Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:273

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2021
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
19/03244
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:594, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:1808, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overheidsprivaatrecht. Procesrecht. Strafrecht. Door advocaten onder de Staat (openbaar ministerie) gelegd bewijsbeslag wegens beweerde schending van hun verschoningsrecht. Vordering Staat tot opheffing bewijsbeslag. Criteria Molenbeek-uitspraak (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958). Vordering advocaten in geval van schending verschoningsrecht? Staan Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens in de weg aan beslag? Aannemelijkheid vordering. Noodzaak beslag; vrees voor verlies bewijs. Voldoende bepaald omschreven bescheiden? Beoordeling gewichtige redenen als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv in exhibitieprocedure. Toepasselijkheid van de art. 22 en 28 Rv in die procedure. Beslag op stukken strafzaak en strafrechtelijk onderzoek. Art. 436 en 703 Rv. Verschuldigdheid beslagkosten (art. 706 Rv). Verbod ex art. 28 Rv om mededelingen te doen. De Hoge Raad doet zelf zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-02-2021
FutD 2021-0672
NJB 2021/660
RvdW 2021/236
TT 2021/18 met annotatie van Leon-van den Berg, N.A. de
JIN 2021/48 met annotatie van Bruijn, V.J.C. de
RAV 2021/32
JOR 2021/139 met annotatie van Fanoy, N.A.M.E.C.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/03244

Datum 19 februari 2021

ARREST

In de zaak van

DE STAAT DE NEDERLANDEN,
zetelende te Den Haag,

EISER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de Staat,

advocaat: S.M. Kingma,

tegen

1. [verweerder 1],

2. [verweerster 2],

3. [verweerder 3],

4. [verweerder 4],
allen wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de Advocaten,

advocaten: A.E.H. van der Voort Maarschalk en A.M. van Aerde.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/01/342861/KG ZA 19-62 van de rechtbank Oost-Brabant van 26 februari 2019 en 29 maart 2019;

  2. de arresten in de zaak 200.257.497/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 april 2019 en 14 mei 2019.

De Staat heeft tegen het arrest van het hof van 14 mei 2019 beroep in cassatie ingesteld. De Advocaten hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Advocaten mede door M.J.C. van der Vegte.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof en in het incidenteel cassatieberoep tot verwerping.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Opsporingsonderzoek

(i) Vanaf 4 juli 2013 hebben rechercheurs van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD) onder leiding van officieren van justitie in het functioneel parket te ’s-Hertogenbosch onderzoek gedaan naar een vermogensbeheerder, haar dochtervennootschap en hun bestuurders (hierna: de vermogensbeheerder, en tezamen: de vermogensbeheerder c.s.) ter zake van een verdenking van valsheid in geschrift en witwassen.

(ii) Vanaf maart 2015 hebben de Advocaten rechtsbijstand verleend aan de vermogensbeheerder en aan haar gelieerde (rechts)personen.

Vordering tot verstrekking van gegevens door hostingbedrijf

(iii) Op 1 september 2015 heeft de rechter-commissaris voor strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant aan de officier van justitie machtigingen verleend om van het hostingbedrijf waar de vermogensbeheerder en haar dochtervennootschap hun e-mailverkeer hadden ondergebracht, de verstrekking te vorderen van digitale gegevens als bedoeld in de art. 126ng lid 2 en 126ug lid 2 Sv.

(iv) De officier van justitie heeft, met gebruikmaking van deze machtigingen, van het hostingbedrijf onmiddellijke verstrekking van de desbetreffende gegevens gevorderd. Een medewerker van het hostingbedrijf heeft aan die vordering gevolg gegeven door aan de vermogensbeheerder gerelateerde databestanden te kopiëren naar een externe USB harde schijf (hierna: de USB harde schijf) die in gebruik was bij de betrokken opsporingsambtenaar.

(v) De vermogensbeheerder c.s. en de Advocaten zijn, overeenkomstig de wettelijke regeling, achteraf bekendgemaakt met de van het hostingbedrijf gevorderde verstrekking van digitale gegevens.

Vastlegging van door hostingbedrijf verstrekte gegevens, ‘uitgrijzen’ van geheimhoudersstukken en opneming gegevens in eindproces-verbaal

(vi) Van de zich op de USB harde schijf bevindende – circa twee miljoen – bestanden hebben forensische IT-specialisten van de FIOD een zogenoemde ‘image-kopie’ en een ‘werkkopie’ gemaakt. De werkkopie is overgezet in een softwareprogramma waarmee grote hoeveelheden data kunnen worden geïndexeerd en doorzocht.

(vii) Door middel van gerichte, op de strafzaak toegesneden zoektermen zijn uit de verkregen bestanden op automatische wijze gegevens geselecteerd die relevant moeten worden geacht voor het strafrechtelijk onderzoek.

(viii) Bij het inventariseren van de door de zoektermen geraakte bestanden is de FIOD gestuit op e-mails die, blijkens in de onderwerpregel gebruikte woorden als ‘vertrouwelijk’, ‘geprivilegieerd’ of ‘advocaat’, mogelijk vertrouwelijke correspondentie betroffen tussen een advocaat (geheimhouder) en zijn cliënt. Een opsporingsambtenaar van de FIOD heeft met behulp van zoektermen circa 3.000 bestanden geselecteerd als mogelijke ‘geheimhoudersstukken’. Deze bestanden zijn ‘uitgegrijsd’. Wanneer een bestand is ‘uitgegrijsd’ kan het niet meer worden ‘geraakt’ door zoektermen bij eventuele volgende zoekslagen en is de inhoud ervan niet meer zichtbaar voor de bij het onderzoek betrokken opsporingsambtenaren. Vervolgens zijn de ‘uitgegrijsde’ bestanden door een forensisch IT-specialist verwijderd uit de dataset, waardoor zij ontoegankelijk werden voor opsporingsambtenaren in het onderzoek.

(ix) Wegens problemen met de indexering van de oorspronkelijke werkkopie is een nieuwe geïndexeerde werkkopie gemaakt van de originele imagekopie. Ook met betrekking tot deze nieuwe werkkopie zijn met behulp van zoektermen mogelijke geheimhoudersstukken geselecteerd, waarna de desbetreffende bestanden zijn ‘uitgegrijsd’.

(x) De uit de dataset verwijderde (‘uitgegrijsde’) bestanden zijn aan een zogeheten ‘medewerker geheimhouder’ van de FIOD ter beschikking gesteld. Hij heeft op basis van een zogenoemde ‘kop-staart-beoordeling’ onderzocht of inderdaad mogelijk sprake was van ‘geheimhoudersstukken’. Circa 150 aldus geselecteerde bestanden zijn vervolgens voorgelegd aan een ‘geheimhouder officier van justitie’. Deze heeft, op basis van een inhoudelijke beoordeling, 50 van deze circa 150 bestanden aangemerkt als geheimhoudersstuk. De resterende circa 100 bestanden (die dus niet als geheimhoudersstuk zijn aangemerkt) zijn ter beschikking van het onderzoeksteam gesteld.

(xi) Van de door het hostingbedrijf uitgeleverde bestanden zijn uiteindelijk ongeveer 100 bestanden (waaronder e-mailberichten) opgenomen in het eindproces-verbaal ten behoeve van de strafzaak tegen de vermogensbeheerder c.s.

Inbeslagneming van stukken bij accountantskantoor en beroep van Advocaten op verschoningsrecht

(xii) De bij het hostingbedrijf aangetroffen bestanden, in het bijzonder de bestanden die in het onderzoek met de nummers DOC-[001] tot en met DOC-[005] zijn aangeduid, hebben aanleiding gegeven tot doorzoeking ter inbeslagneming op grond van art. 96c Sv bij de accountant van de vermogensbeheerder (hierna: het accountantskantoor).

(xiii) Op 1 december 2016 heeft doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden op twee locaties van het accountantskantoor. Op een van die locaties zijn (aan de vermogensbeheerder c.s. gerelateerde) papieren bescheiden en digitale bestanden in beslag genomen. De digitale bestanden zijn ter plekke op relevantie geselecteerd door middel van een zogenoemde ‘kop-staart-beoordeling’. Van de aldus geselecteerde bestanden is een kopie gemaakt, die is opgeslagen op een harde schijf van de FIOD. De advocaat van het accountantskantoor en een van de Advocaten hebben zich tijdens de doorzoeking beroepen op een verschoningsrecht.

(xiv) De papieren bescheiden en de op de harde schijf opgeslagen digitale bestanden zijn in twee gesloten enveloppen meegenomen en overhandigd aan de rechter-commissaris ter beoordeling of de in beslag genomen stukken en vastgelegde gegevens onder het bereik van het verschoningsrecht vallen en of het openbaar ministerie daarvan kennis mag nemen.

(xv) In het kader van die beoordeling heeft de rechter-commissaris ondersteuning door de FIOD verzocht. Deze ondersteuning is geboden door drie opsporingsambtenaren van de FIOD, te weten twee ‘digimedewerkers’, die de data digitaal hebben ontsloten, en een ‘medewerker geheimhouder’, die een overzicht heeft gemaakt van alle bestanden die zich op de gegevensdrager bevonden.

(xvi) De Advocaten hebben het standpunt ingenomen dat alle bij het accountantskantoor in beslag genomen papieren bescheiden en digitale bestanden onder het verschoningsrecht vallen, zodat deze stukken niet in beslag hadden mogen worden genomen en moeten worden teruggegeven aan het accountantskantoor. Tevens hebben zij het standpunt ingenomen dat de doorzoeking bij het accountantskantoor onrechtmatig was, omdat de doorzoeking voortvloeit uit het gebruik van door het hostingbedrijf verstrekte e-mails die onder het verschoningsrecht van de Advocaten vallen.

Bezwaar- en beklagprocedure over de bij het accountantskantoor in beslag genomen stukken

(xvii) In het kader van het door de Advocaten gedane beroep op hun verschoningsrecht in verband met de inbeslagneming bij het accountantskantoor heeft de rechter-commissaris op 10 januari 2018 een beschikking op grond van art. 98 Sv gegeven. De rechter-commissaris heeft het bezwaar van de Advocaten ongegrond verklaard en bepaald dat het openbaar ministerie kennis mag nemen van de stukken die zijn vermeld op de aan de beschikking gehechte overzichten, omdat deze niet zijn aan te merken als geheimhoudersstukken.

(xviii) De Advocaten hebben op de voet van art. 98 lid 4 Sv in verbinding met art. 552a Sv bij de rechtbank een klaagschrift ingediend tegen die beslissing.

(xix) Bij beschikking van 13 september 2018 heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard en de teruggave gelast van de bij het accountantskantoor in beslag genomen stukken, voor zover het betreft stukken die betrekking hadden op een onderzoek dat de Advocaten aan het accountantskantoor hadden opgedragen, en alle informatie die de door de Advocaten ingeschakelde onderzoeker onder zich had. Anders dan de rechter-commissaris was de rechtbank van oordeel dat deze stukken moeten worden aangemerkt als geheimhoudersstukken. De rechtbank achtte niet onaannemelijk dat het accountantskantoor als deskundige door de Advocaten was ingeschakeld bij een behoorlijke vervulling van hun taak.

(xx) De onder (xix) genoemde beschikking is onherroepelijk geworden. De officier van justitie heeft daarin aanleiding gezien om te besluiten de hiervoor onder (xii) genoemde documenten DOC-[001] tot en met DOC-[005] – die aanleiding hadden gegeven tot de doorzoeking ter inbeslagneming bij het accountantskantoor – te verwijderen uit het eindproces-verbaal, dat aan de rechtbank wordt aangeboden bij het aanbrengen van de strafzaak. Aan dit besluit is nog geen uitvoering gegeven, naar de Staat in deze procedure heeft aangevoerd omdat het bewijsbeslag dat de inzet vormt van deze procedure, daaraan in de weg staat.

Bewijsbeslag en exhibitieprocedure

(xxi) Bij beschikking van 4 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter aan de Advocaten verlof verleend voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van de Staat, op bescheiden als omschreven in het inleidende verzoekschrift.1 De voorzieningenrechter heeft de Staat gelast medewerking te verlenen aan de effectuering van dit bewijsbeslag, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het verlof is mede gegeven voor beslag in de vorm dat kopieën worden gemaakt van alle bescheiden, en dat die kopieën aan een gerechtelijk bewaarder worden gegeven.

(xxii) Op 8 januari 2019 zijn de verlofbeschikking en een afschrift van het verlofverzoekschrift aan de Staat betekend. Op diezelfde dag en nadien is bewijsbeslag gelegd op originelen en kopieën van de in die beschikking bedoelde bescheiden.

(xxiii) Als eis in de hoofdzaak hebben de Advocaten de rechtbank bij verzoekschrift onder meer verzocht de Staat op grond van art. 843a Rv bevel te geven tot het verstrekken van bescheiden (hierna: de exhibitieprocedure).

(xxiv) Ten tijde van het wijzen van het in cassatie bestreden arrest was de exhibitieprocedure nog aanhangig bij de rechtbank.

2.2.1

In dit kort geding vordert de Staat, voor zover in cassatie van belang, opheffing van het bewijsbeslag. Aan deze vordering heeft de Staat verschillende gronden ten grondslag gelegd.

2.2.2

De Advocaten hebben, voor zover in cassatie van belang, in reconventie gevorderd een verbod om gebruik te maken van de gegevens waarover de Staat in de strafzaak beschikt en die volgens hen onder hun verschoningsrecht vallen (hierna, overeenkomstig het arrest van het hof: geprivilegieerde gegevens), alsmede een verbod op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b, Rv om mededelingen te doen aan derden omtrent geprivilegieerde gegevens die in de processtukken in dit kort geding zijn opgenomen, en een veroordeling op de voet van art. 706 Rv om de door de Advocaten gemaakte beslagkosten te vergoeden.

2.2.3

Aan het bewijsbeslag, hun verweer in dit geding en hun reconventionele vordering hebben de Advocaten ten grondslag gelegd dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen de vermogensbeheerder c.s. inbreuk is gemaakt op de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen de Advocaten en hun cliënten en dat aldus hun verschoningsrecht is geschonden.

2.3

De voorzieningenrechter heeft de vordering van de Staat, voor zover in cassatie van belang, afgewezen.2 In reconventie heeft de voorzieningenrechter de Staat op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b, Rv verboden om mededelingen aan derden te doen omtrent geprivilegieerde gegevens die in de processtukken van deze procedure zijn opgenomen. De voorzieningenrechter heeft de Advocaten voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

2.4

Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd.3 Het heeft (1) de in de verlofbeschikking van 4 januari 2019 aan de Staat opgelegde dwangsom opgeheven, (2) het op grond van die verlofbeschikking gelegde bewijsbeslag opgeheven, voor zover dit is gelegd op méér dan de door het hof in het dictum onder A tot en met C omschreven bescheiden, (3) de Staat veroordeeld een digitale kopie van het onder C van dat dictum genoemde FIOD-journaal te verstrekken aan de deurwaarder of aan de door deze aangewezen gerechtelijke bewaarder, op straffe van verbeurte van een dwangsom indien hij niet tijdig aan deze veroordeling voldoet, (4) de Staat op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b, Rv verboden om mededelingen aan derden te doen omtrent geprivilegieerde gegevens die in de processtukken van dit kort geding zijn opgenomen, en (5) de Staat veroordeeld om aan de Advocaten de door hen gemaakte beslagkosten te voldoen.

2.5

Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, onder meer het volgende overwogen.

Tegen de beslissing tot het verlenen van verlof voor beslag is geen hogere voorziening toegelaten (art. 700 lid 2, laatste volzin, Rv). Het is daarom niet aan de rechter in een opheffingskortgeding om te oordelen of het verlof tot het leggen van het beslag al dan niet terecht is verleend. (rov. 6.7.2)

Volgens vaste rechtspraak ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing van het beslag vordert, om met inachtneming van de beperkingen van een kort geding aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of het beslag onnodig is. Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat beide partijen naar voren hebben gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van een afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag (HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105). (rov. 6.7.4)

Bij toepassing van deze maatstaf op het onderhavige geschil is van belang dat het in dit geval niet gaat om een conservatoir beslag dat strekt tot het verzekeren van verhaal van een geldvordering, maar om een conservatoir beslag dat ertoe strekt bewijsmiddelen veilig te stellen. In HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958 (Molenbeek) is beslist dat art. 730 Rv en art. 843a Rv voldoende grondslag bieden voor het leggen van een bewijsbeslag ook in niet-IE-zaken en dat art. 1019a leden 1 en 3 Rv, art. 1019b leden 3 en 4 Rv en art. 1019c Rv, voor zover nodig, overeenkomstig van toepassing zijn. (rov. 6.7.5)

Uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens volgt naar het voorlopig oordeel van het hof niet zonder meer dat een civielrechtelijk bewijsbeslag op de geprivilegieerde gegevens en op gegevens die daarmee verband houden, niet mogelijk is. Ook de Wet politiegegevens staat naar het voorlopig oordeel van het hof niet in de weg aan het bewijsbeslag. (rov. 6.8.2-6.8.3)

Niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal beslissen dat de Advocaten geen eigen belang hebben bij eerbieding van het hun toekomende verschoningsrecht. Het kan schadelijk zijn voor de vertrouwensrelatie tussen advocaten en hun cliënten indien informatie die cliënten met advocaten delen, op ongeoorloofde wijze terecht komt bij derden. Dit raakt ook de eigen belangen van advocaten, onder meer omdat schending van het hun toekomende verschoningsrecht hen belemmert bij de uitoefening van hun werkzaamheden. (rov. 6.9.2)

Vast staat dat het verschoningsrecht van de Advocaten in meerdere opzichten is geschonden. De aard en omvang van de schendingen is tussen partijen in geschil, maar in elk geval staat vast dat een aantal van de e-mails die onder het verschoningsrecht van de Advocaten vallen, na de inbeslagneming ten onrechte zijn verstrekt aan het team dat zich bezighield met het strafrechtelijk onderzoek. De Staat heeft weliswaar betoogd dat hieraan menselijke fouten ten grondslag liggen, maar de Advocaten hebben het vermoeden dat er opzettelijk informatie die onder het verschoningsrecht valt, is doorgegeven aan het onderzoeksteam. De vrees dat in beslag genomen gegevens worden vernietigd kan in elk geval een grond vinden in het bepaalde in art. 126aa lid 2 Sv, welke bepaling de officier van justitie de verplichting oplegt om processen-verbaal en andere voorwerpen te vernietigen voor zover deze geheimhoudersinformatie bevatten als bedoeld in de eerste volzin van deze bepaling. Ook moet in aanmerking worden genomen dat er technische problemen zijn ontstaan met de eerste werkkopie van de in beslag genomen gegevens waardoor deze niet meer bruikbaar was en dat de USB-stick waarop een forensische kopie stond van de stukken die bij het accountantskantoor in beslag zijn genomen, en die is gebruikt om deze kopie van het kabinet rechter-commissaris over te brengen naar de FIOD, defect is geraakt, waardoor de inhoud daarvan niet langer toegankelijk is. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het beslag onnodig is en om die reden moet worden opgeheven. (rov. 6.10.3)

De strafzaak zal niet op korte termijn bij de strafrechter worden aangebracht. Het bewijsbeslag vormt derhalve voorshands geen belemmering voor de voortgang van de strafzaak. De Advocaten hebben bij pleidooi in hoger beroep verklaard geen bezwaar te hebben tegen indiening van het eindproces-verbaal in de strafzaak, mits de stukken met geprivilegieerde gegevens daaruit worden verwijderd en apart gehouden door de Staat. Om deze redenen kan niet worden geoordeeld dat de strafzaak daadwerkelijk op ontoelaatbare wijze wordt belemmerd door het bewijsbeslag. (rov. 6.13.2-6.13.4)

Het beslagverbod van art. 436 Rv en art. 703 Rv staat niet aan het bewijsbeslag in de weg. Ratio van dat verbod is dat het onwenselijk is om de uitvoering van publieke taken te laten doorkruisen door beslag op de goederen die daarbij worden aangewend. Die doorkruising is in dit geval niet, althans niet in voldoende mate gebleken. (rov. 6.13.5)

Voor de gerechtvaardigdheid van het bewijsbeslag is mede van belang dat het verschoningsrecht van de Advocaten in elk geval in meerdere opzichten is geschonden. Te noemen vallen in dit kader allereerst het kennisnemen van onder het verschoningsrecht vallende bestanden met de nummers DOC-[001] tot en met DOC-[005]. Daarnaast is er het feit dat – zoals de Staat zelf bij pleidooi in hoger beroep heeft gemeld – in 2016 abusievelijk ook andere onder het verschoningsrecht van de Advocaten vallende items zijn vrijgegeven aan het onderzoeksteam. Daar komt bij dat de bij het accountantskantoor in beslag genomen digitale informatie niet alleen is blijven berusten onder de rechter-commissaris, maar ook is geladen in het computersysteem van de FIOD. Partijen verschillen van mening over de vraag hoeveel medewerkers van de FIOD in hoeverre van die informatie hebben kunnen kennisnemen. (rov. 6.14.4)

Er is onder meer beslag gelegd op “alle Geprivilegieerde Gegevens inclusief alle metadata en logbestanden, de audit trails en voorts in enige (al dan niet geautomatiseerde) vorm van vastlegging daarvan”. Dit onderdeel van het beslag moet worden gehandhaafd. Het betreft hier kort gezegd de geprivilegieerde gegevens en daaraan verbonden digitale gegevens waaruit kan worden afgeleid in hoeverre de geprivilegieerde gegevens binnen de organisatie van de Staat zijn verspreid. In zoverre kan niet worden gezegd dat het beslag onnodig is of dat de omschrijving te vaag is. (rov. 6.15.4)

Wat betreft het FIOD-journaal kan voorshands niet gezegd worden dat de Advocaten geen belang hebben bij inzage daarin voor zover het betreft die passages waaruit blijkt wat er met de geprivilegieerde gegevens is gebeurd. In hoeverre de Advocaten inzage mogen krijgen in delen van het FIOD-journaal en in hoeverre gewichtige redenen aan de zijde van de Staat zich daartegen verzetten, is een kwestie die ter beoordeling staat in de procedure ingevolge art. 843a Rv. (rov. 6.15.7)

De Advocaten hebben onvoldoende onderbouwd dat zij een zodanig spoedeisend belang hebben bij afgifte van afschriften van de in beslag genomen gegevens, dan wel inzage in die gegevens, dat het gerechtvaardigd zou zijn om dat in kort geding toe te wijzen. (rov. 6.18)

Hoewel een spoedeisend belang bij de vordering tot vergoeding van de door de Advocaten gemaakte beslagkosten niet is gesteld, is de proceseconomie ermee gebaat dat in dit geding ook over deze nauw met de te behandelen vorderingen verwante nevenvordering wordt beslist. Uit het bepaalde in art. 706 Rv volgt dat de beslagkosten voor vergoeding in aanmerking komen. De Staat heeft dat ook niet betwist. Het hof zal de vordering toewijzen. (rov. 6.20.2)

Op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder b, Rv is het aan partijen in een procedure verboden om aan derden mededelingen te doen omtrent gegevens uit een procedure, indien de rechter zulks heeft bepaald. Het hof acht het juist dat de voorzieningenrechter aan de Staat een verbod heeft opgelegd om mededelingen te doen aan derden omtrent de geprivilegieerde gegevens die in de processtukken in dit kort geding zijn opgenomen. Het betreft immers gegevens die onder het verschoningsrecht van de Advocaten vallen en waarover de Staat niet had mogen beschikken. (rov. 6.21.3)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

Eigen belang Advocaten

3.1.1

Onderdeel 4 van het middel – dat van de verste strekking is en dat de Hoge Raad daarom eerst behandelt – keert zich tegen de verwerping door het hof van het betoog van de Staat dat de schending van het verschoningsrecht van een advocaat geen aantasting oplevert van een eigen recht van de advocaat omdat het verschoningsrecht niet ter bescherming strekt van een eigen belang van de advocaat, dat de Advocaten daarom geen vordering toekomt wegens die schending en dat de Advocaten derhalve geen vordering hebben waarvoor zij bewijsbeslag kunnen leggen.

3.1.2

Het hof heeft met betrekking tot dit betoog in rov. 6.9.2 overwogen dat de schending van het verschoningsrecht van de advocaat ook het eigen belang van de advocaat raakt, onder meer omdat die schending hem belemmert bij de uitoefening van zijn werkzaamheden als advocaat, en dat niet valt in te zien dat de advocaat daartegen niet zelf zou mogen opkomen.

3.1.3

Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat het verschoningsrecht van de advocaat – dat van fundamenteel belang is voor een goede rechtsbedeling – mede geldt opdat hij zijn taak als advocaat naar behoren kan vervullen. Een advocaat kan dan ook ter zake van een schending van het verschoningsrecht vorderingen instellen, in het bijzonder op grond van onrechtmatige daad, zoals een vordering tot het uitspreken van een verklaring voor recht omtrent de omvang van de schending, tot een verbod op verdere schendingen en tot vergoeding van schade. Het hof heeft in rov. 6.7.7 vastgesteld dat de Advocaten bij het bewijsbeslag in deze zaak kennelijk op dergelijke vorderingen het oog hebben.

Opmerking verdient dat deze vorderingen de advocaat niet toekomen ten behoeve van zijn cliënt. Voor zover de belangen van laatstgenoemde worden getroffen door de schending van het verschoningsrecht, zal deze daartegen zelf in rechte moeten opkomen. Dit heeft het hof echter niet miskend.

3.1.4

Alle klachten van het onderdeel stuiten op het voorgaande af.

Gesloten stelsel Wpg en Wjsg

3.2.1

Onderdeel 1 richt zich tegen de verwerping door het hof van het standpunt van de Staat dat een bewijsbeslag in strijd is met het gesloten stelsel van de verstrekking van gegevens dat de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) kennen, en daarom niet mogelijk is.

3.2.2

Het hof heeft met betrekking tot dit standpunt in rov. 6.8.2 en 6.8.3 geoordeeld dat de Wpg en de Wjsg in dit geval niet in de weg staan aan een door de rechter in het kader van een exhibitieprocedure op te leggen plicht tot inzage in of afschrift of uittreksel van strafrechtelijke gegevens aan een belanghebbende partij.

3.2.3

De Wpg en de Wjsg hebben geen betrekking op het zich hier naar de vaststelling van het hof voordoende geval dat aannemelijk is dat een vordering bestaat – in dit geval wegens de schending van het verschoningsrecht van de Advocaten – en dat in verband daarmee op grond van art. 843a Rv in beginsel aanspraak bestaat op inzage in of afschrift of uittreksel van gegevens die onder de werking van de Wpg of de Wjsg vallen, teneinde de omvang van de schending te kunnen vaststellen. De regelingen van deze wetten staan als zodanig dan ook niet in de weg aan een bewijsbeslag en aan het moeten verschaffen van inzage, afschrift of uittreksel op grond van art. 843a Rv. Wel kunnen de overwegingen die onder de Wpg of Wjsg tot de uitkomst leiden dat met betrekking tot bepaalde gegevens geen recht bestaat op verstrekking, gewichtige redenen opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv. In dat geval behoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden gegeven en kan dus ook verlof voor een bewijsbeslag worden geweigerd dan wel kan dat beslag worden opgeheven. Blijkens het oordeel van het hof in rov. 6.15.7 dient deze beoordeling in dit geval plaats te vinden in de exhibitieprocedure.

3.2.4

Uit het voorgaande volgt dat ook onderdeel 1 ongegrond is.

Toetsingscriteria opheffing beslag

3.3.1

De onderdelen 2 en 3.1 keren zich tegen de wijze waarop het hof de door de Staat gevorderde opheffing van het bewijsbeslag heeft onderzocht. De onderdelen voeren aan dat de rechter in een opheffingskortgeding mag of moet nagaan of terecht verlof voor het bewijsbeslag is verleend, dat wil zeggen of bij de verlofverlening is voldaan aan de vereisten die zijn geformuleerd in de Molenbeek-uitspraak,4 en dat het hof dit ten onrechte heeft nagelaten.

3.3.2

Het hof heeft in rov. 6.7.2 geoordeeld dat tegen de beslissing tot het verlenen van verlof geen hogere voorziening is toegelaten (art. 700 lid 2, laatste volzin, Rv) en dat het daarom niet aan de rechter in een opheffingskortgeding is om te oordelen of het verlof tot het leggen van het beslag terecht is verleend. In rov. 6.7.4 heeft het hof overwogen dat in dit geding moet worden geoordeeld aan de hand van de maatstaven die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad gelden voor de opheffing van een gewoon conservatoir beslag. In rov. 6.7.5 heeft het hieraan toegevoegd dat het in deze zaak gaat om een bewijsbeslag en dat daarom, naar de Hoge Raad het oordeel van het hof begrijpt, ook de maatstaven van de Molenbeek-uitspraak van toepassing zijn. In rov. 6.10.2, waartegen onderdeel 3.1 zich keert, heeft het ook naar die maatstaven verwezen.

3.3.3

De onderdelen falen omdat zij uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting. In een opheffingskortgeding van een beslag dient de rechter niet te beoordelen of terecht verlof voor het beslag is verleend, maar of op het moment van zijn beslissing grond bestaat voor opheffing van het beslag. Indien het gaat om een bewijsbeslag, dient hij het beslag op te heffen als hij op grond van hetgeen partijen aanvoeren, tot het oordeel komt dat op dat moment niet of niet meer is voldaan aan de eisen die voor het verlof voor het leggen van bewijsbeslag zijn gesteld in de Molenbeek-uitspraak.

Aannemelijkheid vordering Advocaten; gerechtvaardigdheid bewijsbeslag

3.4.1

De onderdelen 3.6, laatste alinea, en 6 richten zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 6.10.3 en 6.14.4) dat vaststaat dat de Staat het verschoningsrecht van de Advocaten in meerdere opzichten heeft geschonden. De onderdelen voeren aan dat dit oordeel en de motivering die het hof voor dit oordeel geeft, onbegrijpelijk zijn.

3.4.2

Ook deze onderdelen zijn ongegrond. Gegeven de hiervoor in 2.1 onder (xix) en (xx) genoemde, onherroepelijke beschikking van de rechtbank is in dit geding uitgangspunt dat sprake is van een schending van het verschoningsrecht met betrekking tot de bestanden die in het onderzoek met de nummers DOC-[001] tot en met DOC-[005] zijn aangeduid. Voor het overige bestaan naar de vaststelling van het hof in onder meer rov. 6.10.3 en 6.14.4 aanwijzingen voor andere mogelijke schendingen, zoals de vrijgave aan het opsporingsteam van een groot aantal bestanden voor onderzoek, zonder dat daaruit eerst de bestanden waren verwijderd of onleesbaar gemaakt die mogelijk onder het verschoningsrecht vallen (hetgeen naar de Staat heeft aangevoerd per vergissing is gebeurd). Kennelijk heeft de vaststelling van het hof dat vaststaat dat de Staat het verschoningsrecht van de Advocaten in meerdere opzichten heeft geschonden, betrekking op deze vaststaande schending en deze aanwijzingen.

3.4.3

Voor zover de onderdelen opkomen tegen het oordeel van het hof dat met een en ander voldoende rechtvaardiging bestaat voor een bewijsbeslag met een doel en omvang als door de Advocaten gelegd en door het hof in stand gelaten, zijn zij ongegrond omdat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige, in verband met zijn overwegend feitelijke karakter, niet op juistheid kan worden onderzocht. Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat oordeel niet.

Noodzaak bewijsbeslag; vrees voor verduistering

3.5.1

Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 6.10.2 en 6.10.3) dat het bewijsbeslag noodzakelijk is omdat gegronde vrees bestaat dat de bescheiden waarop het bewijsbeslag rust, anders verloren gaan. Onder 3.2 en 3.3 klaagt het onderdeel dat het hof hierbij is uitgegaan van een onjuiste maatstaf, en onder 3.4 en 3.5 dat de overwegingen die het hof aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, niet begrijpelijk zijn. Onder 3.6, eerste twee alinea’s, voert het onderdeel aan dat het enkele feit dat de Staat het verschoningsrecht van de Advocaten in meerdere opzichten heeft geschonden, geen noodzaak oplevert tot het leggen van bewijsbeslag. Onder 3.7 wijst het onderdeel op omstandigheden in verband waarmee niet te snel mag worden aangenomen dat bij het openbaar ministerie, de FIOD en de Belastingdienst gegronde vrees voor verduistering bestaat.

3.5.2

In de Molenbeek-uitspraak is onder meer als eis voor verlof voor bewijsbeslag gesteld dat degene die het verlof verzoekt, feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken waaruit volgt dat de beslaglegging met het oog op het belang dat hij bij het beslag heeft, noodzakelijk is en dat hiervoor nodig is dat gegronde vrees bestaat dat de betrokken bescheiden anders verloren gaan, en dat de beoogde bewijsvoering niet op andere, voor de beslagene minder ingrijpende wijze kan plaatsvinden.5 Anders dan het onderdeel onder 3.2 betoogt, ziet de eis van ‘gegronde vrees voor verduistering’ niet uitsluitend op het opzettelijk wegmaken van de in beslag te nemen bescheiden, maar ook op het ‘verloren gaan’ van de bescheiden. Dat volgt ook uit art. 1019b lid 3 Rv dat van overeenkomstige toepassing is en dat – evenals rov. 3.7.2 van de Molenbeek-uitspraak – zowel ‘verduistering’ als ‘verlies’ van bewijs noemt.

3.5.3

Blijkens rov. 6.7.5 en 6.10.1, waarin het hof met zoveel woorden naar deze eis verwijst, is het hof van deze eis uitgegaan. Blijkens hetgeen het hof in rov. 6.10.3 overweegt, berust zijn oordeel dat in dit geval aan die eis is voldaan, niet alleen op de daar genoemde mogelijkheden dat bewijs verloren gaat. Uit die overwegingen volgt dat het oordeel van het hof ook berust op de hoeveelheid in beslag genomen bestanden en de bewerkingen en selecties die daarvan zijn en worden gemaakt met het oog op het strafrechtelijk onderzoek, een eventuele vervolging en het schonen van geheimhoudersgegevens. Bij die bewerkingen en selecties kunnen fouten worden gemaakt, zoals naar de vaststelling van het hof (mogelijk) al is gebeurd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof met name uit dit laatste het bestaan van het risico afgeleid dat gegevens verloren gaan, en is zijn in het onderdeel onder 3.4 bestreden overweging in rov. 6.10.3 dat art. 126aa lid 2 Sv de officier van justitie verplicht tot vernietiging van gegevens die geheimhoudersinformatie bevatten, niet dragend voor zijn oordeel. Dat het hof een en ander voldoende heeft geacht om tot zijn oordeel te komen, berust op waarderingen van feitelijke aard, die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. Uitgaande van die waarderingen, geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot genoemde eis. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.5.4

Op het voorgaande stuiten alle hiervoor in 3.5.1 genoemde klachten van het onderdeel af.

Voldoende bepaald omschreven bescheiden?

3.6.1

In onderdeel 7 wordt aangevoerd dat het bewijsbeslag onvoldoende bepaald is omschreven doordat de in beslag te nemen bescheiden daarin zijn omschreven als ‘geprivilegieerde gegevens’, waarmee zijn bedoeld bescheiden die onder het verschoningsrecht vallen, en tussen partijen in geschil is voor welke bescheiden dit geldt. Onder 7.1 klaagt het onderdeel dat het hof dit heeft miskend bij zijn beoordeling in rov. 6.15.1-6.15.7 van de vraag of de omschrijving van de in beslag genomen bescheiden voldoende is bepaald. Onder 7.2 klaagt het onderdeel dat dit eens te meer geldt met betrekking tot het beslag dat is gelegd op ‘alle fysieke en alle digitale bescheiden waaruit blijkt aan wie intern of extern de Staat deze gegevens heeft verstrekt’.

Voorts wordt onder 7.2 van het onderdeel geklaagd dat het hof in rov. 6.15.4 met betrekking tot het beslag dat is gelegd op ‘alle metadata en logbestanden, de audit trails en voorts in enige (al dan niet geautomatiseerde) vorm van vastlegging daarvan’, zonder enige motivering voorbij is gegaan aan het betoog van de Staat dat ‘metadata’, ‘logbestanden’ en ‘audit trails’ geen eenduidige begrippen zijn, dat ook onduidelijk is wat de Advocaten bedoelen met ‘in enige (al dan niet geautomatiseerde) vorm van vastlegging daarvan’ en dat de informatie waar de Advocaten het oog op hebben niet in bestaande bescheiden is vervat, zodat inzage, afschrift of uittreksel en bewijsbeslag niet mogelijk zijn.

3.6.2

Uit art. 843a lid 1 Rv volgt dat de bescheiden ten aanzien waarvan inzage, afschrift of uittreksel wordt gevorderd, voldoende bepaald moeten zijn omschreven. In de Molenbeek-uitspraak is deze eis ook gesteld voor het bewijsbeslag. De in beslag te nemen bescheiden dienen zo precies te worden omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verzoeker kan worden verlangd, omdat de beslaglegging niet mag ontaarden in een ‘fishing expedition’.6 De bepaaldheid van de omschrijving van de bescheiden die in het gegeven geval kan worden geëist, hangt mede af van de vordering en het doel waarvoor beslag wordt gelegd.

3.6.3

Dat het hof blijkens hetgeen het in rov. 6.15.4 heeft overwogen, de omschrijving ‘geprivilegieerde gegevens’ in dit geval voldoende bepaald heeft geacht, ook al is tussen partijen in geschil voor welke bescheiden geldt dat zij onder het verschoningsrecht vallen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is immers duidelijk dat hiermee in dit geval worden bedoeld de bescheiden die naar het standpunt van de Advocaten onder het verschoningsrecht vallen. Gelet op de vaststellingen van het hof met betrekking tot de gerechtvaardigdheid van het bewijsbeslag en het doel van dat beslag – de vaststelling van de omvang van de schending van het verschoningsrecht – heeft het hof deze omschrijving in dit geval voldoende bepaald kunnen achten. Dat geldt eveneens voor de omschrijving dat beslag wordt gelegd op alle bescheiden waaruit blijkt aan wie de Staat deze gegevens heeft verstrekt. De hierop betrekking hebbende klachten van het onderdeel zijn dus ongegrond.

3.6.4

Ook de klachten onder 7.2 van het onderdeel gaan niet op. Blijkens hetgeen het hof in rov. 6.15.4 heeft overwogen, heeft het de betekenis van de begrippen ‘metadata’, ‘logbestanden’ en ‘audit trails’ en de omschrijving ‘in enige (al dan niet geautomatiseerde) vorm van vastlegging daarvan’ voldoende duidelijk geoordeeld. Dat is niet onbegrijpelijk, waarbij opmerking verdient dat op grond van art. 843a lid 1, laatste volzin, Rv onder bescheiden mede zijn te verstaan: ‘op een gegevensdrager aangebrachte gegevens’. Indien bij beslaglegging mocht blijken dat de informatie waarop de Advocaten hierbij het oog hebben, niet in bestaande bescheiden is vervat, is bewijsbeslag niet mogelijk en zal de deurwaarder in zoverre dus niet tot beslaglegging kunnen overgaan. Deze mogelijkheid – waarvan het onderdeel overigens niet aanvoert dat zij zich in dit geval (naar de Staat in feitelijke instanties heeft gesteld) daadwerkelijk bij de beslaglegging heeft voorgedaan – behoefde derhalve voor het hof geen grond te zijn om het beslag op genoemde (onderdelen van) gegevensdragers op te heffen.

Geen beslag op stukken uit strafzaak?

3.7.1

In onderdeel 5 wordt aangevoerd dat in elk geval rechtens geen ruimte bestaat voor het leggen van bewijsbeslag op (stukken uit) het strafdossier, laat staan op originele stukken daaruit. In dat verband doet het onderdeel een beroep op (i) het verbod op het leggen van beslag op goederen bestemd voor de openbare dienst (zoals neergelegd in art. 436 Rv en art. 703 Rv), (ii) het strafvorderlijke stelsel van interne openbaarheid en (iii) de omstandigheid dat het bewijsbeslag een belemmering voor (de voortgang van) de strafzaak vormt. Het onderdeel klaagt onder 5.1 dat het hof het onder (i) genoemde beroep op het beslagverbod van art. 436 Rv en art. 703 Rv ten onrechte in rov. 6.13.5 heeft verworpen. Onder 5.2 voert het onderdeel aan dat het hof het onder (ii) genoemde stelsel heeft miskend, zoals ook blijkt uit rov. 6.12.2, waarin het over het hoofd heeft gezien dat ieder van de Advocaten, ook hij die in de strafzaak de verdachten niet bijstaat, als belanghebbende een klaagschrift op grond van art. 552a Sv kan indienen over inbeslagneming, vordering, kennisneming en gebruik van gegevens die onder zijn verschoningsrecht vallen. Onder 5.3 klaagt het onderdeel dat het hof hoe dan ook heeft miskend dat beslag op originele bescheiden de strafzaak belemmert, doordat die bescheiden door het daarop rustende beslag niet kunnen worden ingebracht in het strafproces.

3.7.2

Met betrekking tot deze klachten wordt vooropgesteld dat uit de Molenbeek-uitspraak volgt dat het bewijsbeslag, indien daartoe verlof is verkregen, mede de mogelijkheid omvat dat de deurwaarder ter plaatse kopieën van bescheiden maakt en deze, vertrouwelijk, ter gerechtelijke bewaring afgeeft bij een daartoe bij het verlof aangewezen bewaarder, totdat in de exhibitieprocedure overeenkomstig art. 843a Rv is beslist over het geven van inzage, afschrift of uittreksel.7 Eventueel kan worden volstaan met enkel deze vorm van bewijsbeslag, die ook aldus kan worden toegepast dat de kopieën, met het daarop gelegde beslag, onder de beslagene blijven rusten. De bij het bewijsbeslag in acht te nemen eisen van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen meebrengen dat met deze vorm dient te worden volstaan en dat geen bewijsbeslag komt te rusten op de bescheiden zelf.

In dit geval is door de Advocaten zowel beslag gelegd op de onder de Staat aanwezige bescheiden zoals omschreven in hun verzoek tot het leggen van het bewijsbeslag, als op de daarvan door of op verzoek van de deurwaarder overeenkomstig het verlof gemaakte kopieën (zie hiervoor in 2.1 onder (xxi)). Het hof heeft in het dictum van zijn arrest beide vormen van beslag in stand gelaten met betrekking tot de daar onder A tot en met C genoemde bescheiden en bovendien bepaald dat de Staat een digitale kopie van het onder C genoemde FIOD-journaal dient af te geven aan de deurwaarder of de door deze aan te wijzen gerechtelijke bewaarder.

3.7.3

De klachten onder 5.1 en 5.3 van het onderdeel zijn gegrond voor zover zij betrekking hebben op het beslag dat is gelegd op bescheiden die deel uitmaken van het strafdossier dan wel verzameld zijn voor het strafrechtelijk onderzoek. Door deze bestemming zijn deze bescheiden immers bestemd voor de openbare dienst als bedoeld in art. 436 Rv en art. 703 Rv en vallen zij derhalve onder het beslagverbod van die bepalingen. Een beslag op die bescheiden zelf belemmert – anders dan een beslag op een van die bescheiden gemaakte kopie – bovendien, zoals het onderdeel onder 5.3 terecht aanvoert, de strafzaak doordat deze bescheiden dan niet, bij de aanvang van de zaak of later, in de strafzaak kunnen worden ingebracht. Dat is in beginsel niet aanvaardbaar, gelet op het zwaarwegende maatschappelijke belang dat de strafrechtspraak onbelemmerd doorgang kan vinden. Het hof had het gelegde beslag op deze bescheiden dan ook dienen op te heffen.

3.7.4

Voor zover de klachten onder 5.1 en 5.3 van het onderdeel betrekking hebben op het beslag dat is gelegd op de hiervoor in 3.7.2 eerste alinea bedoelde kopieën die zijn gemaakt bij de beslaglegging, zijn deze ongegrond. Op deze kopieën is het verbod van art. 436 Rv en art. 703 Rv immers niet van toepassing, ook niet als het kopieën van bescheiden betreft die deel uitmaken van het strafdossier of die verzameld zijn voor het strafrechtelijk onderzoek. Omdat dit beslag niet ligt op de bescheiden zelf, belemmert dit beslag niet het inbrengen van die bescheiden in de strafzaak.

3.7.5

De klacht onder 5.2 van het onderdeel is eveneens ongegrond. Evenmin als de regelingen van de Wpg en de Wjsg, en om dezelfde reden als hiervoor in 3.2.3 met betrekking tot die regelingen is vermeld, staat het in het onderdeel bedoelde strafvorderlijke stelsel van interne openbaarheid als zodanig in de weg aan een bewijsbeslag zoals door de Advocaten gelegd en door het hof gehandhaafd. Wel geldt ook met betrekking tot dit stelsel dat de overwegingen die daarin tot de uitkomst kunnen leiden dat geen recht bestaat op inzage in of afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden, gewichtige redenen kunnen opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv, op grond waarvan geen inzage, afschrift of uittreksel behoeft te worden gegeven en dus ook verlof voor een bewijsbeslag kan worden geweigerd dan wel dat beslag kan worden opgeheven (zie opnieuw hiervoor in 3.2.3). Zoals hiervoor overwogen, dient blijkens het oordeel van het hof in rov. 6.15.7 deze beoordeling in dit geval echter plaats te vinden in de exhibitieprocedure. Kennelijk ligt aan dat oordeel mede ten grondslag dat de vertrouwelijkheid van de in beslag genomen bescheiden voldoende is gewaarborgd overeenkomstig de op dit punt in de Molenbeek-uitspraak gestelde eis,8 totdat deze beoordeling heeft plaatsgevonden. Hierbij verdient nog opmerking dat de noodzakelijke vertrouwelijkheid van bescheiden en gegevens in de exhibitieprocedure zelf zowel gewaarborgd kan worden door toepassing van art. 22 Rv, als door een vertrouwelijk uit te voeren en uit te brengen deskundigenonderzoek en -bericht (ten aanzien van deze deskundigen is art. 28 Rv van overeenkomstige toepassing). Het middel klaagt niet dat het hof heeft miskend dat deze vertrouwelijkheid in dit geval niet voldoende is gewaarborgd. Gelet op een en ander kan niet worden geoordeeld dat het in het onderdeel bedoelde strafvorderlijke stelsel van interne openbaarheid in dit geval aan een bewijsbeslag in de weg staat.

3.7.6

Overigens verdient met betrekking tot de klacht onder 5.2 van het onderdeel nog opmerking dat ook indien inzage in of afschrift of uittreksel van bescheiden tot een daadwerkelijke verstoring van de strafzaak kan leiden, dat een gewichtige reden kan opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv.9

Beslagkosten

3.8.1

Onderdeel 8 keert zich tegen de beslissing van het hof met betrekking tot de beslagkosten. Het hof heeft de vordering van de Advocaten tot vergoeding van deze kosten toegewezen na in rov. 6.20.2 onder meer te hebben overwogen dat uit het bepaalde in art. 706 Rv volgt dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, en dat de proceseconomie ermee is gebaat dat in dit geding over deze kosten wordt beslist. Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat geen plaats is voor toewijzing van beslagkosten als het beslag onnodig is gelegd of de vordering waarvoor het beslag is gelegd, niet blijkt te bestaan. Het voert aan dat over het laatste nog in de hoofdzaak zal moeten worden beslist.

3.8.2

Deze klacht is gegrond. De in art. 706 Rv bedoelde beslagkosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als de vordering waarvoor het beslag is gelegd, toewijsbaar is (als het beslag niet “onrechtmatig” was, zoals art. 706 Rv het omschrijft) en het beslag niet nietig is of onnodig is gelegd.10 De Staat heeft, voor zover van belang, het eerste bestreden. Het hof heeft daarover geen oordeel gegeven. Uit zijn arrest volgt dat over de toewijsbaarheid van de vordering zal moeten worden beslist in de hoofdzaak. Het hof heeft de vordering tot vergoeding van de beslagkosten derhalve niet in dit kort geding kunnen toewijzen.

3.8.3

De overige klachten van onderdeel 8 behoeven geen behandeling.

Verbod om mededelingen te doen

3.9.1

Onderdeel 9 keert zich tegen de handhaving door het hof van het door de voorzieningenrechter op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder b, Rv aan de Staat opgelegde verbod om mededelingen te doen over geprivilegieerde gegevens die in de processtukken van dit kort geding zijn opgenomen. Het hof heeft dit verbod in rov. 6.21.3 juist geoordeeld omdat het gaat om gegevens die onder het verschoningsrecht vallen en waarover de Staat niet had mogen beschikken. Het onderdeel voert onder meer onder 9.1 aan dat voor zover het hof mede de strafzaak op het oog heeft bij het verbod, het heeft miskend dat mededelingen in een strafrechtelijke procedure tot het domein van de strafrechter behoren en de civiele rechter daarover geen beslissing kan geven.

3.9.2

Het onderdeel voert terecht aan dat een verbod op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder b, Rv zich niet kan uitstrekken tot een strafrechtelijke procedure, nu de strafrechter daarin dient te beslissen over de toelaatbaarheid van mededelingen.11 Zoals het onderdeel veronderstelt, heeft het hof bij het door hem bekrachtigde verbod niet het oog gehad op de strafrechtelijke procedure die zal volgen. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden, omdat zij uitgaat van een verkeerde lezing van de beslissing van het hof.

Onderdeel 10 en overige klachten

3.10.1

Onderdeel 10 mist zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen behandeling.

3.10.2

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad behoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

Slotsom; verdere beslissing

3.11

De onderdelen 5 en 8 zijn ten dele gegrond en leiden in zoverre tot cassatie. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het beslag op te heffen zoals hiervoor in 3.7.3 is vermeld en door alsnog de vordering van de Advocaten tot vergoeding van de beslagkosten af te wijzen.

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1

De klacht van onderdeel 1 van het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad behoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.2

De voorwaarde waaronder onderdeel 2 is aangevoerd, is niet vervuld. Dit onderdeel behoeft derhalve geen behandeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 mei 2019, maar uitsluitend voor zover in het dictum daarvan het beslag op de onder A tot en met C genoemde bescheiden niet is opgeheven met betrekking tot de hiervoor in 3.7.3 omschreven bescheiden, en voor zover de vordering ter zake van de kosten van de gelegde bewijsbeslagen is toegewezen;

- in zoverre opnieuw rechtdoende: heft op het beslag op die bescheiden en wijst af de vordering ter zake van de kosten van de gelegde bewijsbeslagen;

- veroordeelt de Advocaten in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Advocaten deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt de Advocaten in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Advocaten deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en A.E.M. Röttgering, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 19 februari 2021.

1 Rechtbank Oost-Brabant 4 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:1897.

2 Rechtbank Oost-Brabant 29 maart 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:1783.

3 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1808.

4 HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958.

5 HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958, rov. 3.7.1.

6 HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958, rov. 3.7.1.

7 HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958, rov. 3.6.1 en 3.6.3.

8 HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958, rov. 3.7.3.

9 Vgl. ten aanzien van voorlopig getuigenverhoor HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, rov. 3.6.7 en 3.8.5.

10 Zie Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 315.

11 Vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, rov. 3.5.3.