Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:236

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
19/05668
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:4435
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1178
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, art. 180 Sr. Verwerping verweer dat de aanhouding niet “op heterdaad” was waardoor de aanhouding voor mishandeling onrechtmatig was en de verbalisanten daardoor niet in de rechtmatige uitoefening van de bediening waren. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2014:2919. Het hof heeft vastgesteld dat verbalisant A via de portofoon van zijn collega’s het verzoek kreeg om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van verdachte om te voorkomen dat verdachte zich aan zijn aanhouding zou onttrekken. Verbalisant A heeft aan dit verzoek gevolg gegeven, waarna hij verdachte samen met zijn collega’s heeft ingesloten en aangehouden. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat verbalisant A op het moment van de aanhouding “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was ex art. 180 Sr. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat bijzondere omstandigheden die tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden, niet zijn gebleken. Dit oordeel is niet onjuist noch onbegrijpelijk. Daarbij verdient nog opmerking dat ook indien achteraf zou komen vast te staan dat de beslissing tot aanhouding van verdachte door de om bijstand verzoekende collega’s niet in overeenstemming met art. 54.4 Sv is genomen, dat niet wegneemt dat de opsporingsambtenaar die o.g.v. een verzoek tot het verlenen van bijstand is overgegaan tot de feitelijke aanhouding van verdachte, in beginsel “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was, vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ2808 over een opdracht tot aanhouding van een bevoegde meerdere. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0043 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05668 J

Datum 16 februari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 december 2019, nummer 23-002584-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft verzet tegen een opsporingsambtenaar “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”.

2.2.1

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 1 augustus 2018 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, door zich los proberen te rukken en te bewegen in een tegenovergestelde richting dan waarin voornoemde ambtenaar hem, verdachte, trachtte te bewegen.”

2.2.2

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018155077-5 van 2 augustus 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 67.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 1 augustus 2018 bevond ik mij op het Smaragdplein te Amsterdam. Ik bevond mij daar teneinde een tweetal collega’s te ondersteunen bij een aanhouding. Het lukte om de verdachte ( [verdachte] , geboren [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ) in te sluiten en vervolgens werd door ons getracht de verdachte fysiek aan te houden. De verdachte verzette zich echter hevig tegen zijn aanhouding. Ik zag dat de verdachte op het moment dat er een transportboei was aangelegd zich in een andere beweging bewoog dan de richting waarin wij hem wilden doen bewegen. De verdachte trachtte zich los te rukken en was met zijn armen om zich heen aan het bewegen. Teneinde het verzet van de verdachte te doen breken dan wel te doen ophouden heb ik de verdachte ten val gebracht.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018155077-7 van 13 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , aanvullend opgemaakt en los bijgevoegd.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 1 augustus 2018 omstreeks 18.45 uur kreeg ik verbalisant via de portofoon het verzoek van de collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van een verdachte. De verdachte zou zich nabij het Smaragdplein bevinden en de collega’s wilden voorkomen dat de verdachte zich aan zijn aanhouding zou onttrekken via de voetgangerstunnel die de verbinding vormt tussen het Smaragdplein en de Carillonstraat. Mij werd verzocht deze tunnel fysiek te blokkeren.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 juli 2019.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik was op 1 augustus 2018 op het Smaragdplein. Er werd geroepen dat ik was aangehouden. Ik heb mij een beetje verzet. Ik had pijn in mijn onderrug. Daarom verzette ik mij. Natuurlijk had ik anders kunnen reageren. Ik werd boos.”

2.2.3

De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verbalisanten met schending van artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tot aanhouding zijn overgegaan, zodat deze aanhouding onrechtmatig was en de verbalisanten daarmee niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De verdachte is door de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] aangehouden terzake van mishandeling. Er was op dat moment geen sprake van een heterdaad situatie. Alhoewel er voldoende gelegenheid was om voorafgaand aan de aanhouding toestemming te vragen aan een (hulp)officier van justitie is dit niet gebeurd. Evenmin was er sprake van een spoedeisende situatie zoals bedoeld in artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve was sprake van een onrechtmatige aanhouding, hetgeen betekent dat de verbalisanten op dat moment niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Om welke reden het ten laste gelegde feit (althans het bestanddeel) van het verzet tegen een ambtenaar “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. De tenlastelegging ziet op de verbalisant [verbalisant 1] .

Op 1 augustus 2018 rond 18.45 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1] via de portofoon het verzoek van zijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van de verdachte. Deze zou zich nabij het Smaragdplein bevinden en de collega’s van verbalisant [verbalisant 1] wilden voorkomen dat hij zich aan zijn aanhouding zou onttrekken via de voetgangerstunnel die de verbinding vormt tussen het Smaragdplein en de Carillonstraat. Daarom werd verbalisant [verbalisant 1] door zijn collega’s gevraagd deze tunnel te blokkeren, waarop hij naar deze tunnel is gereden en deze met zijn surveillancemotor heeft geblokkeerd. Nadat verbalisant [verbalisant 1] en zijn collega’s de verdachte hadden ingesloten, verzette deze zich hevig tegen zijn aanhouding. Op het moment dat er een transportboei was aangelegd bewoog de verdachte zich in een andere richting dan de richting waarin de verbalisanten hem wilden doen bewegen. Hij trachtte zich los te rukken en was met zijn armen om zich heen aan het bewegen. Teneinde het verzet te doen ophouden heeft verbalisant [verbalisant 1] de verdachte ten val gebracht, waarna de verdachte in de surveillanceauto kon worden geplaatst.

Het hof overweegt als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een verbalisant die uitvoering geeft aan het verzoek van een collega om te ondersteunen bij de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. Van een verbalisant kan en mag niet worden verwacht dat hij op een dergelijk moment bij zijn collega navraagt of aan alle achterliggende formaliteiten voor de toepassing van het dwangmiddel van aanhouding is voldaan, bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden daargelaten. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak niet aangevoerd. Ook indien achteraf komt vast te staan dat er geen door de (hulp) officier van justitie gegeven bevel tot aanhouding is gegeven en er geen sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 54, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering en mitsdien de aanhouding van de verdachte mogelijk niet rechtmatig zou moeten worden geacht, brengt dit nog niet met zich mee dat de ambtenaar die aan een dergelijk verzoek tot assistentie gevolg heeft gegeven, op dat moment in beginsel niet heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht.”

2.3.1

Artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (...) wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

2.3.2

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 180 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.

2.4

Bij het antwoord op de vraag of de ambtenaar “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” is, geldt als uitgangspunt dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in artikel 180 Sr (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919).

2.5

Het hof heeft vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] via de portofoon van zijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] het verzoek kreeg om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van de verdachte om te voorkomen dat de verdachte zich aan zijn aanhouding zou onttrekken. Verbalisant [verbalisant 1] heeft aan dit verzoek gevolg gegeven, waarna hij de verdachte samen met zijn collega’s heeft ingesloten en aangehouden. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat verbalisant [verbalisant 1] op het moment van de aanhouding “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was in de zin van artikel 180 Sr. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat bijzondere omstandigheden die tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden, niet zijn gebleken. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
Daarbij verdient nog opmerking dat ook indien achteraf zou komen vast te staan dat de beslissing tot aanhouding van de verdachte door de om bijstand verzoekende collega’s niet in overeenstemming met het voorschrift van artikel 54 lid 4 Sv is genomen, dat niet wegneemt dat de opsporingsambtenaar die op grond van een verzoek tot het verlenen van bijstand is overgegaan tot de feitelijke aanhouding van een verdachte, in beginsel “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was in de zin van artikel 180 Sr. (Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808 over een opdracht tot aanhouding van een bevoegde meerdere.)

2.6

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2021.