Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:336

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/02156
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:197
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr) en belaging (art. 285b.1 Sr) door gedurende zijn detentie en verblijf in instelling vele brieven en kaarten te sturen naar aangeefster, waarin hij haar met dood bedreigt, en haar meerdere malen te bellen. Is TBS opgelegd t.z.v. misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor onaantastbaarheid van lichaam van één of meer personen a.b.i. art. 38e.1 Sr en art. 359.7 Sv (geweldsmisdrijf)? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:443, inhoudende dat rechter bij oplegging TBS moet motiveren of deze is opgelegd t.z.v. een geweldsmisdrijf. Dat is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan TBS is opgelegd niet z.m. kan worden gekarakteriseerd als zo’n geweldsmisdrijf, bijvoorbeeld in geval van bedreiging of belaging. In dergelijke gevallen zal rechter zich een oordeel dienen te vormen of, gelet op alle f&o, bewezenverklaarde feit een dergelijk ‘geweldsmisdrijf’ oplevert. Daarbij zal hij niet alleen kunnen betrekken of misdrijf (i.c. bedreiging en belaging) werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag t.o.v. bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, maar ook of aannemelijk is dat de bedreiging zou worden uitgevoerd (vgl. ECLI:NL:HR:2020:1316 m.b.t. PIJ-maatregel a.b.i. art. 77s Sr). ‘s Hofs oordeel dat TBS wordt opgelegd t.z.v. geweldsmisdrijf, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0051 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/726
RvdW 2021/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02156

Datum 2 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 april 2019, nummer 21/004981-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Verder is een brief van de verdachte ingekomen met een “aanvulling” op de schriftuur. De Hoge Raad kan daarop geen acht slaan, omdat de wet bepaalt dat namens de verdachte alleen een advocaat een schriftuur met cassatiemiddelen bij de Hoge Raad kan indienen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering; hierna: Sv).

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e lid 1 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en artikel 359 lid 7 Sv.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. hij op 10 mei 2014 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een kaart naar die [slachtoffer 1] verzonden met daarin onder meer vermeld:

“Tsjakka heel veel sterkte klik, klik, klik” en

“Geniet nog maar even van het leven, als ik vrij kom kun je beter vluchten” “Maar dan nog zal ik je/jullie vinden”. “Wie niet horen wil moet bloeden”.

“Als ik alle leugenaars opruim blijft alleen mijn waarheid over” en “Er zullen meerdere boerderijen te koop komen na dit bloedbad” en “Jij wordt dik van het lood” en heeft verdachte hierbij een “To do list” (met hierop vermeld een aantal namen met een kruis er achter, tevens de naam van die [slachtoffer 1] ) gevoegd voor als hij vrij komt waarin hij een aantal personen benoemt;

2. hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 mei 2015 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, door

- telkens brieven en kaarten te sturen naar die [slachtoffer 1] met onder meer seksueel getinte opmerkingen en

- een brief op 10 juli 2014 aan een bekende van die [slachtoffer 1] te sturen met daarin het zorgplan van verdachte en al dan niet bedreigende opmerkingen te vermelden die betrekking hadden op die [slachtoffer 1] en

- in de periode 15 november 2014 tot en met 2 december 2014 meermalen naar die [slachtoffer 1] te bellen en niets te zeggen en

- op 1 december 2014 haar die [slachtoffer 1] te bellen en te zeggen: “gefeliciteerd met je vader” en

- een kaart naar die [slachtoffer 1] te versturen met daarin onder meer vermeld (zakelijk weergegeven): “Dat hij binnenkort vrij zou komen en langs wil komen om bij te praten en ook afrekenen voor alles”;

3. hij omstreeks de maand december 2014 in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een brief (door tussenkomst van een ander) aan die [slachtoffer 1] doen toekomen met daarin vermeld:

“Er staat een prijs/kruis op je hoofd” en “Ik heb hier het adres van een paar zware criminele/moordenaars gekregen” en “In theorie ben je al dood” en/of “Mijn leven heeft pas weer zin als jij horizontaal onder de zoden ligt” en hierbij gevoegd een schietschijf met daarin getekend: Verlamd, coma, dood, [...] ;

4. hij in de periode van 28 januari 2013 tot en met 3 februari 2015 in Nederland, meermalen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend,

- brieven naar die [slachtoffer 2] verzonden met daarin onder meer vermeld: “Opruimen als ik vrij kom: [slachtoffer 2] met daarachter een kruis” en “Drinken we een op de goede afloop? Vrijspraak of kiest u voor de andere “optie” en

- aan [slachtoffer 1] een “To do list als hij vrij komt” verzonden met daarop vermeld de naam van [slachtoffer 2] met daarachter een kruis en “Geniet nog maar even van het leven als ik vrij kom kun je beter vluchten. Maar dan nog zal ik je vinden. wie niet horen wil moet bloeden”, (hetgeen op 12 december 2014 aan die [slachtoffer 2] ter kennis is gebracht).”

2.2.2

Het hof heeft het bewezenverklaarde onder aanhaling van artikel 285 en 285b Sr, gekwalificeerd als (i) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, (ii) belaging, (iii) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en (iv) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

2.2.3

Het hof heeft gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Met betrekking tot de maatregel van terbeschikkingstelling heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Het hof overweegt dat bedreiging en belaging niet zonder meer zijn aan te merken als geweldsmisdrijven als bedoeld in artikel 38e Wetboek van Strafrecht, zodat TBS met dwangverpleging in beginsel de maximale duur van vier jaren niet te boven kan gaan.

Echter onder omstandigheden kan ook bij bewezenverklaring van artikel 285 en/of 285b van het Wetboek van Strafrecht een ongemaximeerde TBS worden opgelegd.

De Hoge Raad is bij arrest van 12 februari 2013 op deze vraag ingegaan. Of sprake is van een geweldsmisdrijf kan worden afgeleid uit de – al dan niet in onderling verband en samenhang gelezen – overige inhoud van de einduitspraak van de opleggingsrechter, zoals de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de kwalificatie, de motivering van de weerlegging van de gevoerde verweren en de motivering van de opgelegde sanctie(s). Specifiek met betrekking tot bedreiging overweegt de Hoge Raad:

‘Daarbij zal hij onder meer kunnen betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.’

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de doodsbedreigingen zal uitvoeren als hij vrij komt. Nadien heeft hij, zowel tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg als tijdens de behandeling in hoger beroep verschillende uitspraken gedaan waaruit volgt dat hij daadwerkelijk van plan is om de doodsbedreigingen ten uitvoer te brengen.

Gelet op de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de wijze waarop de verdachte zich (over de feiten) uitlaat, de vaststelling met betrekking tot het gedrag van de verdachte, en de reële mogelijkheid dat de verdachte de daad bij het woord zal voegen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat sprake is van geweldsmisdrijven in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.

Het hof acht het daarnaast noodzakelijk dat de TBS met dwangverpleging niet aan enige tijdsduur wordt beperkt, gelet op het volgende.

Uit de over de verdachte opgestelde rapportages, zijn persoonlijkheidsproblematiek, de houding van en de uitlatingen door de verdachte en de omstandigheid dat aan de verdachte eerder de TBS-maatregel met dwangverpleging is opgelegd vanwege belaging en bedreiging van aangeefster, acht het hof het recidivegevaar groot.

Het hof acht het daarnaast niet verantwoord dat de verdachte – zonder dat het recidivegevaar in belangrijke mate is weggenomen – terugkeert in de maatschappij. Het verkleinen van de herhalingskans en het realiseren van hulpverlening is naar het oordeel van het hof alleen mogelijk binnen een zeer strikt juridisch kader waarbij verdachte voor zijn problematiek wordt behandeld. Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat de beveiliging van de samenleving, en in het bijzonder van aangeefster [slachtoffer 1] dient te prevaleren boven de andere doelstelling van de TBS maatregel, te weten het door middel van behandeling weer kunnen terugkeren in de maatschappij. Beveiliging van de maatschappij dient in dit geval leidend te zijn. De verdachte heeft, door in deze zaak te weigeren medewerking te verlenen aan onderzoek van gedragsdeskundigen, iedere opening naar een onderzoek naar alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van het herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt.

Gelet op de ernst van de persoonlijkheidsstoornis, het recidivegevaar, de ernst van de door verdachte gepleegde feiten en de houding van de verdachte ten opzichte van de bewezenverklaarde feiten, ziet het hof geen mogelijkheid voor een ander minder vergaand behandeltraject.”

2.3

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- artikel 37a lid 1 Sr, zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten:

“De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:

1° het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen (...) 285, eerste lid, 285b (...) Wetboek van Strafrecht (...) en

2° de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.”

- artikel 38e lid 1 Sr:

“De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

- artikel 359 lid 7 Sv:

“Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan.”

2.4

Ingeval aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd, dient de rechter – bij voorkeur in de bewoordingen van artikel 359 lid 7 Sv – in zijn motivering van de maatregel tot uitdrukking te brengen of deze is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is opgelegd niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als zo’n geweldsmisdrijf, bijvoorbeeld in geval van bedreiging (artikel 285 Sr) of belaging (artikel 285b Sr), ter zake waarvan op grond van artikel 37a lid 1 onder 1° Sr de onderhavige maatregel kan worden opgelegd. (Vgl. HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:443, rechtsoverweging 3.4.)

In dergelijke gevallen zal de rechter zich een oordeel dienen te vormen of, gelet op alle feiten en omstandigheden, het bewezenverklaarde feit een dergelijk ‘geweldsmisdrijf’ oplevert. Daarbij zal hij niet alleen kunnen betrekken of het misdrijf – in deze zaak: de bedreiging en belaging – werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, maar ook of aannemelijk is dat de bedreiging zou worden uitgevoerd. (Vgl. HR 25 augustus 2020, ECLI:NL:HR:2020:1316, rechtsoverweging 3.5 voor de vergelijkbare situatie van oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen als bedoeld in artikel 77s Sr).

2.5

Het hof heeft vastgesteld dat de bewezenverklaarde bedreigingen – waaronder de bedreigingen die onderdeel waren van de onder 2 bewezenverklaarde belaging – onder meer inhielden dat de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven zou beroven, nadat hij zou vrijkomen. Het hof heeft geoordeeld dat “de reële mogelijkheid” bestond dat de verdachte uitvoering zou geven aan de bedreigingen. Bij dat oordeel heeft het hof onder meer betrokken dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de doodsbedreigingen zal uitvoeren als hij vrij komt en dat de verdachte ook nadien tijdens de behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg en hoger beroep uitspraken heeft gedaan waaruit volgt dat hij daadwerkelijk van plan is om de doodsbedreigingen ten uitvoer te brengen. Gelet hierop en op wat onder 2.4 is vooropgesteld, geeft het oordeel van het hof dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

2.6

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Omdat de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zich naar zijn aard niet voor vermindering leent, zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2021.