Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:321

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/00529
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:29
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen gewoontewitwassen van gelden verkregen uit illegaal tewerkstellen van Poolse en Hongaarse werknemers in Duitsland (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). 1. Had hof kwalificatie-uitsluitingsgrond t.a.v. uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen moeten toepassen? 2. Vormt eenvoudig witwassen specialis a.b.i. art. 55.2 Sr t.o.v. gewoon witwassen?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2842 en ECLI:NL:HR:2014:2913. Gelet op wat is vooropgesteld en in aanmerking genomen wat hof over toedracht van bewezenverklaarde heeft vastgesteld, geeft ‘s hofs oordeel dat dit feit kan worden gekwalificeerd als (medeplegen van gewoonte maken van) ‘witwassen’, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2842. Uit deze rechtspraak volgt dat de kwalificatie door rechter van bewezenverklaard verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerp als ‘(schuld)witwassen’ dan wel ‘eenvoudig (schuld)witwassen’ uitsluitend wordt bepaald door antwoord op vraag of sprake is geweest van gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben van voorwerp en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van criminele herkomst daarvan gericht karakter heeft. Dat betekent dat zich hier niet het in art. 55.2 Sr bedoelde geval voor kan doen waarin voor feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat.

Volgt verwerping. Samenhang met 19/00528 P (ontnemingszaak tegen verdachte) en 6 andere zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0050 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/722
RvdW 2021/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00529

Datum 2 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2019, nummer 21/004564-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het onder 2 bewezenverklaarde (medeplegen van een gewoonte maken van) ‘witwassen’ oplevert.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 mei 2011, in de gemeente Nijmegen en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met rechtspersonen en natuurlijke personen, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, heeft verworven en voorhanden gehad en heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit

- het plegen van sociale verzekeringsfraude en belastingfraude, bestaande uit het niet afdragen van sociale verzekeringspremies en/of belastingen in Nederland en/of Duitsland en

- het in Duitsland zonder vergunning uitlenen en tewerkstellen van personen met een andere dan de Duitse nationaliteit (hetgeen in Duitsland een misdrijf is volgens paragraaf 15 van het Gesetz zur Regelung der gewerbsmässigen Arbeitnehmerüberlassung), terwijl hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”

2.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

“Betrokkenheid rechtspersonen [E] . [A] , [B] en [C]
De in Gibraltar gevestigde [E] (hierna: [E] ) was 100% aandeelhouder van de in Nederland gevestigde vennootschappen [A] (hierna: [A] ) en [B] (hierna: [B] ). Op 14 januari 2008 is [E] overgedragen aan [medeverdachte 1] en op 12 december 2009 heeft [betrokkene 8] een volmacht tot bestuur van de vennootschap gegeven aan [medeverdachte 2] .

Tot 14 januari 2008 was [betrokkene 2] bestuurder van [A] en met ingang van 14 januari 2008 werd [medeverdachte 1] enig aandeelhouder en bestuurder. Van de vennootschap [B] was [betrokkene 6] formeel bestuurder. Voorts was [B] enig aandeelhouder van [C] (hierna: [C] ). Formeel was [betrokkene 6] directeur van deze onderneming. Uit onder meer de hierna te bespreken verklaringen van [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] volgt dat deze formele bevoegdheden niet betekenden dat zij het in de praktijk voor het zeggen hadden. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] waren de grote bazen, waarbij met name [medeverdachte 2] [C] runde en [verdachte] [B] . [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] fungeerden als katvangers.
[medeverdachte 1] heeft onder meer verklaard (V01-07, p. 727 en 728) dat hij via [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] in aanraking is gekomen met [A] en dat hij alleen met [medeverdachte 2] contact heeft gehad over de overname van de aandelen in [E] . Met betrekking tot zijn werkzaamheden voor [A] heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij geen weet heeft van werkzaamheden van vóór de overname van [A] en dat [A] na de overname in de kast is gelegd. Voorts heeft hij verklaard dat hij directeur is geworden van [A] omdat hij daar geld voor kreeg. Het was de bedoeling dat hij [A] een poosje in leven hield en dan weer weg zou doen.

[betrokkene 2] heeft onder meer verklaard (V03-001, p. 820) dat hij in de koppelbaaswereld heeft gezeten als een soort katvanger. Soms moest hij tekenen voor dingen zoals voor banken en voor de huur. Dit deed hij voor [A] . Hij heeft [A] op papier gekocht, maar in werkelijkheid heeft hij het bedrijf nooit in zijn bezit gehad. Hij heeft ook de beschikking gehad over bankrekeningen op naam van [A] . Hij heeft geld opgehaald bij de bank.

Getuige [betrokkene 3] heeft onder meer verklaard (G07-001, p. 1023 en 1024) dat hij werkzaam is bij [C] . Toen hij daar begon met werken heette het bedrijf nog [A] . Hij werkte daar voor [verdachte] , die altijd zijn baas is geweest. De dagelijkse zaken liepen via [verdachte] en [verdachte] was de leidinggevende op kantoor. Voor zijn werkzaamheden moest [betrokkene 3] bellen naar bedrijven in de bouw om klanten te werven. Die bedrijven waren in Nederland, België en Duitsland gevestigd. In de tijd van Duitsland (het hof leest: in de tijd van de Duitse uitzendbureaus) heeft hij niet meer naar klanten gebeld, maar alleen de telefoon aangenomen en doorverbonden naar een andere collega. Op de vraag van verbalisanten of voor het doorschakelen van de telefoons gebruik werd gemaakt van servicebureaus, heeft [betrokkene 3] onder meer verklaard dat hij weet dat zij op de [a-straat] in Nijmegen heel veel telefoonlijnen hadden. Er werkten daar toen ook veel mensen. De telefoon kwam binnen op de centrale en werd door de medewerkers van het kantoor opgenomen. De medewerkers konden niet zien waarvandaan er werd gebeld. Zij namen de telefoon op in het Nederlands en als de tegenpartij een andere taal sprak, gingen zij over op die taal. [betrokkene 3] nam de telefoon niet op onder de naam van het Nederlandse bedrijf waarvoor hij werkzaam was, maar onder de naam van Duitse bedrijven. De namen van die bedrijven wisselden elk jaar. Dat de telefoon onder een andere naam moest worden opgenomen werd door de directie medegedeeld. Met directie bedoelt [betrokkene 3] [verdachte] . [betrokkene 3] was verantwoording schuldig aan onder anderen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] . Verder heeft getuige [betrokkene 3] verklaard dat [A] is overgegaan naar [C] , maar dat er eigenlijk alleen sprake was van een naamswijziging. [betrokkene 3] heeft altijd met dezelfde mensen te maken gehad, alleen de naam van het bedrijf was anders geworden.

Getuige [betrokkene 4] heeft onder meer verklaard (G10-001, p. 1037-1041) dat zij medio 2001 tot ongeveer 2004 bij [A] heeft gewerkt. Daarna heeft zij gesolliciteerd bij [B] . Vanaf medio 2004 was de heer [verdachte] haar baas bij [B] . Op de vraag van verbalisanten of zij betrokken is geweest bij het regelen van de servicebureaus in Duitsland, heeft [betrokkene 4] onder meer verklaard dat zij van haar collega’s over de telefonische doorschakelingen naar Nederland heeft vernomen en dat zij weet dat [betrokkene 1] betrokken was bij de servicebureaus. [betrokkene 1] regelde het allemaal. Daarnaast heeft [betrokkene 4] verklaard dat [betrokkene 2] directeur was bij [A] , maar dat hij daar helemaal niets deed. Haar leidinggevende bij [A] was [betrokkene 1] . Voorts heeft [betrokkene 4] verklaard dat [betrokkene 6] bij [B] directeur is geworden en dat niet [betrokkene 6] , maar [verdachte] het voor het zeggen had bij [B] . Verder heeft [betrokkene 4] verklaard dat [betrokkene 1] tot 2009 wekelijks op donderdag of vrijdag op kantoor kwam bij [B] om geld te overhandigen aan voornamelijk [verdachte] , en aan [medeverdachte 2] als [verdachte] er niet was. Negen van de tien keer werd het geld overhandigd aan [verdachte] . [betrokkene 1] kwam ook wel op het kantoor van [C] . [betrokkene 4] wist bij [A] dat de telefoon van Duitsland naar Nederland werd doorgeschakeld. [betrokkene 4] is bij [B] hetzelfde werk blijven doen als bij [A] . Zij heeft verklaard dat eigenlijk alleen de naam van de werkgever is veranderd. Op de vraag van verbalisanten wie haar opdracht gaf tot het aanvragen van telefoonnummers voor [A] , heeft [betrokkene 4] verklaard dat dat [verdachte] was. Gevraagd naar de functie van [medeverdachte 2] bij [B] , heeft [betrokkene 4] verklaard dat voor [medeverdachte 2] hetzelfde verhaal geldt als voor [verdachte] . [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn voor haar “twee handen op één buik”.

Getuige [betrokkene 5] heeft onder meer verklaard (G11-001, p. 1047-1049) dat hij sinds een jaar of zes bij [C] werkt en dat hij eerst is begonnen op de [b-straat] in Nijmegen bij [A] . Voor zijn werkzaamheden moest [betrokkene 5] verantwoording afleggen aan [betrokkene 1] . Met betrekking tot het bedrijf [C] heeft [betrokkene 5] verder verklaard dat dit hetzelfde bedrijf is als [A] . Bij [C] verrichtte hij dezelfde werkzaamheden als bij [A] , daar veranderde niets aan.
Getuige [betrokkene 6] heeft onder meer verklaard (G12-001, p. 1053-1058) dat hij rond 2002 is begonnen met werken voor [B] . Hij was directeur bij [B] en moest verantwoording afleggen aan [medeverdachte 2] . Ongeveer in 2003 of 2004 kwam [verdachte] in beeld. Vanaf die tijd moest [betrokkene 6] verantwoording afleggen aan [verdachte] . [verdachte] bemoeide zich met de dagelijkse gang van zaken binnen [B] . Hij gaf leiding aan het kantoor en stuurde in grote lijnen de onderneming aan. Voorts heeft getuige [betrokkene 6] verklaard dat [medeverdachte 2] en [verdachte] samen [C] aanstuurden. [verdachte] verrichtte bij [C] dezelfde werkzaamheden als bij [B] , namelijk leiding geven en het kantoorpersoneel aansturen. Tot slot heeft [betrokkene 6] verklaard dat hij zich geen directeur van [B] voelde.

Betrokkenheid overige (rechts)personen

Bij elf in Duitsland en Polen gevestigde firma’s is op enigerlei wijze sprake van betrokkenheid van onder anderen de verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] . Ook is een deel van deze firma’s aan elkaar te linken. Zo was van de firma [F] eerst [betrokkene 1] en later [medeverdachte 1] Geschäftsführer, heeft [betrokkene 1] voor deze firma een bankrekening geopend te Kleve bij de Sparkasse en was [medeverdachte 1] , al voordat hij Geschäftsführer werd, bevoegd voor deze rekening. [medeverdachte 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [D] , maar de versnipperde administratie van deze firma is bij [betrokkene 1] thuis aangetroffen.

De brieven van de firma [G] zijn ondertekend door [medeverdachte 1] , terwijl hij formeel niets met deze firma van doen had. Getuige [betrokkene 7] heeft onder meer verklaard dat [A] acquisitie deed voor dit bedrijf en dat hij eerst verantwoording moest afleggen aan [betrokkene 1] en later aan [medeverdachte 1] (G13-001, p. 1063).

Voor de firma’s [I] en [J] heeft [betrokkene 1] een bankrekening geopend te Kleve bij de Sparkasse. [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] hebben in opdracht geld opgehaald van deze bankrekening. [betrokkene 2] heeft dit in opdracht van [betrokkene 1] gedaan.

[medeverdachte 1] was vanaf 21 februari 2008 bestuurder van de firma’s [H] en [N] . Hij is ook naar Polen gegaan om de [N] over te nemen en de naam te wijzigen. Tevens heeft hij in Polen bij de ING-bank een rekening op naam van deze firma geopend. Met een bankpas die hij van [betrokkene 1] heeft gekregen, heeft hij geld opgehaald bij de Sparkasse te Kleve.

Op naam van [betrokkene 1] is voor [L] en [O] een lening afgesloten bij [E] .

[betrokkene 2] heeft op 1 juni 2009 de bankrekening bij de Sparkasse te Kleve overgenomen en de administratie van deze firma is aangetroffen op het woonadres van [betrokkene 2] . Ook voor [M] heeft [betrokkene 1] een bankrekening geopend in oktober 2007. [betrokkene 1] heeft van deze firma een maandloon van € 1.638,83 ontvangen en daarnaast een managementfee van € 1.000,- per maand en een vergoeding van € 890,- per maand in verband met het Geschäftsführer-contract.

De telefoongesprekken van de firma’s [G] , [I] , [J] , [K] , [H] en [N] . werden doorgeschakeld naar Nederland en van daaruit onder feitelijke leiding van [medeverdachte 2] en [verdachte] afgewikkeld. Deze doorschakelingen waren vanuit de vennootschappen in Nederland geregeld en de klanten van de Poolse en Duitse firma’s mochten niet weten dat zij in werkelijkheid naar Nederland belden in plaats van naar Duitsland. Dit blijkt onder meer uit de hierboven genoemde verklaring van getuige [betrokkene 3] inhoudende dat hij de telefoon niet opnam onder de naam van het Nederlandse bedrijf waarvoor hij werkzaam was, maar onder de naam van een Duits bedrijf. Voorts blijkt dit uit de verklaring van getuige [betrokkene 7] . Op de vraag van verbalisanten of bij verkrijging van opdrachten vanuit Duitsland gebruik werd gemaakt van servicebureaus voor het doorschakelen van telefoons, heeft [betrokkene 7] onder meer verklaard dat dit inderdaad het geval was. Voorts heeft [betrokkene 7] verklaard dat hij voor [A] werkte, maar dat hij zich bij de Duitse opdrachtgevers voorstelde met de naam van het Duitse bedrijf waarvoor hij moest bellen (G13-001, p. 1063). Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat niet elk van de verdachten een (formele) betrokkenheid had bij alle genoemde rechtspersonen. Uit met name de verklaringen van [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] volgt naar het oordeel van het hof echter dat er sprake was van een zodanige werkwijze en een zodanige vaste organisatie met verschillende rollen en taakverdelingen in nauwe samenwerking, waarbij de verschillende gebruikte rechtspersonen min of meer inwisselbaar waren en door elkaar liepen, dat sprake is van deelneming aan een criminele organisatie van de
(rechts-)personen in de bewezenverklaring ondanks het soms ontbreken van een formele betrokkenheid bij de onderscheidenlijke rechtspersonen.


Werkwijze

Het hof is op grond van de verklaringen van [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en de rechtshulpverzoeken van oordeel dat de vennootschappen [A] , [B] en [C] binnen de organisatie een faciliterende rol vervulden. Zij beschikten over kantoorruimtes, werknemers en diverse elektronica en vanuit hier werden de contracten met de opdrachtgevers gesloten. De opdrachtgevers waren echter in de veronderstelling dat zij te maken hadden met een van de hierboven genoemde Duitse of Poolse firma’s.

Met steeds wisselende Duitse of Poolse firma’s werd door verdachten personeel aangeboden aan diverse Duitse bouwbedrijven tegen zeer concurrerende prijzen. Afdrachten aan de Duitse fiscale of sociale autoriteiten inzake dat in Duitsland werkzame personeel vonden niet plaats.

Door de Duitse onderzoekers is vastgesteld dat de werknemers niet verzekerd waren. Uitbetaling van de omzet vond veelal contant plaats of via een bankrekening in Kleve, waarna de bedragen door diverse verdachten contant werden opgenomen.

Witwassen

Door deze werkwijze hebben de firma’s [G] , [I] , [J] , [H] , [M] , [L] en [O] in de jaren 2006 tot en met 2009 in totaal een omzet behaald van € 5.104.716,-. Dit geldbedrag is gedurende de ten laste gelegde periode contant opgenomen door onder andere [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van de rekeningen ten name van [F] , [O] , [J] en [Q] , alle gevestigd in Kleve, dan wel door inleners van personeel contant betaald. Deze contanten zijn - na aftrek van kosten, waaronder loon - afgegeven aan [medeverdachte 2] en [verdachte] .

[betrokkene 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] hebben de geldbedragen eerst verworven en vervolgens voorhanden gehad. Met name [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] hebben deze gelden overgedragen aan [betrokkene 1] , die de gelden op zijn beurt weer aan [medeverdachte 2] en [verdachte] overhandigde. Door het contant opnemen is van giraal geld chartaal geld gemaakt en is sprake van de witwashandeling omzetten. Door het verwerven, voorhanden hebben, omzetten en overdragen van de totale omzet, zijn de gelden aan het zicht van in ieder geval de fiscus onttrokken, waardoor deze gelden zijn witgewassen. Nu deze witwashandelingen over een lange periode - de jaren 2006 tot en met 2009 - hebben plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt, terwijl zij wisten dat de gelden afkomstig waren van misdrijven.”

2.3

Het cassatiemiddel klaagt allereerst dat het hof de zogenoemde kwalificatie-uitsluitingsgrond had moeten toepassen en het onder 2 bewezenverklaarde feit daarom niet had mogen kwalificeren als (medeplegen van een gewoonte maken van) ‘witwassen’.

2.4.1

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):

“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”

- Artikel 420ter Sr:

“1. Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die zich schuldig maakt aan witwassen in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.”

- Artikel 420quater Sr:

“1. Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”

2.4.2

Artikel 420bis Sr en artikel 420quater Sr betreffen de strafbaarstelling van gewoon (schuld)witwassen. De Hoge Raad heeft in het arrest van 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842 zijn rechtspraak over de delictsgedragingen ‘verwerven’ en ‘voorhanden hebben’, zoals opgenomen in artikel 420bis lid 1, onder b, Sr en artikel 420quater lid 1, onder b, Sr, als volgt weergegeven:

“Ten aanzien van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die “onmiddellijk” uit “eigen” misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als gewoon (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer het gaat om gewoon (schuld)witwassen bestaande in het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtspraak over de kwalificeerbaarheid van gewoon (schuld)witwassen houdt in dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het gewoon (schuld)witwassen van die voorwerpen, een misdrijf waarop een gevangenisstraf van zes jaren respectievelijk twee jaren is gesteld. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.”

2.4.3

Over de toepasselijkheid van deze regels met betrekking tot de kwalificeerbaarheid van gewoon (schuld)witwassen op gevallen waarin de – in artikel 420bis lid 1, onder b, Sr en artikel 420quater lid 1, onder b, Sr ook opgenomen – delictsgedragingen ‘overdragen’, ‘gebruik maken’ en ‘omzetten’ zijn bewezenverklaard, heeft de Hoge Raad in onder meer zijn arrest van 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 het volgende overwogen:

“Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het “overdragen” en het “omzetten” – een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan die begrippen toekomt – van zulke voorwerpen, en evenmin op het daarin voorkomende begrip “gebruik maken”.
In het vorenstaande wordt gesproken over “in beginsel”, omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk “overdragen”, “gebruik maken” of “omzetten” van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor (...) weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan “verwerven” of “voorhanden hebben”. In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als “witwassen”, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven (...) omschreven zin.”

2.5.1

De vaststellingen van het hof houden, kort gezegd, het volgende in. De verdachte gaf samen met een medeverdachte leiding aan drie in Nederland gevestigde en door katvangers bestuurde uitzendbureaus die zonder de in Duitsland vereiste vergunning Poolse en Hongaarse werklieden uitleenden aan onder meer Duitse bouwbedrijven. Die bedrijven werden in de valse veronderstelling gebracht dat zij zaken deden met Duitse of Poolse uitzendbureaus, onder meer door hun telefonische oproepen vanuit Duitsland naar die Nederlandse uitzendbureaus door te schakelen en hen onder een buitenlandse naam te woord te staan. De door die buitenlandse uitzendbureaus behaalde omzet werd door medeverdachten contant van bankrekeningen in Kleve opgenomen en daarmee werd giraal geld in chartaal geld omgezet. Die contanten evenals de door inleners van personeel ook wel contant betaalde geldbedragen zijn – na aftrek van kosten, waaronder loon – overgedragen aan een andere medeverdachte die de gelden naar Nederland vervoerde en deze aan de verdachte gaf. Hierdoor zijn de gelden aan het zicht van de fiscus onttrokken en hebben afdrachten aan de Duitse fiscale of sociale autoriteiten met betrekking tot het in Duitsland werkzame personeel niet plaatsgevonden.

2.5.2

Gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld en in aanmerking genomen wat het hof over de toedracht van het onder 2 bewezenverklaarde heeft vastgesteld, geeft het oordeel van het hof dat dit feit kan worden gekwalificeerd als (medeplegen van een gewoonte maken van) ‘witwassen’, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

2.6

Voor zover het cassatiemiddel verder klaagt over de kwalificatie ‘witwassen’ omdat eenvoudig witwassen uit artikel 420bis.1 Sr een bijzondere strafbepaling in de zin van artikel 55 lid 2 Sr zou vormen ten opzichte van witwassen uit artikel 420bis lid 1 Sr, verdient het volgende opmerking.

2.7.1

Op 1 januari 2017 is de Wet van 23 augustus 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot bestrijding van het verwerven en voorhanden hebben van uit misdrijf afkomstige voorwerpen (aanpassing witwaswetgeving), Stb. 2016, 313 in werking getreden. Met deze wet zijn de delicten ‘eenvoudig witwassen’ (artikel 420bis.1 Sr) en ‘eenvoudig schuldwitwassen’ (artikel 420quater.1 Sr) ingevoerd.

2.7.2

Artikel 420bis.1 Sr luidt:

“Witwassen dat enkel bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf wordt als eenvoudig witwassen gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.”

Artikel 420quater.1 Sr luidt:

“Schuldwitwassen dat enkel bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf wordt als eenvoudig schuldwitwassen gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de vierde categorie.”

2.7.3

De Hoge Raad heeft over deze bepalingen in zijn arrest van 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842 het volgende overwogen:

“(...) de art. 420bis.1 en 420quater.1 Sr [vullen] de bestaande witwasbepalingen in die zin aan dat het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, ook kan worden bestraft als vorm van witwassen, zonder de vaststelling van gedragingen van de verdachte die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Alsdan moet het bewezenverklaarde verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, worden gekwalificeerd als eenvoudig (schuld)witwassen, als bedoeld in de art. 420bis.1 of 420quater.1 Sr. Is er, bij dezelfde bewezenverklaring, naar het oordeel van de rechter wel sprake van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft, dan kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd als – gewoon – (schuld)witwassen als bedoeld in art. 420bis of art. 420quater Sr.”

2.8

Uit deze rechtspraak volgt dat de kwalificatie door de rechter van het bewezenverklaarde verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerp als ‘(schuld)witwassen’ dan wel ‘eenvoudig (schuld)witwassen’ uitsluitend wordt bepaald door het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben van het voorwerp en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan gericht karakter heeft. Dat betekent dat, anders dan het cassatiemiddel betoogt, zich hier niet het in artikel 55 lid 2 Sr bedoelde geval voor kan doen waarin voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat.

2.9

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 42 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 40 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2021.