aan één van de aangevers. Verdachte heeft omtrent dat adres een wisselende verklaring afgelegd.

Ten slotte is gebleken dat verdachte beschikte over 3 ABN-AMRO e.dentifiers en 2 Rabobank Random Readers, welke worden gebruikt om te internetbankieren. Verdachte heeft geen onderbouwd, overtuigend antwoord gegeven op de vraag waarom hij over zoveel e.dentifiers/Random Readers beschikte.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte niet alleen aan het begin van het proces actief is geweest, maar dat hij ook feitelijk bij de uitvoering van oplichting betrokken was. Steun voor deze verklaring is te vinden in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] in de Mediamarkt bevond toen er op naam van [betrokkene 4] (de persoon op wiens naam verdachte een bibliotheekpas in zijn bezit had) een krediet werd aangevraagd, hetgeen ten laste is gelegd onder 4C.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachtes telefoon rond het tijdstip waarop met een creditcard van één van de aangevers een pintransactie werd verricht, een zendmast in de buurt van die pinautomaat heeft aangestraald. Dit geldt tevens voor pintransacties die werden verricht op 8 mei 2013 en 10 mei 2013 vanaf de rekening van [betrokkene 5], op welke rekening geld was geboekt vanaf de rekening van één van de aangevers. Ook straalde de telefoon van verdachte een zendmast aan in de buurt van de woning van aangever [betrokkene 1], toen [medeverdachte 1] zich tegenover [betrokkene 1] voordeed als postbezorger.

Uit onderzoek is verder gebleken dat verdachte meermalen contact heeft gehad met ene [betrokkene 6], die is aangehouden toen hij met een creditcard op naam van één van de aangevers probeerde te pinnen, waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard, en dat verdachte een identiteitsbewijs van die [betrokkene 6] in zijn bezit had en samen met hem is gezien.

Op naam van één van de aangevers zijn ten slotte 6 Ipads mini gekocht, terwijl uit een tapgesprek blijkt dat verdachte 6 Ipads mini in zijn bezit heeft gehad en heeft verkocht. De koper van de Ipads mini heeft verdachte herkend als de persoon waarvan hij de betreffende goederen heeft gekocht. De bewijsmiddelen die hier op zien, zijn in het vonnis opgenomen.

Al het voorgaande ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 1] over de betrokkenheid van verdachte bij de verschillende zaaksdossiers. Daartegenover heeft verdachte slechts een weinig concrete, op onderdelen wisselende en niet onderbouwde verklaring gesteld welke verklaring geen afbreuk doet aan de uit de bewijsmiddelen blijkende, hiervoor genoemde betrokkenheid.

Het hof is gezien het voorgaande van oordeel dat, naast dat er sprake is geweest van een - weliswaar beperkte - mogelijkheid tot ondervraging, de verklaring van [medeverdachte 1] bovendien, gelet op het hiervoor overwogene, voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en ook overigens als geloofwaardig en betrouwbaar kan worden aangemerkt. Alles afwegend is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. De verklaring is bruikbaar voor het bewijs.”

2.3.1

In het arrest van 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen met betrekking tot het door artikel 6 EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht:

“Op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen. Of in het concrete geval zo een ondervragingsmogelijkheid bestaat, is mede afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ondervraging van de getuige plaatsvindt. In het algemeen geldt dat de verdediging een zodanige mogelijkheid tot het (doen) stellen van vragen aan de getuige moet worden geboden dat zij daarmee in staat is de oprechtheid en de geloofwaardigheid van een door de getuige afgelegde verklaring – daaronder begrepen een verklaring die eerder tijdens het vooronderzoek en buiten de aanwezigheid van de verdediging is afgelegd – te toetsen en aan te vechten.”

2.3.2

De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016 het volgende overwogen met betrekking tot het gebruik van een verklaring van een getuige voor het bewijs als een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken:

“3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2.

Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van – kort gezegd – een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3.

Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”

2.4

Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van [medeverdachte 1] heeft bestaan, gaat het uit van een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof.
Het hof heeft overwogen dat “het ondervragingsrecht weliswaar niet ten volle is uitgeoefend, maar dat er feitelijk gezien wel uitvoering en invulling aan is gegeven” doordat [medeverdachte 1] in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak heeft verklaard te blijven bij de verklaringen die hij in eerste aanleg heeft afgelegd, en het verhoor van [medeverdachte 1] in de ontnemingszaak zich ook heeft uitgestrekt tot de betrokkenheid van hem en van de verdachte bij diverse zaaksdossiers. Op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat de verdediging “in zekere mate in staat is geweest” de verklaring van [medeverdachte 1] te toetsen en dat “een mogelijkheid tot ondervraging [niet] volledig heeft ontbroken”. Aan het oordeel dat het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 1] voor het bewijs in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, heeft het hof daarnaast ten grondslag gelegd dat die verklaring op door de verdachte betwiste en hem belastende onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de uitoefening van het ondervragingsrecht met zekere beperkingen gepaard is gegaan. Het hof is dan ook niet enkel op de grond dat een mogelijkheid tot ondervraging heeft bestaan, tot het oordeel gekomen dat het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 1] voor het bewijs in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. De overwegingen van het hof strekken er daarentegen toe dat de omstandigheid dat de verdediging in de met de onderhavige strafzaak samenhangende ontnemingszaak wel enige vragen heeft kunnen stellen die relevant zijn voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten, naast de aanwezigheid van het steunbewijs een relevante factor is bij de toetsing aan artikel 6 EVRM. Gelet hierop mist de klacht feitelijke grondslag en faalt het cassatiemiddel in zoverre.

2.5.1

Het cassatiemiddel klaagt vervolgens over het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde feiten niet in beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 1] zijn gebaseerd.

2.5.2

Het hof heeft vastgesteld dat de bewezenverklaarde feiten betrekking hebben op een proces van in georganiseerd verband begane fraude en oplichting (feit 1), dat bestond uit het stelen van post (feit 3), (pogingen tot) het oplichten van banken en andere instellingen (feiten 4A, 4B en 4C), met gebruikmaking van valse formulieren (feiten 2A en 2B). Daarbij kon onder meer de verdachte met behulp van verkregen creditcards en toegang tot systemen beschikken over geld waarmee diverse aankopen zijn gedaan, waarbij ook goederen weer zijn verkocht. Het hof heeft het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten mede aangenomen op grond van bewijsmiddelen die – kort gezegd – betrekking hebben op:

- het bij de verdachte aantreffen van voorwerpen die zijn gebruikt voor het ‘hengelen’ van post, lijmstiften alsmede voorwerpen en kleding die verband houden met de postbestelling, terwijl de verdachte niet werkzaam is geweest bij een postbedrijf en de verdachte een volstrekt ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd over het aangetroffen ‘grijpwerktuig’;

- het aantreffen bij de verdachte van een bibliotheekpas op naam van [betrokkene 4], één van de aangevers, en van adresgegevens die verband houden met één van de aangevers, terwijl de verdachte over dat adres een wisselende verklaring heeft afgelegd;

- het beschikken door de verdachte over drie ABN-AMRO e.dentifiers en twee Rabobank Random Readers, terwijl de verdachte geen onderbouwd, overtuigend antwoord heeft gegeven waarom hij over zoveel e.dentifiers/Random Readers beschikte;

- de aanwezigheid van de verdachte tezamen met [medeverdachte 1] in de Mediamarkt toen er op naam van [betrokkene 4] een krediet werd aangevraagd;

- het meermalen aanstralen door de telefoon van de verdachte van zendmasten in de buurt van een pinautomaat, terwijl op dat moment een in het licht van de bewezenverklaring relevante transactie door middel van die automaat werd verricht;

- het aanstralen door de telefoon van de verdachte van een zendmast in de buurt van de woning van [betrokkene 1], op het moment dat [medeverdachte 1] zich tegenover [betrokkene 1] voordeed als postbezorger;

- het meermalen door de verdachte hebben van contact met [betrokkene 6], die is aangehouden toen hij met een creditcard op naam van één van de aangevers probeerde te pinnen, het door de verdachte in bezit hebben van een identiteitsbewijs van die [betrokkene 6] en het samen met hem gezien zijn;

- het blijkens een tapgesprek in bezit zijn van zes iPads mini, terwijl op naam van één van de aangevers zes iPads mini zijn gekocht en de koper van de iPads mini de verdachte heeft herkend als de verkoper.

2.5.3

Het oordeel van het hof dat gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, de door de verdachte betwiste verklaring van [medeverdachte 1] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen geeft – gelet op wat onder 2.3.2 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

2.6

De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2021.