Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:389

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
20/00928
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:111
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:971
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging om gedetineerde uit gevangenis in Roermond te bevrijden d.m.v. helikopter, art. 191 Sr. Is sprake van begin van uitvoering van bevrijding van gevangene? Art. 45.1 Sr. Voor strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van voorgenomen misdrijf (vgl. ECLI:NL:HR:1978:AC6373). Vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht vastgestelde gedragingen bij voltooiing van voorgenomen misdrijf lagen (bijvoorbeeld in tijd en/of plaats) en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van poging t.o.v. strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. Hof heeft geoordeeld dat sprake is van strafbare poging om gedetineerde ui penitentiaire inrichting te bevrijden en heeft daartoe vastgesteld dat met samenstel van gedragingen van alle betrokkenen in vergaande mate al feitelijk uitvoering is gegeven aan de op bevrijding gerichte actie met sterk planmatig karakter en dat deze voorgenomen bevrijdingsactie kort daarna zou zijn voltooid als politie niet had ingegrepen. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 8 andere zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0078 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/1162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00928

Datum 30 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2020, nummer 23-004180-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.E. Korff, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt onder meer op tegen het oordeel van het hof dat ter zake van het onder 2 primair tenlastegelegde sprake is van een begin van uitvoering van - kort gezegd - bevrijding van een gevangene.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [betrokkene 1], die krachtens rechterlijke uitspraak van de vrijheid was beroofd, te weten een veroordeling door de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank te Amsterdam wegens overtreding van artikel 289 juncto 47 juncto 48 van het Wetboek van Strafrecht, te bevrijden en daartoe tezamen en in vereniging met anderen,

- bij [A] een vlucht met een helikopter voor vier/vijf personen heeft geboekt voor 4 oktober 2017 en daarna, na wijziging, voor 11 oktober 2017 rond 13.30 uur vanaf het heliplatform in Heythuijsen in de provincie Limburg met een tussenlanding te Weert en

- vervolgens na diverse telefonische contacten met [A] een wijziging van de vertreklocatie (vanaf Budel) is overeengekomen en

- nadat zij (eerst de nacht van 3 op 4 oktober 2017 en daarna, na wijziging van de boekingsdatum) de nacht van 10 op 11 oktober 2017 hadden doorgebracht en zich hadden verzameld in hotelkamers in Eindhoven op 11 oktober 2017 naar de vertreklocatie te Budel is gegaan vanaf waar de gehuurde helikopter zou vertrekken en

- zich heeft gemeld bij het heliplatform te Budel en zich heeft geïdentificeerd als [medeverdachte 8] en zich heeft voorgedaan als de bonafide huurder van de helikopter en

- vervolgens telefonisch contact heeft gehad met zijn medeverdachten dat de vlucht met voornoemd luchtvaartuig vanaf Budel naar de tussenlandingslocatie in Weert doorgang zou vinden en

- in gezelschap van een medeverdachte die piloot is, in een (gestolen) BMW voorzien van (valse) kentekenplaten [kenteken 4], in welk voertuig zich vuurwapens en munitie en een jerrycan benzine en zelf gemaakte kraaienpoten en vuurpijlen en touw met autobanden bevonden, op het afgesproken tijdstip naar de tussenlandingslocatie te Weert is gereden en daar in voornoemde BMW de landing van de te kapen helikopter heeft afgewacht en

- in de omgeving van de beoogde bevrijdingslocatie, zijnde de Penitentiaire Inrichting te Roermond de komst van voornoemd luchtvaartuig heeft afgewacht in een (gestolen) Audi, voorzien van (valse) kentekenplaten [kenteken 3], in welk voertuig zich een vuurwapen en munitie bevonden en een jerrycan met benzine en zelf gemaakte kraaienpoten en vuurpijlen teneinde een in deze Penitentiaire Inrichting gedetineerd zijnde persoon te bevrijden.”

2.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

“2.1 De zaak draait kort gezegd om het plan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) uit de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Roermond te bevrijden met behulp van een gekaapte helikopter. Dat uit de bewijsmiddelen blijkt van dit plan is door de verdediging niet bestreden. Evenmin is bestreden dat het de bedoeling was dat de eenmaal gekaapte helikopter zou worden bestuurd door de daarvoor speciaal uit Colombia overgekomen medeverdachte [medeverdachte 5].

2.2

Het was aanvankelijk de bedoeling [betrokkene 1] op 4 oktober 2017 te bevrijden. Door een persoon die opgaf te zijn [medeverdachte 8] (hierna ook wel genoemd: [medeverdachte 8]) is getracht om bij [A] een helikopter te huren. Hij vertelde dat hij een rondvlucht wilde maken met zijn vriendin en dat hij op 4 oktober 2017 wilde vertrekken van heliplatform Heythuysen (Limburg). De helikopter die hij wilde huren was geschikt om vier passagiers te vervoeren. Mede omdat de huurder vertelde dat hij afkomstig was uit Amsterdam, wekte dit argwaan. Daarop is contact gezocht met de luchtvaartpolitie. Vervolgens is een pseudodienstverleningstraject opgestart waarbij het contact met [A] werd overgenomen door de politie. Daarnaast zijn telefoongesprekken afgeluisterd en is een aantal in beeld gekomen verdachten geobserveerd. De rondvlucht is in eerste instantie geannuleerd. Daarna is afgesproken de rondvlucht op 11 oktober 2017 te maken. De huurder zou zich om 13.30 uur melden op Kempen Airport in Budel (Noord-Brabant). De helikopter zou daar opstijgen en in Weert (Limburg) een tussenlanding maken om de ‘vriendin’ van de huurder op te halen.

2.3

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 5] van Bogota (Colombia) naar Brussel is gevlogen en daar op 27 september 2017 is geland. Hij zou aanvankelijk weer terugvliegen op 8 oktober 2017, maar de terugvlucht is – kennelijk in verband met de uitgestelde helikoptervlucht – door hemzelf op 8 oktober 2017 omgeboekt naar 14 oktober 2017.

2.4

[medeverdachte 5] verbleef in een hotel in Brussel. Daar is hij op 28 en 30 september 2017 opgehaald en naar café [B] in Roosendaal gebracht, waar besprekingen hebben plaatsgevonden over de op handen zijnde bevrijdingsactie. Dat [medeverdachte 5] hier is geweest volgt uit zijn eigen verklaring en de gegevens uit zijn iPad, waaruit blijkt dat die op 28 en 30 september 2017 verbinding heeft gemaakt met het wifi-netwerk van [B].

2.5

De nacht voor de op 4 oktober 2017 geplande helikoptervlucht heeft een aantal verdachten, waaronder [medeverdachte 5], verbleven in ‘[C]’ in Eindhoven.

2.6

Nadat de eerste helikoptervlucht is geannuleerd heeft [medeverdachte 5] vanaf 8 oktober 2017 verbleven in een woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Die woning blijkt, gelet op dat verblijf van [medeverdachte 5], en de aangetroffen spullen die in verband kunnen worden gebracht met de bevrijdingsactie (zoals blauwe touwen en restanten van het vervaardigen van kraaienpoten), louter te zijn gebruikt voor de beoogde strafbare feiten. De huurder, verdachte [medeverdachte 2] (hierna ook wel genoemd: [medeverdachte 2]), heeft in elk geval niet verklaard dat de woning voor (ook) andere doeleinden werd gebruikt en anderszins is daarvan niet gebleken.

2.7

Tussen 9 oktober en de geplande vlucht op 11 oktober 2017 is door een aantal verdachten verschillende keren een Praxis bezocht. Daar zijn goederen gekocht die in verband kunnen worden gebracht met de bevrijdingsactie, zoals grijze pvc buizen en schroeven, waarmee de kraaienpoten zijn gemaakt. In de tussentijd is met [A], althans met een verbalisant die zich voordeed als een medewerker, een nieuwe afspraak gemaakt voor een helikoptervlucht. Daarbij is voorgewend dat [medeverdachte 8] de huurder was en hij diens vriendin wilde verrassen. In verband met die verrassing is ook een tussenlandingslocatie in Weert afgesproken, waarbij liever geen grondpersoneel aanwezig moest zijn; zogenaamd om de verrassing niet te bederven.

2.8

Op 11 oktober 2017 heeft [medeverdachte 2] zich, met een bosje bloemen in de hand, gemeld op Kempen Airport te Budel voor de geplande rondvlucht. Hij deed zich voor als [medeverdachte 8]. De politie heeft de verdachte – uiteraard – niet laten opstijgen en hem aangehouden.

2.9

Ondertussen stond nabij de locatie van de tussenlanding in Weert een lichtblauwe BMW 335i gereed met daarin een viertal verdachten, waaronder [medeverdachte 5]. Naderhand is gebleken dat de BMW was gestolen en voorzien van valse kentekenplaten. Als het arrestatieteam (AT) tot aanhouding wil overgaan weet de BMW te ontkomen. Na een wilde achtervolging wordt de verdachte [medeverdachte 4] aangehouden als bestuurder. De drie andere inzittenden zijn ontkomen.

2.10

In de BMW 335i zijn twee autobanden, met daaraan blauwe touwen vastgeknoopt, aangetroffen. Aan het uiteinde van het touw zat een karabijnhaak. Deze constructie was kennelijk bedoeld om mee te nemen in de helikopter om zo [betrokkene 1] van de luchtplaats van P.I. Roermond te kunnen takelen. De blauwe touwen zijn soortgelijk aan de restanten van blauw touw die in de woning in de [a-straat] zijn aangetroffen. In de BMW lag verder een kartonnen doos met zelfgemaakte (van grijze pvc buizen en schroeven) kraaienpoten, een zwarte jerrycan met gele dop met benzine en vuurwerk (vuurpijlen).

2.11

Genoemde BMW is niet de enige gestolen auto waarvan de verdachten gebruik hebben gemaakt. In de [b-straat] in Roermond zijn namelijk een gestolen BMW 550 (die daarvoor in Maarheeze stond) en een gestolen Audi A4 klaargezet, elk met valse kentekenplaten. In de BMW 550 is een rode plastic bak met soortgelijke kraaienpoten aangetroffen, een soortgelijke jerrycan benzine en één vuurpijl.

2.12

Genoemde Audi A4 is met de BMW 550 in de ochtend van 11 oktober 2017 verplaatst naar Sint Joost. Dat is ook in de nabijheid van P.I. Roermond. Rond het tijdstip van de geplande bevrijdingsactie was enkel de Audi A4 bemand. In de Audi zaten de verdachten [betrokkene 2] als bestuurder en [verdachte] als bijrijder. Kennelijk stond deze auto gereed om het verdere vervoer van [betrokkene 1] na zijn ontsnapping uit de P.I. mogelijk te maken. Het is immers hoogst onwaarschijnlijk dat met [betrokkene 1], hangend in of aan een autoband, lang zou zijn rondgevlogen.

2.13

Ook [betrokkene 2] en [verdachte] zijn aanvankelijk aan de aanhouding door het AT ontkomen. Dat resulteerde in een wilde achtervolging waarbij door leden van het AT op de Audi is geschoten. Uiteindelijk is de Audi van de weg geramd en zijn de inzittenden gevlucht. [verdachte] heeft zich vrij snel overgegeven en is aangehouden. [betrokkene 2] is blijven vluchten en op hem is vervolgens geschoten als gevolg waarvan hij is overleden.

2.14

Bij nader onderzoek aan de Audi blijkt dat daarin een soortgelijke rode bak met soortgelijke kraaienpoten lag, een soortgelijke jerrycan met benzine en een plastic tasje met soortgelijke vuurpijlen.

2.15

Door het arrestatieteam is tijdens de achtervolging van de Audi waargenomen dat daaruit een langwerpige, zwarte tas is gegooid. Langs de vluchtroute is die dag een zwarte tas aangetroffen met daarin twee gevulde patroonmagazijnen (merk CZ, model Cz58), aan elkaar vastgemaakt met duct tape, en losse munitie. Een dag later wordt in de berm een, niet geladen, automatisch vuurwapen aangetroffen van het merk Ceska Zbrojovka (CZ). Dat wapen lijkt op een zogenaamde, en meer bekende, AK-47.

2.16

Op 13 november 2017 wordt op de [c-straat] te Maarheeze, de vluchtroute van de blauwe BMW 335i, een tas gevonden. Daarin zaten een automatisch vuurwapen (ook gelijkend op een AK-47), twee gevulde patroonmagazijnen aan elkaar vastgemaakt met duct tape, een revolver van het merk Smith & Wesson met patronen en een pistool van het merk Walther, inclusief patroonmagazijn.

2.17

Uit forensisch onderzoek (scheurranden) is gebleken dat de kans dat de beide stukken duct tape, zoals hiervoor onder 2.15 en 2.16 benoemd, oorspronkelijk één geheel hebben gevormd waarbij de gescheiden uiteinden direct aan elkaar hebben gezeten zeer veel waarschijnlijker is dan dat de twee tapedelen oorspronkelijk niet een geheel hebben gevormd.

2.18

Bij de doorzoeking in de [a-straat] is, in een afsluitbare muurkast in de slaapkamer, ook een automatisch vuurwapen (Crevena Zastava; een aanvalsgeweer, ook gelijkend op een AK-47) aangetroffen. In die kast lag verder nog een patroonmagazijn met 30 stuks munitie en een plastic zakje met daarin 12 stuks munitie, kaliber .22 Long Rifle met bodemstempel REM (Remington) en een schroefbare loopdop van een vuurwapen.

2.19

De verdachten hebben naast genoemde, gestolen, auto’s ook gebruik gemaakt van een gehuurde Peugeot 208 met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Peugeot 208) en een gehuurde Opel Astra met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Opel Astra). Beide auto’s zijn gehuurd op naam van [betrokkene 3], adres: [d-straat 1]. Op het adres Sinjeur Semeynsstraat [d-straat 2] staat de verdachte [medeverdachte 6] ingeschreven, op nummer [3] staat de verdachte [medeverdachte 8] ingeschreven.

2.20

In de Opel Astra is later door de politie, in de kofferbak onder de mat, een pistool van het merk Walther PPK met een daarop geschroefde geluiddemper aangetroffen. In het magazijn van het pistool zaten acht patronen met bodemstempel REM. In de [a-straat] is de in 2.19 genoemde munitie met bodemstempel REM aangetroffen. Deze bodemstempel kwam overeen met het bodemstempel van de munitie uit de Walther en bovendien was de munitie uit de [a-straat] ook geschikt om met de Walther verschoten te worden. De in 2.19 genoemde schroefbare loopdop komt qua maatvoering overeen met de ontbrekende loopdop (die zal zijn verwijderd in verband met de opgeschroefde geluiddemper) op de Walther.

2.21

In de P.I. Roermond zou [betrokkene 1] om 13:55 uur gaan luchten, maar dat is – na contact met de politie – door medewerkers van de P.I. verhinderd. [betrokkene 1] bleek in bezit van twee mobiele telefoons. Met één daarvan stond hij in contact met de verdachten.

(...)

4 Poging of voorbereidingshandelingen

(…)

4.3

Het hof stelt voorop dat een poging tot het plegen van een misdrijf eerst strafbaar is wanneer het voornemen van de dader daartoe zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. De vraag of sprake is van zo’n strafbare poging laat zich niet - in elk geval niet in alle gevallen – eenvoudig beantwoorden. Dat geldt te meer wanneer sprake is van een formeel omschreven delict; kort gezegd als het verrichten van een bepaalde gedraging - onafhankelijk van het gevolg - strafbaar is gesteld. Het begin van een uitvoering laat zich dan niet eenvoudig onderscheiden van de voltooiing van het delict. Bij formele delicten met ook een materiële component zit er wat meer ruimte tussen de eerste uitvoeringshandeling en de voltooiing van het delict. Dat geldt te meer voor materieel omschreven delicten; kort gezegd als het intreden van een bepaald gevolg strafbaar is gesteld.

4.4

Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering in het geval de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Dit criterium is algemeen geformuleerd en de jurisprudentie ter zake is dan ook erg casuïstisch. Het komt uiteindelijk aan op de beoordeling van de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat bij die beoordeling mede de delictsomschrijving moet worden betrokken. In dit geval de bevrijding van een gevangene en de kaping van een luchtvaartuig (helikopter).

(...)

Poging bevrijding

4.12

Dan komt het hof toe aan de vraag of een poging tot bevrijding van een gevangene kan worden bewezen. Daarbij stelt het hof voorop dat de vrijspraak voor de poging tot kaping niet zonder meer tot gevolg heeft dat de poging tot bevrijding evenmin kan worden bewezen. Zoals reeds overwogen hangt de beoordeling van de feiten nauw samen met de delictsomschrijving.

Bovendien, het zij herhaald, was het de verdachten niet primair te doen om de kaping, maar om de bevrijding van [betrokkene 1] uit de P.I. Roermond. Beoordeeld moet worden welke gedragingen de verdachten in verband daarmee hebben verricht en of die, in het licht van de delictsomschrijving, naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing daarvan.

4.13

De bevrijding van een gevangene is strafbaar gesteld in artikel 191 Sr. Dat artikel kent twee varianten: óf het daadwerkelijk bevrijden van iemand, óf het bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn. Die laatste variant, die ook voltooid kan zijn zonder dat de gevangene is ontsnapt, speelt in deze zaak geen rol. Strikt genomen staat in de tenlastelegging wel ‘of bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn’, maar de ten laste gelegde feitelijke gedragingen betreffen alle handelingen van de verdachten. Niet ten laste zijn gelegd gedragingen waaruit blijkt dat het initiatief tot de bevrijding van de gevangene afkomstig is, noch blijkt daarvan uit het dossier. Het gaat dus om het daadwerkelijk bevrijden van een gevangene, een delict met een - zoals onder 4.3 geduid - (sterke) materiële component. Pas in het geval de gevangene daadwerkelijk is bevrijd, is sprake van een voltooid delict.

4.14

Uit de feiten en omstandigheden die onder 2 en 3 zijn opgesomd valt af te leiden dat de verdachten gedurende een langere periode bezig zijn geweest dat gevolg, de daadwerkelijke bevrijding van [betrokkene 1], te bewerkstelligen. Opgesomd en samengevat betreft het onder meer de volgende gedragingen:

- ter voorbereiding van de bevrijding eind juli 2017 een woning ([a-straat 1] te [plaats]) huren;

- die woning in elk geval gebruiken om kraaienpoten te vervaardigen, de (hijs)constructie met autobanden en touwen te maken om de gevangene van de luchtplaats te takelen en de helikopterpiloot tijdelijk onder te brengen;

- het in september 2017 uit Colombia laten overkomen van deze helikopterpiloot;

- het meermalen organiseren van ontmoetingen met de helikopterpiloot en hem instructies geven over de uitvoering van de kaping en bevrijding;

- het huren van een helikopter voor vier passagiers en het afspreken van een vertreklocatie en tussenlandingslocatie;

- het (tweemaal) gezamenlijk overnachten in een nabij de vertreklocatie van de helikopter gelegen hotel;

- het organiseren van gestolen (vlucht)auto’s met valse kentekenplaten;

- het afleveren van de zogenaamde huurder van de helikopter bij de vertrekplaats;

- het wachten op de komst van de helikopter op de tussenlandingslocatie in een auto met daarin wapens, de Colombiaanse helikopterpiloot en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen);

- het gedurende de uitvoering van deze bevrijdingsactie onderling telefonisch overleg voeren over het vertrekmoment van de helikopter in verband met de luchttijd van de gevangene;

- het telefonisch contact onderhouden met de gevangene zelf rond het tijdstip van zijn geplande bevrijding;

- het nabij de P.I. Roermond wachten in een (vlucht)auto met daarin ook een wapen en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen).

Een belangrijk deel van de hier opgesomde feiten en omstandigheden is ook omschreven in de tenlastelegging en kan zodoende bewezen worden.

4.15

Deze opsomming maakt duidelijk dat sprake was van een niet eenvoudig uit te voeren bevrijdingsoperatie met een sterk planmatig karakter. Om kans van slagen te hebben dienden verschillende verdachten op verschillende momenten een taak uit te voeren, dan wel zich daartoe gereed te houden. Aan die gedragingen is feitelijk uitvoering gegeven. In een aantal zaken is nog naar voren gebracht dat het gereed houden van de (vlucht)auto - de Audi A4 - nabij de P.I. Roermond geen rol speelde bij de bevrijding. Dat betoog steunt naar het oordeel van het hof op een te enge uitleg van het begrip ‘bevrijden’ zoals bedoeld in artikel 191 Sr. Van een voltooide bevrijding zou niet zonder meer sprake zijn geweest indien de gevangene zou zijn opgehesen vanaf de luchtplaats en boven de muren van de P.I. bungelde. Het gereed houden van de (vlucht)auto voor het verdere vervoer van de gevangene om hem definitief buiten het onmiddellijke bereik van de justitiële autoriteiten te brengen, maakte wezenlijk onderdeel uit van het ontsnappingsplan (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0161).

4.16

Alles afwegende komt het hof tot de slotsom dat de te bewijzen gedragingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van de bevrijding van [betrokkene 1]. De poging tot bevrijding, zoals omschreven onder feit 2 primair, kan daarom worden bewezen.”

2.3.1

Artikel 45 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.”

2.3.2

Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf (vgl. HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373).
De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven.
Uit eerdere rechtspraak kan wel het volgende worden afgeleid. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.

2.4

Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een strafbare poging om [betrokkene 1] uit de Penitentiaire Inrichting te Roermond te bevrijden. Daartoe heeft het hof in de kern vastgesteld dat met het in rechtsoverweging 4.1.4 van zijn arrest genoemde samenstel van gedragingen van alle betrokkenen in vergaande mate al feitelijk uitvoering is gegeven aan de op de bevrijding van [betrokkene 1] gerichte actie met een sterk planmatig karakter en dat deze voorgenomen bevrijdingsactie kort daarna zou zijn voltooid als de politie niet had ingegrepen door de helikopter niet te laten opstijgen en door op te treden jegens de personen in de BMW en de Audi, die zich bevonden op de locatie van de beoogde tussenlanding respectievelijk in de nabijheid van de penitentiaire inrichting. Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 2.3.2 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.5

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2021.