Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:388

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
20/00011
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging tot ontucht met 13-jarig meisje door 43-jarige verdachte, art. 245 Sr. Is sprake van begin van uitvoering van ontucht? Art. 45.1 Sr. Voor strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van voorgenomen misdrijf (vgl. ECLI:NL:HR:1978:AC6373). Vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht vastgestelde gedragingen bij voltooiing van voorgenomen misdrijf lagen (bijvoorbeeld in tijd en/of plaats) en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van poging t.o.v. strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. ’s Hofs oordeel dat sprake is van strafbare poging om met meisje ontuchtige handelingen te plegen, geeft tegen achtergrond van wat hiervoor is overwogen, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Opvatting dat van begin van uitvoering bij dit delict pas sprake kan zijn bij eerste lichamelijk contact of fysieke aanraking, vindt geen steun in het recht. Omstandigheid dat door ontbreken van toestemming van beoogd slachtoffer het misdrijf niet werd voltooid, hoeft niet in de weg te staan aan oordeel dat vastgestelde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op voltooiing van voorgenomen misdrijf. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0079
NJB 2021/1163
RvdW 2021/390
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00011

Datum 30 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 december 2019, nummer 21-004907-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel is onder meer gericht tegen het oordeel van het hof dat wat betreft feit 1 sprake is van een begin van uitvoering van het in de bewezenverklaring bedoelde misdrijf.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 01 oktober 2017 tot en met 28 november 2017 te [plaats] en Amsterdam, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen te plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders,

- meermalen met die [slachtoffer] digitaal contact gehad en

- die [slachtoffer] (en haar metgezel) in [plaats] opgehaald en naar Amsterdam vervoerd en

- die [slachtoffer] bij hem, verdachte, gebracht en aan die [slachtoffer] laten weten dat zij seks met hem, verdachte, voor geld moest hebben,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1) Een in wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakt proces-verbaal,

genummerd 2017110312.48, gesloten en getekend op 3 november 2017, als bijlage (pagina's 228 t/m 229) gevoegd bij het stamproces-yerbaal, voor zover inhoudende de bevindingen van deze verbalisant, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, had op 3 november 2017 met een collega een getuigenverhoor met

[slachtoffer]

Geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats]

(...)

[slachtoffer] verklaarde dat

Zij met haar vriendin was, die vriendin vertelde dat zij seks had met iemand en dat zij daar geld voor kreeg;

Die vriendin [betrokkene 1] heet;

[betrokkene 1] net vijftien jaar was geworden;

[betrokkene 1] tegen haar had gezegd: "Kom we gaan naar Amsterdam";

[betrokkene 1] daarna zei dat iemand hen kwam ophalen;

Zij op het station in [plaats] werden opgehaald door een oude man in een auto, dit was op zondag 29 oktober 2017;

De man had gezegd dat hij 37 jaar was;

Zij naar Amsterdam zijn gereden met die man;

Zij op een gegeven moment in Amsterdam bij een huis kwamen;

Er in dat huis nog een oude dikke getinte man was, hij leek 50 of ouder;

Die man van 37 jaar oud tegen haar zei: "Zal ik jullie even alleen laten";

[betrokkene 1] naar haar toe kwam en tegen haar zei: "Je moet het met hem doen, dan krijg je er geld voor”;

[betrokkene 1] tegen haar zei: "Doe het gewoon";

Zij nee bleef zeggen;

Die man van 37 jaar haar had geappt.

Het telefoonnummer van deze man was [telefoonnummer 1].

2) Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, getekend op 12 juni 2018, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris, inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Je hebt verklaard dat [betrokkene 1] jou had meegenomen naar Amsterdam, dat was op 29 oktober 2017. [betrokkene 1] en jij werden door een man opgehaald. Had je voor die dag contact gehad met die man?

A: Ja, via WhatsApp.

(...)

V: Wanneer kwam het idee om het met die man te doen?

A: Toen [betrokkene 1] het vroeg.

(...)

V: op 23 oktober 2017 app je naar [betrokkene 1]: "Geef is m’n nummer aan hem."

A: Dit kan kloppen.

(...)

V: Die dag in dat huis in Amsterdam, op 29 oktober 2017, heb je aangegeven dat je geen seks wilde. Wat gebeurde er toen?

A: Ik moest daar blijven van [betrokkene 1]. Die man zei de hele tijd: "kom" en [betrokkene 1] zei dat ik het moest doen. Het was de andere man, met die donkere huidskleur die de hele tijd zei: "Kom, kom, kom."

V: Hoe wist je dan dat het over seks ging?

A: Omdat die andere man vroeg of hij ons alleen moest laten. We gingen daar ook heen voor dat. (...) Met dat bedoel ik seks. Er was nog een kamer naast, en daar moest ik heen lopen. [betrokkene 1] kwam ook naar mij toe en zij zei dat ik het met hem moest doen.

V: Wat zei [betrokkene 1] nog meer?

A: Ze zei dat ik het voor geld moest doen (...).

V: Hoe lang ben je daar geweest?

A: Ik denk een uurtje.

(...)

V: Waarover spraken jullie?

A: (...) Ik zei tegen alle drie dat ik niet wilde. (...) Die andere man zei de hele tijd, wel duizend keer: "kom", "kom hierheen" en hij vroeg of ik sigaretten wilde.

3) Een in wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakt proces-verbaal, genummerd 20171122.12.00, gesloten en getekend op 22 november 2017, als bijlage (pagina's 239 t/m 246) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 1], inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Jullie zijn op 29 oktober 2017 eerst naar een woning in Amsterdam gegaan, daar was een collega van [betrokkene 2]. Wat wilde die collega?

A: Hij wilde seks met mijn vriendin. Zij wilde uiteindelijk niet.

V: We gaan heel even door op die collega van [betrokkene 2] die seks met jouw vriendin wilde.

Wie is jouw vriendin?

A: [slachtoffer].

V: Hoe wist jij dat die man seks met [slachtoffer] wilde?

A: Omdat [slachtoffer] ook contact had met [betrokkene 2] door mij. Toen gingen wij daarheen met [betrokkene 2]. Toen zei [betrokkene 2] dat hij iemand voor haar had geregeld. Uiteindelijk wilde zij niet.

V: Wat gebeurde er toen zij niet wilde?

A: Niets. We vroegen wel de hele tijd aan haar waarom. Maar ze wilde echt niet.

V: Wie vroegen het de hele tijd aan haar?

A: [betrokkene 2] en ik.

4) Een in wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] opgemaakt proces-verbaal, gesloten en getekend op 16 november 2017, als bijlage (pagina's 81 t/m 96, inclusief bijlage) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 2], inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Zijn er op dit moment dingen die u voorafgaand aan dit verhoor kwijt wil?

A: (...) Ik heb twee meisjes opgehaald vanuit [plaats]. Zij zijn meegegaan naar Amsterdam.

V: Hoe lang van tevoren is dit contact ontstaan?

A: Ik weet het echt niet. Zij hadden geld nodig. Zij wilden geld voor seks. (...)

Dit betrof een collega van mijn werk.

V: Wie is die collega van u?

A: Hij werkt met mij. [verdachte].

V: Zijn achternaam?

A: [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]).

(...)

O: het nummer [telefoonnummer 2] staat op naam van [betrokkene 2]. (...)

A: ja, dat klopt, op mijn naam staan drie telefoons.

(...)

(...)

Het Nederlandse meisje appte mij ook.

(...)

V: Dat Nederlandse meisje zoekt contact met jou, hoe staat dit meisje in jouw contactlijst? A: Zij stond onder de naam [slachtoffer] of zoiets. Zij heeft mij toegevoegd.

(...)

A: Ik heb ze opgehaald en heb ze naar Amsterdam gebracht en weer teruggebracht naar [plaats].

(...)

Ik ben met [betrokkene 1] en het Nederlandse meisje naar de [a-straat] geweest waar mijn collega [verdachte] aanwezig was. Na een uurtje ben ik vertrokken.

(...)

V: Wat is nu precies de reden dat jij met hen naar Amsterdam gaat?

A: (...) Ik heb al gezegd dat ze geld nodig hadden. Ik heb gezegd: "Voor wat?" Ze zeiden, als je het niet geeft, dan gaan we met een ander neuken. (...) Ze belde later terug of ik niet iemand anders wist die wilde neuken, bijvoorbeeld een kennis. Ze vroeg ik haar wilde komen ophalen. Ik heb ze opgehaald.

(...)

A: Die meiden vroeger erom en ook mijn vriend [verdachte] zei dat ik de meisjes gewoon moest ophalen.

(...)

V: Wie is [betrokkene 2]?

A: Ik word zo genoemd.

V: Hoe noemde [betrokkene 1] jou?

A: Zij noemde mij [betrokkene 2].

5) Een schriftelijk bescheid, als bijlage (pagina 760 e.v.) gevoegd bij het stamprocesverbaal, voor zover inhoudende een uitgewerkt WhatsApp-gesprek, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Pagina 774: Op 28 oktober 2017 om 9:19 uur stuurt [betrokkene 1] ([telefoonnummer 3]) het telefoonnummer van "[slachtoffer]" ([telefoonnummer 4]), naar [betrokkene 2] ([telefoonnummer 1]):

"Dit is nummer van die meisje".

Pagina 807 en 808: Op 29 oktober 2017 vindt er een chatgesprek plaats tussen [betrokkene 1] ([telefoonnummer 3]) en [betrokkene 2] ([telefoonnummer 1]).

[betrokkene 2] om 10:15 uur: "[betrokkene 1] tot hoe laat blijf je?"

[betrokkene 1] om 10:16 uur en 10:25 uur: "Weet niet. Vraag [slachtoffer]. Zij gaat neuken niet ik."

6) Een in wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 5] opgemaakt proces-verbaal, genummerd 20171121.1319, gesloten en getekend op 8 december 2017, als bijlage (pagina’s 287 t/m 293) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de bevindingen van deze verbalisant, inhoudende, zakelijk weergegeven

pagina 287: In de gegevens van de iPhone 4 van [betrokkene 1] werd een berichtenwisseling aangetroffen tussen het telefoonnummer van [betrokkene 1], [telefoonnummer 3] en het telefoonnummer [telefoonnummer 1]. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd in de contactenlijst van de iPhone 4 van [betrokkene 1] aangeduid als ‘[betrokkene 2]’. (...) Op 16 november 2017 verklaarde [betrokkene 2] dat [betrokkene 1] hem kende onder de naam [betrokkene 2].

7) Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 21 augustus 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik in het pand aan de [a-straat] was toen [betrokkene 1] en [slachtoffer] er waren.

8) Een in wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 5] opgemaakt proces-verbaal, genummerd 20171211.0936, gesloten en getekend op 20 december 2017, als bijlage (pagina's 298 t/m 301) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de bevindingen van deze verbalisant, inhoudende, zakelijk weergegeven:

In dit proces-verbaal van bevindingen worden de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 5], in gebruik bij [verdachte], beschreven. [verdachte] verklaarde tijdens zijn verhoor de gebruiker te zijn van telefoonnummer [telefoonnummer 5].

(...)

In de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer 5], in gebruik bij [verdachte], was te zien dat er op 29 oktober 2017 tussen 08:45 uur en 09:34 uur, 11 keer telefonisch contact was met het telefoonnummer [telefoonnummer 2], in gebruik bij [betrokkene 2]. Daarnaast was er op 29 oktober 2017 om 14:25 uur, om 17:10 uur en om 17:12 uur (drie keer) telefonisch contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 2], in gebruik bij [betrokkene 2].

Op 29 oktober 2017, om 11:49 uur en 15:08 uur, straalde de telefoon van [verdachte] een telefoonmast aan op de [b-straat] te Amsterdam. De afstand tussen de [b-straat] en de [a-straat] te Amsterdam, de locatie waarvan [betrokkene 2] verklaarde dat zijn collega "[verdachte]" er aan het werk was, is volgens Google Maps hemelsbreed ongeveer 143 meter.

(...)

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat:

er op 29 oktober 2017, de dag waarvan [slachtoffer] verklaarde met de NN-verdachte naar een huis in Amsterdam te zijn gereden en waarvan [betrokkene 2] verklaarde in een pand in Amsterdam te zijn geweest waar zijn collega ‘[verdachte]’ aan het werk was, telefonisch contact is geweest tussen [verdachte] en [betrokkene 2].

- De telefoon van [verdachte] op 29 oktober 2017 om 11:49 uur en 15:08 uur een telefoonmast aanstraalde op de [b-straat], in de directe omgeving van de [a-straat] te Amsterdam.”

2.2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, leidt het hof het volgende af.

Medeverdachte [betrokkene 2] heeft [slachtoffer] en [betrokkene 1] op 29 oktober 2017 in [plaats] met de auto opgehaald en hen vervolgens naar het pand aan de [a-straat] in Amsterdam gereden. Er was afgesproken dat de op dat moment dertienjarige [slachtoffer] seks zou hebben voor geld met een man die in dit pand aanwezig was. Daar vraagt [betrokkene 2] aan [slachtoffer] of hij [slachtoffer] en de man alleen zou laten, zegt [betrokkene 1] tegen [slachtoffer] dat ze het met hem moest doen, want dan zou ze geld krijgen, vragen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] de hele tijd aan [slachtoffer] waarom zij niet wilde en zegt de man herhaaldelijk tegen [slachtoffer]: “Kom, kom, kom.”

Het hof heeft bij de beoordeling van dit feit vervolgens de vraag te beantwoorden of het bewezen acht dat verdachte de hiervoor bedoelde man is en dat hij in het pand aan de [a-straat] aanwezig was toen [slachtoffer] en [betrokkene 1] daar ook aanwezig waren.

Het hof beantwoordt deze vragen bevestigend.

Medeverdachte [betrokkene 2] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat verdachte op 29 oktober 2017 in het pand aan de [a-straat] aanwezig was en dat verdachte tegen [betrokkene 2] heeft gezegd de meisjes gewoon op te halen. Zijn verklaring vindt wat betreft de aanwezigheid van verdachte in het pand steun in de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank op 21 augustus 2018 dat het klopt dat hij in het pand aanwezig was toen [betrokkene 1] en [slachtoffer] er waren, alsmede in de mastgegevens die naar aanleiding van het onderzoek aan de telefoon van verdachte zijn verkregen.

Van de aanwezigheid van andere personen in het pand op dat moment is het hof op basis van het dossier ook niet gebleken.

Dat - zoals de raadsman heeft aangevoerd - het niet verdachte, maar een ander onbekend gebleven persoon is geweest die op dat moment in het pand aanwezig was, acht het hof niet aannemelijk.

Het hof heeft vervolgens te beoordelen wat de rol van verdachte in dit feitencomplex is geweest.

Het hof overweegt in dit verband dat uit de verklaringen van [slachtoffer], [betrokkene 1] en [betrokkene 2], alsmede uit de inhoud van de WhatsApp-berichten tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], volgt dat verdachte samen, in een bewuste en nauwe samenwerking, met medeverdachte [betrokkene 2] het plan heeft opgevat dat hij, verdachte, met [slachtoffer] ontuchtige handelingen ging plegen: hij zou gemeenschap met haar hebben.

Het hof overweegt wat betreft de verweten gedragingen die verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met zijn mededaders heeft gepleegd, dat verdachte weliswaar zelf geen digitaal contact heeft gehad met [slachtoffer], maar dat hij wel via zijn mededader [betrokkene 2] en via [betrokkene 1] contact heeft gehad met [slachtoffer]. Daarnaast heeft verdachte, door medeverdachte [betrokkene 2] te zeggen dat "hij de meisjes gewoon moest ophalen", een voor een bewezenverklaring van medeplegen voldoende significante bijdrage geleverd aan het feit dat [slachtoffer] en haar metgezel uiteindelijk in [plaats] zijn opgehaald en naar Amsterdam zijn vervoerd en aan het feit dat [slachtoffer] bij hem is gebracht. Door ten slotte: "Kom, kom, kom" tegen [slachtoffer] te zeggen toen zij in het pand aan de [a-straat] aanwezig was, terwijl haar kort daarvoor was kenbaar gemaakt dat zij seks met verdachte moest hebben voor geld, heeft verdachte aan [slachtoffer] doen weten dat zij seks met hem moest hebben voor geld. Dat de woorden: “Kom, kom, kom” onder deze omstandigheden een seksuele strekking hadden, leidt het hof af uit de daaraan voorafgegane gang van zaken en uit de verklaring van [slachtoffer] over de situatie op dat moment.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen de bij het eerste gedachtestreepje tussen haakjes opgenomen passage dat het contact met [slachtoffer] de vraag betrof over hoeveel seksuele handelingen er met haar gepleegd zouden moeten worden en hoeveel dat zou moeten kosten. Ook acht het hof niet bewezen dat verdachte erop heeft “aangedrongen” dat [slachtoffer] en haar metgezel naar Amsterdam zouden komen, zodat het hof ook de tekst achter het tweede gedachtestreepje niet bewezen acht. De enkele verklaring van [betrokkene 2] dat verdachte zei dat hij, [betrokkene 2], de beide meisjes gewoon moest ophalen, acht het hof daarvoor onvoldoende en verder bewijs voor dat “aandringen” heeft het hof in het dossier niet aangetroffen. De bijdrage van verdachte - waaronder de mededeling aan [betrokkene 2] dat hij de meisjes gewoon moest ophalen - is wat betreft de overige tenlastegelegde gedragingen echter groot genoeg om van “medeplegen” te kunnen spreken.

Dit handelen levert naar het oordeel van het hof een begin van uitvoering op, zoals bedoeld in artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is daarbij van oordeel dat dit handelen van verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht was op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen geprobeerd heeft verdachte ontuchtige handelingen met [slachtoffer] te laten plegen, die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer].”

2.3.1

Artikel 45 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.”

2.3.2

Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf (vgl. HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373).
De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven.

Uit eerdere rechtspraak kan wel het volgende worden afgeleid. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.

2.4.1

Blijkens de bewijsvoering heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld. Nadat de verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 2] hadden vernomen dat de destijds dertienjarige [slachtoffer] “geld voor seks” wilde hebben omdat zij geld nodig had, hebben zij meermalen contact met haar gehad en hebben zij vervolgens [slachtoffer] vervoerd naar de woning waar de daar aanwezige verdachte volgens afspraak [slachtoffer] tegen betaling zou “neuken”. In die woning aangekomen zag [slachtoffer] dat de man met wie zij seks zou hebben een man was die 50 jaar of ouder leek. Toen [slachtoffer] “nee” zei, hebben de verdachte en zijn medeverdachte gedurende ongeveer een uur in die woning op [slachtoffer] ingepraat, waarbij [betrokkene 2] de hele tijd aan [slachtoffer] om uitleg vroeg en waarbij de verdachte herhaaldelijk “kom, kom, kom” tegen [slachtoffer] zei, maar uiteindelijk wilde [slachtoffer] niet. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat sprake is van een strafbare poging om met [slachtoffer] ontuchtige handelingen te plegen, geeft tegen de achtergrond van wat onder 2.3.2 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

2.4.2

Voor zover het cassatiemiddel steunt op de opvatting dat van een begin van uitvoering bij dit delict pas sprake kan zijn bij een eerste lichamelijk contact of fysieke aanraking, faalt het omdat die opvatting geen steun in het recht vindt. Voor zover het cassatiemiddel daarnaast steunt op de opvatting dat van een begin van uitvoering geen sprake kan zijn omdat [slachtoffer] zei dat ze niet wilde, miskent het dat de omstandigheid dat door het ontbreken van toestemming van het beoogde slachtoffer het misdrijf niet werd voltooid, niet in de weg hoeft te staan aan het oordeel dat de vastgestelde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

2.5

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2021.