Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:36

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-2021
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
19/02377
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:712, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:498, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Verbintenissenrecht; onrechtmatige daad curator in hoedanigheid (art. 6:162 BW). Overdracht met toestemming van schuldenaar van tot de boedel behorende levensverzekering (art. 22a lid 2, tweede volzin, Fw). Verhouding tot de bij afkoop of wijziging begunstiging geldende voorwaarde dat verzekeringnemer niet onredelijk benadeeld wordt (art. 22a lid 1 Fw). Informatieplicht curator jegens failliet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/208
INS-Updates.nl 2021-0033
RvdW 2021/132
RI 2021/9
PJ 2021/30
JOR 2021/76 met annotatie van Bartels, J.F.H.M.
JIN 2021/25 met annotatie van Ebels, E.S.
TvPP 2021, afl. 2, p. 67
RAV 2021/23
NJ 2021/286 met annotatie van F.M.J. Verstijlen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/02377

Datum 8 januari 2021

ARREST

In de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

hierna: [eiser],

advocaat: J.H.M. van Swaaij,

tegen

Raymond ARNOLDUS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser],

kantoorhoudende te Veghel,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de curator,

advocaat: M.A.J.G. Janssen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/01/293897/HA ZA 15-370 van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juli 2015 en van 21 september 2016;

  2. de arresten in de zaak 200.205.160/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 maart 2017, 16 mei 2017 en 12 februari 2019.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 12 februari 2019 beroep in cassatie ingesteld.

De curator heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor de curator toegelicht door zijn advocaat en mede door I.C.W. Oomen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van beide partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] is vanaf omstreeks 1997 actief geweest als zelfstandig assurantieadviseur. Zijn onderneming is failliet gegaan. In 2013 is [eiser] ook privé in staat van faillissement verklaard met benoeming van [betrokkene 1] tot curator. Mr. R. Arnoldus is de opvolger van [betrokkene 1] (beiden hierna: de curator).

(ii) Ten tijde van het uitspreken van zijn faillissement was [eiser] verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde van onder meer twee sommenverzekeringen bij:

- Reaal, met polisnummer [001] (hierna: de Reaal-polis),

- Delta Lloyd, met polisnummer [002] (hierna: de Delta Lloyd-polis).

(iii) Op 3 april 2013 heeft de curator aan [eiser] een e-mail gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

“Geachte heer [eiser],

Ik tref 2 beleggingsverzekeringen aan, beide bij Delta Lloyd:

- [002];

- [005].

(…)

Ik wil tot afkoop van de eerste polis overgaan. Ik neem aan dat u geen bezwaar daartegen heeft?”

(iv) Eveneens op 3 april 2013 heeft [eiser] daarop geantwoord, door de e-mail van de curator terug te sturen en daarin met groene letters zijn reactie te typen. Direct na de zin: “Ik wil tot afkoop van de eerste polis overgaan. Ik neem aan dat u geen bezwaar daartegen heeft? ” heeft [eiser] geantwoord:

“Heb ik een keuze?

Bij afkoop van [002] zal de waarde tegen 52% belast worden en daarnaast extra belast met revisie rente (20% over de ingelegde premies), omdat hij niet gebruikt wordt voor het doel waarvoor hij is aangegaan (lijfrente uitkering).

De waarde wordt dus vrijwel geheel wegbelast.

Zijn er mogelijkheden om de polis in stand te houden?

Bovenstaande geldt ook voor de lijfrente verzekering bij Reaal (polisnr [001]) (…).”

(v) Op 19 april 2013 zond [eiser] een e-mail aan de curator met informatie en vragen, onderverdeeld in alinea’s met vetgedrukte kopjes, waaronder:

Mbt afkoop/overname polissen

Graag wil ik met u afstemmen welke keuzes/mogelijkheden er zijn.”

(vi) Op 21 april 2013 zond de curator aan [eiser] een e-mail met als onderwerp “Afkoop/overname polissen” waarin stond:

“Geachte heer [eiser],

U verzocht mij per e-mail d.d. 19/4/’13 om af te stemmen welke mogelijkheden er zijn tot overname/afkoop van polissen. Ik neem aan dat u de Delta Lloyd-polissen bedoelt?

Wie wil de polissen overnemen?”

(vii) Op deze e-mail heeft [eiser] geantwoord bij e-mail van 22 april 2013, als volgt:

Geachte [betrokkene 1],

Wat ik wil bespreken is of het mogelijk is om de lijfrente polissen (…) (mijn opgebouwde pensioen) over te nemen door de afkoopwaarde (na aftrek van belasting) over te maken naar de boedelrekening.

Het te betalen bedrag ben ik verschuldigd aan degene welke de afkoopwaarde betaald heeft. Wat ik wil voorkomen is dat een crediteur daarna weer beslag legt op deze lijfrente polissen (…).

De lijfrente polissen (…) staan op mijn naam en deze kunnen namelijk niet op een andere naam gezet worden om dit te voorkomen.

Het betreft de volgende lijfrente polissen (…), de geschatte bruto waarde per 5-2-2013 is:

Reaal lijfrente verzekering: [001] 74.500

Delta Lloyd lijfrente verzekering [002] 36.500

(…)

Op deze bruto waarde wordt bij afkoop 52% belasting en 20% revisierente ingehouden, zodat ‘slecht’ 28% netto uitkering resteert.

Concrete vraag:

Gaat u akkoord als een derde 28% van de bruto waarde overmaakt van de lijfrente

polissen (…) op een door u opgegeven rekening (…) en

kunt u ervoor zorgdragen dat de crediteuren daar dan geen aanspraak meer op kunnen maken.

Hoor graag van u.”

(viii) Op 23 april 2013 zond de curator aan [eiser] een e-mail, met als onderwerp “afkoop Delta Lloyd polis [002]”, en met de volgende inhoud:

“Geachte heer [eiser],

(...) Ik ben voornemens het voorstel tot afkoop, na te vragen en te verkrijgen toestemming R.C., te accepteren tegen ontvangst van 48% over € 38.750,- = € 18.600,- (i.p.v. 28% zoals u voorstelde).

Wenst de derde voor dat bedrag de polis over te nemen?”

(ix) Eveneens op 23 april 2013 antwoordde [eiser] daarop met een e-mail met onder meer de volgende inhoud:

“Concrete vraag (ook gesteld in mijn e-mail van 22 april):

Gaat u akkoord als een derde 28% van de bruto waarde overmaakt van de lijfrente polissen (…) op een door u opgegeven rekening en kunt u er voor zorgdragen dat de crediteuren dan geen aanspraak meer kunnen maken op de waarde van deze lijfrentepolissen (Reaal lijfrente verzekering [001] & Delta Lloyd polis [002] ) (…).

Mijn voorkeur gaat uit naar overname, zodat ik nog een pensioenvoorziening behoud.”

(x) Op 2 mei 2013 heeft tussen de curator en [eiser] een bespreking plaatsgevonden waarbij ook de Reaal-polis en de Delta Lloyd-polis aan de orde zijn geweest. Bij brief van 6 mei 2013 schreef de curator daarover onder meer aan [eiser]:

“Deels heeft u gelden belegd in oudedagsvoorzieningen. Wij hebben het onder andere gehad over de eerder gewisselde e-mailcorrespondentie met betrekking tot afkoop van het bedrag bij Delta Lloyd ad € 38.750,00. (...)

U deelde mee dat ofwel uw echtgenote, danwel een broer de polis wilde overnemen.

Met betrekking tot uw vraag of de crediteuren, indien één van hen beiden tot aankoop van de polis overgaat, toch niet bij u kunnen “aankloppen”, heb ik u verwezen naar de advocaat van uw echtgenote danwel de advocaat van uw broer. Ik doe daarover geen uitspraken. Afgesproken is in ieder geval dat u een overzicht maakt op basis van alle “investeringen” van bedragen bij verzekeringsmaatschappijen of financiële instellingen met betrekking tot uw oudedagsvoorziening, en of deze al dan niet afkoopbaar zijn, en zo ja, of uw echtgenote/broer tot overname ervan wenst over te gaan.”

(xi) Bij brief van 7 mei 2013 heeft [eiser] aan de curator onder meer geantwoord:

“Geachte [betrokkene 1],

Hierbij mijn opmerkingen/aanvullingen aangaande uw verslag van 6 mei 2013 van onze bespreking op donderdag 2 mei 2013 14.00 uur. (...)

1 Overdracht levensverzekeringen.

Aangegeven is dat u als curator mee wil werken aan de overdracht van de bestaande levensverzekeringen. De poliswaarde na aftrek van de belasting zal worden overgemaakt.

(...)

De volgende polissen komen voor overdracht in aanmerking:

Soort Maatschappij polis nummer waarde belasting overname bedrag

lijfrente Reaal [001] € 91.500 52% € 43.920

lijfrente Delta Lloyd [002] € 38.700 52% € 18.600

(…)

Voorstel:

Graag willen wij bovenstaande polissen overnemen tegen betaling van het berekende overname bedrag, nadat de begunstiging is gewijzigd (…).

Indien u akkoord gaat verneem ik graag van u op welke bankrekeningnummer de overname bedragen gestort dienen te worden en zal ik de verzekeraars verzoeken de genoemde wijzigingen door te voeren.”

(xii) Bij brief van 22 mei 2013 heeft de curator aan de rechter-commissaris toestemming verzocht voor overdracht van de twee onder (ii) genoemde polissen aan de echtgenote van [eiser], [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). De brief vermeldt onder meer:

“De echtgenote van [eiser], [betrokkene 2], heeft een bod gedaan om de (…) polissen over te nemen voor de bedragen die ik anders ook van de maatschappijen zou ontvangen, derhalve € 43.920,00 + € 18.600 (…).

[eiser] ziet zo een mogelijkheid om een stuk pensioen zeker te stellen.

Ik zie geen mogelijkheden om meer te ontvangen voor desbetreffende polissen.

Vandaar verzoek ik u om toestemming om tot verkoop en levering van de (…) voorgenoemde polissen (…) over te gaan aan [betrokkene 2].”

(xiii) De rechter-commissaris heeft toestemming verleend zoals door de curator verzocht. De curator heeft vervolgens bij e-mail van 28 mei 2013 aan [eiser] het volgende geschreven:

“Ik heb inmiddels de toestemming van de R.C. ontvangen.

Ik accepteer hierbij de bieding van uw echtgenote (…).

Vandaar dat Mr Arends in de cc staat.

Graag overleg ik met u(w echtgenote/Mr Arends) omtrent de verdere wijze van afwikkeling.

(...)”

(xiv) In een e-mail van 27 juni 2013 heeft mr. Arends onder meer het volgende aan de curator geschreven:

“Cliënte is bereid het door u genoemde bedrag te betalen, indien dan nu op de kortst mogelijke termijn kan worden geschakeld. (...)”

(xv) In een e-mail van 22 juli 2013 heeft [eiser] aan mr. Arends geschreven:

“Ondanks het feit dat het problemen geeft om het geld in de SEB-polis vrij te krijgen, heeft [betrokkene 2] toch besloten om het totale bedrag € 131.203, over te maken op jullie bankrekening.

Wat er nu geregeld moet worden is dat [betrokkene 2] gemachtigd wordt om te tekenen voor mij als verzekeringsnemer (...)”

(xvi) Op of omstreeks 1 augustus 2013 heeft [betrokkene 2] voor de Reaal-polis een bedrag van € 43.920,-- en voor de Delta Lloyd-polis een bedrag van € 18.600,-- overgemaakt op de boedelrekening.

(xvii) De curator heeft [betrokkene 2] bij machtigingen van 1 augustus 2013 ten aanzien van beide polissen gemachtigd om voor van [eiser] te tekenen. [betrokkene 2] heeft de Reaal-polis en de Delta Lloyd-polis vervolgens doen afkopen.

2.2

[eiser] vordert in dit geding, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, dat de curator wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [eiser] van de waarde van de Reaal-polis en de Delta Lloyd-polis, met verklaring voor recht dat de desbetreffende bedragen buiten de faillissementsboedel vallen. De rechtbank heeft de vordering ten aanzien van de Delta Lloyd-polis toegewezen en ten aanzien van de Reaal-polis afgewezen.

2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [eiser] alsnog geheel afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

In art. 22a lid 1, aanhef en onder a respectievelijk onder b, Fw is bepaald dat buiten de boedel vallen het recht tot afkoop van een levensverzekering en het recht tot wijziging van de begunstiging, voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer daardoor onredelijk wordt benadeeld. In art. 22a lid 2, tweede volzin, Fw is bepaald dat voor overdracht van een levensverzekering de schriftelijke toestemming nodig is van de verzekeringnemer. Het recht tot overdracht is niet een recht dat als zodanig (onder voorwaarden) buiten de boedel valt. De wetgever maakt aldus een onderscheid tussen enerzijds de afkoop en wijziging van de begunstiging en anderzijds de overdracht van de verzekering. Daarbij is een kenmerkend verschil tussen deze rechtsfiguren dat door afkoop en wijziging een aantasting van de pensioenvoorziening van de failliet ten gunste van de boedel plaatsvindt, terwijl bij een overdracht de pensioenvoorziening in stand blijft. De instandhouding van de pensioenvoorziening was blijkens de e-mailcorrespondentie in dit geval ook de reden voor [eiser] om de curator te verzoeken aan een overdracht mee te werken. Bij de toepassing van art. 22a lid 1, aanhef en onder a en b, Fw past de rechter grote terughoudendheid om de uitoefening van bepaalde rechten ten aanzien van een levensverzekering die niet onder de omschrijving van deze bepaling vallen, desondanks – en in afwijking van het beginsel dat de debiteur met zijn gehele vermogen in staat voor zijn schulden – buiten de faillissementsboedel te houden. Nu de wetgever zelf in art. 22a lid 1 Fw (het recht tot) overdracht van de levensverzekering niet heeft aangemerkt als een bevoegdheid die buiten de boedel valt, maar de uitoefening van die bevoegdheid in art. 22a lid 2 Fw slechts afhankelijk heeft gesteld van de toestemming van de failliet, terwijl een overdracht – anders dan een afkoop of wijziging van de begunstiging ten behoeve van de boedel – niet leidt tot een aantasting van de pensioenvoorziening, valt ook in het onderhavige geval het recht tot overdracht of het daarmee gelijk te stellen recht om een derde (de echtgenote) te machtigen om ten aanzien van de verzekering voor de verzekeringnemer te tekenen, niet buiten de boedel. [eiser] heeft aan deze overdracht zijn schriftelijke toestemming verleend, waarmee voldaan is aan de voorwaarde die in art. 22a lid 2, tweede volzin, Fw wordt gesteld aan de uitoefening van de bevoegdheid tot overdracht door de curator. (rov. 9.7.3)

Ook de stelling dat de curator (in zijn hoedanigheid) onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij heeft nagelaten [eiser] erop te wijzen dat de beoogde afkoop een onverplichte inbreuk zou vormen op die oudedagsvoorziening, kan niet leiden tot toewijzing van de vorderingen van [eiser]. Bij de beoordeling van deze grondslag van de vordering zijn de navolgende feiten van belang. [eiser] was vanaf 1997 werkzaam als assurantieadviseur. Toen de curator hem berichtte dat hij voornemens was om over te gaan tot afkoop van de Delta Lloyd-polis, heeft [eiser] zelf aan de curator verzocht om mee te werken aan een overdracht van de Reaal-polis en de Delta Lloyd-polis om zodoende zijn oudedagsvoorziening veilig te stellen. [eiser] wist dus dat er een onderscheid was tussen een afkoop of wijziging van de begunstiging enerzijds en een overdracht anderzijds en dat deze verschillende rechtsfiguren tot een verschillend rechtsgevolg leiden. Daarbij gaf [eiser] aan de curator te kennen dat een overdracht van de polissen aan zijn echtgenote niet alleen van belang was om een uitwinning van de polissen tijdens het faillissement te voorkomen. Door een overdracht zou eveneens worden bewerkstelligd dat ook na de opheffing van het faillissement crediteuren zich niet op die polissen zouden kunnen verhalen, zodat zijn pensioenvoorziening ook voor de toekomst zou worden veilig gesteld. [eiser] heeft in dit verband expliciet aan de curator kenbaar gemaakt dat van belang was dat zijn echtgenote na betaling van de overdrachtswaarde alle zeggenschap zou hebben over de overgenomen polissen. Voorts is van de zijde van de curator onbetwist gesteld dat hij [eiser] naar de advocaat van zijn echtgenote, mr. Arends, heeft verwezen. Mr. Arends behartigde in zijn contacten met de curator mede de belangen van [eiser]. (rov. 9.8.1-9.8.3)

Art. 22a lid 1 Fw brengt mee dat een curator die van plan is om van de hem daarin toegekende bevoegdheden gebruik te maken, in beginsel verplicht is om zelfstandig te beoordelen of de failliet door de uitoefening van die bevoegdheden niet onredelijk wordt benadeeld. Mede gezien de hiervoor geschetste omstandigheden van het geval gaat in deze zaak die verplichting niet zover dat de curator zich, naar aanleiding van het verzoek van [eiser] om de polissen tegen vergoeding aan zijn echtgenote over te dragen, ervan had moeten vergewissen of [eiser] ermee bekend was dat (i) de bevoegdheid van de curator om de polissen tijdens het faillissement af te kopen of de begunstiging ervan te wijzigen beperkt was tot het geval dat [eiser] daardoor niet onredelijk benadeeld zou worden, en dat (ii) bij het uitblijven van een overdracht de polissen wellicht niet (volledig) zouden kunnen worden uitgewonnen door de curator. [eiser] was als assurantieadviseur deskundig op het terrein van levensverzekeringen en lijfrentes en kende het verschil tussen een overdracht enerzijds en afkoop dan wel wijziging van de begunstiging anderzijds. Het initiatief tot overdracht van de polissen ging van hem uit en had als doel om zijn pensioenvoorziening – ook voor de periode na de opheffing van het faillissement – veilig te stellen. Hij werd bijgestaan door mr. Arends, die ook optreedt als curator, en dus kennis heeft van het faillissementsrecht. Onder deze omstandigheden mocht de curator ervan uitgaan dat [eiser], voor zover hij er uit zichzelf al niet mee bekend was dat het recht van de curator tot afkoop of wijziging van de begunstiging van de polissen mogelijk beperkt was of het recht op afkoop of wijziging van de begunstiging mogelijk volledig buiten de boedel viel, hieromtrent op adequate wijze zou worden geïnformeerd door mr. Arends. Gelet op de uitlatingen van [eiser] en van mr. Arends mocht de curator er bovendien van uitgaan dat de echtgenote van [eiser] na de overdracht de pensioenvoorziening (ook) aan [eiser] ten goede zou laten komen.

De curator heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] door hem op dit punt niet uit eigen beweging nader te informeren. (rov. 9.8.4)

3. Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat onjuist of onvoldoende gemotiveerd is het oordeel van het hof (in rov. 9.7.3) dat het recht tot overdracht van een levensverzekering niet een recht is dat buiten de faillissementsboedel valt. Het onderdeel betoogt dat het hof hiermee miskent dat ook een recht tot overdracht van een levensverzekering buiten de boedel valt voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer door overdracht onredelijk benadeeld wordt. Niet valt in te zien waarom art. 22a lid 1 Fw de schuldenaar, voor zover deze onredelijk wordt benadeeld, uitsluitend zou beschermen tegen het doen afkopen van een levensverzekering en niet ook tegen de overdracht ervan (tegen de afkoopwaarde), aldus het onderdeel.

3.1.2

Art. 22a lid 1 Fw bepaalt, voor zover hier van belang, dat buiten de boedel vallen het recht op het doen afkopen van een levensverzekering en het recht op het doen wijzigen van de begunstiging van een levensverzekering, voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer door die afkoop of wijziging van begunstiging onredelijk wordt benadeeld. De curator is dus slechts bevoegd tot afkoop of wijziging van de begunstiging voor zover van een onredelijke benadeling geen sprake is. De strekking van deze bepaling is om een verzekeringnemer of andere begunstigde te beschermen tegen uitwinning in faillissement van een levensverzekering met een verzorgingskarakter waarvoor in andere regelingen geen of onvoldoende bescherming bestaat.1 De maatstaf ‘onredelijke benadeling’ staat toe dat levensverzekeringen die niet of niet geheel nodig zijn ter verzorging van de oude dag of van nabestaanden, geheel of gedeeltelijk kunnen worden uitgewonnen.2

3.1.3

Art. 22a lid 2, tweede volzin, Fw bepaalt dat de curator slechts met schriftelijke toestemming van de verzekeringnemer bevoegd is tot overdracht van de verzekering. Voor overdracht van een levensverzekering in faillissement geldt dus een ander wettelijk regime dan voor afkoop van de verzekering en wijziging van de begunstiging.

3.1.4

De in art. 22a lid 1 Fw opgenomen beperking van het recht van de curator om een levensverzekering te doen afkopen of de begunstiging ervan te doen wijzigen (zie hiervoor in 3.1.2) en de in art. 22a lid 2, tweede volzin, Fw opgenomen beperking van het recht van de curator om een levensverzekering over te dragen (zie hiervoor in 3.1.3), vormen uitzonderingen op de hoofdregel dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden (art. 3:276 BW) en moeten daarom in beginsel strikt worden uitgelegd.3 Beide bepalingen bieden de verzekeringnemer in geval van diens faillissement bescherming, zij het op verschillende wijze, tegen uitwinning van levensverzekeringen met een verzorgingskarakter. Gelet op een en ander is er geen grond om op de bevoegdheid tot overdracht door de curator van een levensverzekering, naast de wettelijke beperking van toestemming van de verzekeringnemer, de niet in de wet opgenomen beperking aan te brengen dat de verzekeringnemer door die overdracht niet onredelijk benadeeld wordt. Het onderdeel faalt derhalve.

3.2.1

Onderdeel 2 is gericht tegen de verwerping door het hof van het betoog van [eiser] dat de curator onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door na te laten te onderzoeken of [eiser] ervan op de hoogte was dat de curator slechts tot afkoop van de levensverzekeringen kon overgaan voor zover [eiser] daardoor niet onredelijk zou worden benadeeld en dat de door [eiser] beoogde instandhouding van de levensverzekeringen dus ook zonder overdracht gewaarborgd zou kunnen worden, en door [eiser] daarover niet te informeren. Het onderdeel klaagt onder meer dat het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is voor zover het steunt op de omstandigheden

- dat [eiser] de overdracht van de polissen geïnitieerd heeft;

- dat instandhouding van de pensioenvoorziening voor [eiser] de reden was om de curator te verzoeken de levensverzekeringen over te dragen;

- dat mr. Arends in zijn contacten met de curator mede de belangen van [eiser] behartigde;

- dat [eiser] als doel had om zijn pensioenvoorziening ook voor de periode na de opheffing van het faillissement veilig te stellen.

3.2.2

Bij de beoordeling van het onderdeel dient tot uitgangspunt dat de curator bij de uitoefening van zijn wettelijke taak ook met de gerechtvaardigde belangen van de gefailleerde rekening heeft te houden, hetgeen in het bijzonder aan de orde kan zijn wanneer het gaat om de voorziening in de eerste levensbehoeften van een particuliere gefailleerde.4 Onder omstandigheden kan van de curator worden verlangd dat hij, wanneer hij op de voet van art. 22a lid 2, tweede volzin, Fw de toestemming van de schuldenaar verkrijgt om tot overdracht van een levensverzekering over te gaan (zie hiervoor in 3.1.3 en 3.1.4), zich ervan vergewist of de schuldenaar die toestemming onder een juiste voorstelling van zaken geeft en dat hij de schuldenaar op zijn rechten ten aanzien van die verzekering wijst.

3.2.3

Blijkens de stukken van het geding in feitelijke instanties heeft [eiser] aangevoerd dat zijn voorstel tot overdracht van de levensverzekeringen een reactie vormde op het door de curator aangekondigde voornemen om tot afkoop over te gaan, en dat zijn voorstel werd ingegeven door zijn wens de levensverzekeringen in stand te houden en aldus zijn pensioenvoorziening te behouden. De klacht dat het hof in het licht van die stelling zijn oordeel niet zonder nadere motivering kon doen steunen op de omstandigheid dat het initiatief tot overdracht van de polissen van [eiser] uitging, is gegrond. In die stelling ligt immers besloten dat de curator, nu [eiser] het voorstel tot overdracht deed in reactie op het aangekondigde voornemen van de curator tot afkoop, had moeten begrijpen dat [eiser] zich er mogelijk niet van bewust was dat ingevolge art. 22a lid 1 Fw (zie hiervoor in 3.1.2) de door hem beoogde instandhouding van de levensverzekeringen ook zonder overdracht gewaarborgd zou kunnen worden, en dat de curator hem daarop had moeten wijzen.

3.2.4

Verder blijkt uit de stukken van het geding in feitelijke instanties dat [eiser] ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg heeft verklaard dat mr. Arends hem in deze kwestie niet heeft bijgestaan, dat mr. Arends slechts heeft gefungeerd als de ontvanger van het geld en niet inhoudelijk betrokken was bij de deal, en dat mr. Arends aan [eiser] ook niets in rekening heeft gebracht. Daarop heeft de curator blijkens het proces-verbaal van die comparitie opgemerkt dat hij niet wist of mr. Arends inhoudelijk betrokken was bij de kwestie van de afkoop. Tegen de achtergrond van die stellingen kon het hof niet slechts op grond van de e-mailwisseling tussen mr. Arends en de curator en tussen [eiser] en mr. Arends (zie hiervoor in 2.1 onder (xiv) respectievelijk onder (xv)) oordelen dat [eiser] werd bijgestaan door mr. Arends en dat mede om die reden de curator zijn informatieplicht niet heeft geschonden. De klacht is ook in zoverre gegrond.

3.2.5

Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof mede aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat [eiser] als doel had om zijn pensioenvoorziening ook voor de periode na de opheffing van het faillissement veilig te stellen, slaagt het eveneens. Het onderdeel wijst met juistheid erop dat art. 479p lid 1, eerste volzin, Rv de schuldenaar buiten faillissement dezelfde waarborg biedt tegen afkoop of wijziging van de begunstiging van een levensverzekering als art. 22a lid 1 Fw in faillissement (zie hiervoor in 3.1.2). Voor zover het oordeel van het hof dat de curator [eiser] niet erover behoefde te informeren dat afkoop van de levensverzekeringen slechts zou kunnen plaatsvinden voor zover hij daardoor niet onredelijk zou worden benadeeld, erop berust dat [eiser] veiligstelling van de levensverzekeringen beoogde ook voor de periode na de opheffing van het faillissement, geeft het derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onvoldoende gemotiveerd.

3.3

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 februari 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 516,19 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de curator deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren, G. Snijders, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 8 januari 2021.

1 Kamerstukken II 1994/95, 22 969, nr. 20, p. 5; Kamerstukken I 1997/98, 22969 en 23429, nr. 297, p. 1.

2 Kamerstukken I 1997/98, 22969 en 23429, nr. 297, p. 2.

3 Vgl. HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8474, rov. 3.3.1.

4 Vgl. HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169.