Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:250

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
20/00187
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:3
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2020:471, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Feitelijke aanranding van eerbaarheid van 16-jarig meisje met psychische problematiek door 40-jarige verdachte, die haar midden in de nacht meeneemt naar kamer boven zijn shoarmazaak, art. 246 Sr. Vordering benadeelde partij. Is sprake van rechtstreekse schade als b.p. t.g.v. bewezenverklaard handelen van verdachte afstand heeft gedaan van door politie inbeslaggenomen aan haar toebehorende kledingstukken? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793. ‘s Hofs oordeel dat tussen bewezenverklaard handelen van verdachte en schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat b.p. door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat tijdens bewezenverklaarde b.p. deze kledingstukken droeg en verdachte deze kledingstukken tegen haar wil wegtrok. Daaraan doet niet af dat b.p. zelf afstand heeft gedaan van kledingstukken. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0055
RvdW 2021/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00187

Datum 2 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2020, nummer 20-001509-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.N. Vermeij, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij wat betreft de materiële schade van € 50 voor een bh en Adidas T-shirt onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1

In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“op 07 oktober 2015 te Eindhoven, door geweld en een andere feitelijkheid, te weten

- het op bed duwen van die [slachtoffer] en zijn been over haar heen te leggen en

- het belemmeren van die [slachtoffer] in haar bewegingsvrijheid door de bovenarmen van die [slachtoffer] vast te houden en

- het in de nek pakken van die [slachtoffer] en haar te dwingen haar hoofd te draaien, hij die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, te weten

- het betasten van haar borsten en

- het zoenen/kussen op haar mond en hals en borsten en

- het omhoog trekken van haar shirt en

- het brengen van haar hand richting en het leggen van haar hand op zijn penis en

- het laten aftrekken van hem, verdachte, en die [slachtoffer] te dwingen te kijken terwijl hij zich aftrok.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel, voor zover van belang inhoudende:

“Verklaring van aangeefster [slachtoffer].

Ik doe aangifte van een zedenmisdrijf (...) Hij deed mijn shirt omhoog en probeerde deze uit te doen. Hij zat met zijn linkerhand aan mijn borst. Zijn andere hand lag nog op mijn arm. Hij ging onder mijn t-shirt door en bovenlangs in mijn bh naar mijn borst toe. Ik zei dat ik dat niet wilde en ik hield mijn shirt vast. Hij haalde mijn armen eraf en hij deed mijn shirt omhoog tot boven mijn borsten. Toen deed hij mijn bh bij mijn linkerborst omlaag en zoende hij mijn linkerborst op mijn tepel. (...)”

2.2.3

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij. De hierbij gevoegde ‘toelichting op het voegingsformulier’ houdt onder meer het volgende in:

“Schade

(...)

Materieel: € 50,00

€ 50,00 (schatting) BH en Adidas t-shirt in beslaggenomen door politie (...).”

2.2.4

Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij wat betreft de schadepost bh en Adidas T-shirt toegewezen tot een bedrag van € 50 en heeft daartoe als volgt overwogen:

“Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld (...). De vordering valt uiteen in de volgende posten:

Materieel:

(...)

BH en Adidas T-shirt € 50,00

(...)

De verdediging heeft de vordering in hoger beroep betwist. (...) Voorts dient eveneens de materiele post BH en Adidas T-shirt ad. € 50,00 te worden afgewezen, nu deze goederen in beginsel kunnen worden teruggegeven aan de benadeelde.

(...)

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de post BH en Adidas T-shirt wel voor toewijzing vatbaar is. Alhoewel deze goederen in beginsel kunnen worden teruggegeven aan de benadeelde, neemt dit niet weg dat als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen voor de benadeelde een dusdanig negatieve lading aan deze goederen kleeft dat zij afstand hiervan heeft gedaan. Tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade bestaat voldoende verband om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.”

2.3

Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

2.4

Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij afstand heeft gedaan van de door de politie inbeslaggenomen bh en het Adidas T-shirt omdat daaraan als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen - kort gezegd: feitelijke aanranding van de eerbaarheid - voor haar een negatieve lading kleeft en dat zij daardoor schade heeft geleden tot een bedrag van € 50. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat tijdens het bewezenverklaarde de benadeelde partij deze kledingstukken droeg en de verdachte deze kledingstukken tegen haar wil wegtrok. Daaraan doet niet af dat de benadeelde partij zelf afstand heeft gedaan van de kledingstukken.

2.5

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2021.