Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:211

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
19/03157
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1106
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:1532
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mishandeling met de dood tot gevolg door agent die tijdens muziekfestival in Den Haag in 2015 nekklem heeft toegepast op arrestant. 1. Beroep op de strafuitsluitingsgrond van art. 42 Sr. Is nekklem verenigbaar met beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit? 2. Middel b.p. Vermeerdering toegewezen bedragen met wettelijke rente.

Ad 1. Onder ‘mishandeling’ ex art. 300 Sr moet o.m. worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. ECLI:NL:HR:2014:2677). I.c., waarin politieambtenaar wordt vervolgd wegens geweldsmisdrijf omdat hij ter aanhouding van verdachte geweld heeft aangewend, volgt uit juridisch kader dat succesvol beroep op art. 42 Sr slechts mogelijk is als is gehandeld overeenkomstig de mede in art. 7.1 en 5 Politiewet 2012 tot uitdrukking gebrachte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. ECLI:NL:HR:2020:1488). Hof is ervan uitgegaan dat verdachte bevoegd was om A aan te houden en heeft overwogen dat niet reeds op voorhand kan worden gezegd dat beoogde nekklem onaanvaardbaar middel was om aanhouding tot stand te brengen, te vergemakkelijken of te bespoedigen. M.b.t. de door verdachte (gedurende tenminste 75 seconden) toegepaste nekklem heeft hof o.m. vastgesteld dat nekklem die tot bloedverwurging leidt binnen enkele seconden beoogd effect moet hebben, dat klem niet goed is aangelegd indien dat effect niet optreedt en dat dan risico dat schade wordt veroorzaakt nadrukkelijk aanwezig is. O.g.v. deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat verdachte geen beroep toekomt op strafuitsluitingsgrond van art. 42 Sr. Aan dat oordeel heeft hof in de kern ten grondslag gelegd dat verdachte zijn bevoegdheid om nekklem toe te passen heeft overschreden door deze krachtige nekklem te lang voort te zetten, waardoor hij in strijd heeft gehandeld met beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat oordeel geeft, ook als (met hof) zou worden aangenomen dat aanleg van beoogde nekklem met bloedverwurging in de gegeven omstandigheden niet onaanvaardbaar middel was om aanhouding tot stand te brengen, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat nog 4 agenten bezig waren met het onder controle brengen van A die tijdens toepassing van nekklem op zijn buik lag.

Ad 2. Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. HR vermeerdert aan b.p. toegewezen bedragen met wettelijke rentes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0039 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/664
RvdW 2021/249
NJ 2021/130 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03157

Datum 16 februari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 juni 2019, nummer 22-000128-18, in de strafzaak

tegen

DH01,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] heeft M.M.P.M. Lousberg, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partij [benadeelde 7] hebben B. Pernot, advocaat te Wijchen, en J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover het hof de vordering van benadeelde partij [benadeelde 7] tot vergoeding van de wettelijke rente over gederfde kosten van levensonderhoud niet heeft toegewezen, tot toewijzing van deze vordering voor zover zij de wettelijke rente over dit bedrag betreft, tot het bepalen van de ingangsdatum op 1 januari 2016 over een bedrag van € 93,75; op 1 januari 2017 over een bedrag van € 225 en op 1 januari 2018 over een bedrag van € 1317 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de benadeelde partijen hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Waar het in deze zaak om gaat

De advocaat-generaal heeft in zijn conclusie onder 4 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:

“De verdachte in deze zaak is een politieagent die door het gerechtshof is veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij de aanhouding met dodelijke afloop van [slachtoffer] tijdens een muziekfestival in het Haagse Zuiderpark in 2015. Toen [slachtoffer] zich verzette tegen zijn aanhouding, ontstond een worsteling waarbij hij op de grond belandde en een aantal agenten geweld heeft gebruikt. [slachtoffer] is buiten bewustzijn geraakt en een dag later overleden. Het gerechtshof heeft de verdachte vrijgesproken van doodslag en zware mishandeling. Het hof achtte niet bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte is veroordeeld voor mishandeling met de dood tot gevolg. Het hof heeft, kort gezegd, geoordeeld dat de verdachte door tijdens de aanhouding te lang met kracht een nekklem toe te passen, gelet op de daaraan verbonden risico’s, niet proportioneel en daarom onrechtmatig heeft gehandeld. De dood van [slachtoffer] kan naar het oordeel van het hof aan de verdachte worden toegerekend. De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. In cassatie zijn namens de verdachte klachten aangevoerd over de veroordeling. Namens enkele nabestaanden zijn klachten ingediend die gaan over de beslissingen op de door hen ingediende verzoeken tot schadevergoeding. Omdat er bedreigingen zijn geuit tegen de verdachte en zijn gezin, is de identiteit van de verdachte in de strafprocedure bij de rechtbank en het gerechtshof afgeschermd.”

3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

3.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de door de verdachte toegepaste nekklem niet verenigbaar is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat hem daarom geen beroep toekomt op de strafuitsluitingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

3.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 27 juni 2015 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld, door

- met kracht gedurende enige tijd de nek/hals van die [slachtoffer] (met een arm) af te klemmen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.”

3.2.2

De bewijsvoering is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 27, waaronder de volgende bewijsoverwegingen:

“De situatie voor de aanhouding

11. Rond 22.00 uur bevond [slachtoffer] zich bij een van de uitgangen van het festivalterrein. Meerdere getuigen leidden uit het gedrag van [slachtoffer] af dat hij onder invloed was van alcoholische drank; hij was onvast ter been en liep wankelend, van links naar rechts. [slachtoffer] riep herhaaldelijk dat hij een (vuur)wapen had. Hij greep daarbij meerdere malen naar zijn kruis. Betrokken agenten die later als getuige zijn gehoord omschrijven het gedrag van [slachtoffer] op dat moment als agressief, bedreigend en provocerend. [slachtoffer] gaf geen gevolg aan meerdere verzoeken van de politie om te stoppen met het schreeuwen dat hij een (vuur)wapen had en om het festivalterrein te verlaten. Hij trok zich los van mensen, niet zijnde politieagenten, die hem naar de uitgang van het terrein probeerden te begeleiden.

De aanhouding

12. Het gedrag van [slachtoffer] trok op een gegeven moment de aandacht van DH01 en DH02, die zich op dat moment in een ME-bus bevonden. Zij zijn toen achtereenvolgens de ME-bus uitgestapt, eerst DH02 en even later DH01. Op een gegeven moment besloot de politie [slachtoffer] aan te houden. DH02 pakte [slachtoffer] bij zijn linker arm met twee handen vast en zei toen tegen [slachtoffer] dat hij was aangehouden. DH02 heeft verklaard dat [slachtoffer] zo tegenwerkte dat DH02 voor zijn gevoel van de grond werd opgetild. DH02 liet los, deed een stap achteruit en stapte weer in met de bedoeling [slachtoffer] via een heupworp op de grond te krijgen. Volgens DH02 had dat weinig effect. Het lukte hem niet [slachtoffer] op de grond te krijgen. Hij riep toen dat [slachtoffer] naar de grond moest worden gewerkt. Omdat DH02 niet zeker wist of [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had, wilde DH02 hem op de grond onder controle krijgen. Hij heeft [slachtoffer] een knietje tegen zijn dijbeen gegeven.

13. DH03 zag dat [slachtoffer] zich verweerde tegen de greep van DH02. Hij draaide met zijn arm om uit de greep los te komen. DH03 zag dat [slachtoffer] niet naar de grond wilde. DH05 zag dat DH02 [slachtoffer] bij de linkerzijde pakte en dat [verbalisant 1] hem bij de rechterzijde pakte. Hij hoorde dat er werd geroepen: “je bent aangehouden”. Hij zag dat [slachtoffer] verzet pleegde en hoorde dat er werd geroepen dat hij moest meewerken. [slachtoffer] trok zich echter los en draaide met zijn bovenlichaam de andere kant op dan de agenten hem trachtten te bewegen.

14. DH01 zag dat [slachtoffer] door [verbalisant 1] en DH02 bij de armen werd vastgegrepen, waarna [slachtoffer] zich probeerde los te trekken. Hij trok met veel kracht in een andere richting dan waarin DH02 en [verbalisant 1] trokken. DH01 besloot toen een balans verstorende techniek toe te passen. Hij pakte [slachtoffer] achter zijn hoofd in zijn nek en trok hem naar voren. [slachtoffer] raakte hierdoor uit zijn evenwicht en kwam met zijn borst op de grond te liggen.

Het verdere verloop

15. Nadat [slachtoffer] op de grond was beland, heeft een aantal politieagenten geweld gebruikt om de aanhouding te bewerkstelligen. Hieronder zal nader worden ingegaan op het door DH01 en DH02 gebruikte geweld. [slachtoffer] is uiteindelijk buiten bewustzijn geraakt en vervolgens naar het nabij gelegen politiebureau Zuiderpark vervoerd in de door DH01 bestuurde ME-bus. Aldaar werd hij door agenten en later door ambulancepersoneel gereanimeerd. Een dag later is [slachtoffer] in het ziekenhuis overleden.

(...)

28. Gelet op de hiervoor omschreven situatie (paragraaf 11-12) bestond er voldoende reden om [slachtoffer] aan te houden. Er is geen specifiek aanhoudingsproces-verbaal opgemaakt. Naar het oordeel van het hof kan in het midden worden gelaten op basis van de verdenking van welk strafbaar feit (te denken valt aan verstoring van de openbare orde of bedreiging) dit uiteindelijk is gebeurd. Het hof acht de aanhouding in elk geval rechtmatig. De agenten, onder wie DH01 en DH02, waren in zoverre in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

(...)

30. Door omstanders zijn van de worsteling videobeelden gemaakt. Deze beelden, zowel in scherpere als in minder scherpe kwaliteit en zowel in geblurde als in ongeblurde vorm, bevinden zich in het dossier en zijn ook ter terechtzitting getoond.

31. Het hof stelt vast dat het begin van de aanhouding en de worsteling niet op de beelden te zien is. Hoe lang de worsteling al aan de gang was vóór de eerste beelden (het hof zal deze fase verder aanduiden als de eerste fase), kan niet met zekerheid worden vastgesteld. DH01 weet niet hoe lang dat was, maar minuten lijkt hem wel erg lang. Volgens DH02 was dit misschien enkele minuten. Voor zover de worsteling wel op de beelden te zien is (verder: de tweede fase), duurde deze ongeveer één minuut en vijftien seconden. Uit de beelden kan worden afgeleid dat het verzet van [slachtoffer] tot het einde van worsteling lijkt voort te duren.

(...)

37. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden aangenomen dat DH01, teneinde te helpen de aanhouding van [slachtoffer] te realiseren al bij het begin van de schermutseling tussen [slachtoffer] en de agenten het hoofd van [slachtoffer] heeft omvat, hem naar de grond heeft getrokken en het hoofd en/of de nek niet meer heeft losgelaten tot het moment dat [slachtoffer] geboeid was en op dat moment zijn verzet tegen de aanhouding staakte. Allereerst is aan de orde de vraag of op enig moment sprake is geweest van het gedurende enige tijd (met kracht) afklemmen (met een arm) van de nek/hals van [slachtoffer], zoals ten laste gelegd.

Hoofdomvatting: algemeen

38. De term 'nekklem' is niet eenduidig. Er worden verschillende technieken mee aangeduid waarbij de nek van een persoon wordt omvat (nekomvatting). Daarbij kan het gaan om het omvatten van de nek als controletechniek. In dat geval kan de arm om de achterkant of zijkant van de nek worden geslagen waarmee als het ware het hoofd onder de arm wordt genomen. Daarmee wordt de bewegingsvrijheid van het hoofd, en daarmee van de gehele persoon, ingeperkt. Door het hoofd naar beneden te trekken, dwingt de uitvoerder de betrokkene naar de grond. Dit is een elementaire worsteltechniek.

39. Een nekomvatting kan ook worden gebruikt als verwurgingstechniek, waarbij sprake is van twee typen verwurging: bloedverwurging en luchtverwurging. Als één van de halsslagaders die zich aan beide zijkanten van de hals bevinden wordt afgekneld, vindt er een bloedverwurging plaats. Er stroomt dan minder bloed naar de hersenen. De uitvoerder kan van achteren met de arm de voorkant van de nek van de betrokkene omvatten. Wanneer deze omvatting zodanig wordt uitgevoerd dat met onder- en bovenarm in een soort V-vorm beide halsslagaders worden dichtgeknepen, wordt de bloedtoevoer naar het hoofd bijna geheel gestremd. Als dat gebeurt in het kader van een aanhouding met verzet, verliest de betrokkene daardoor na drie tot vijf seconden het bewustzijn, wat de mogelijkheid geeft over te gaan tot het boeien van de handen.

40. De uitvoerder kan de nek ook zodanig met de arm omvatten dat de luchtpijp wordt bekneld en dat daardoor de luchttoevoer wordt belemmerd. Dit kan worden bereikt door van achteren de onderarm tegen de keel te leggen en kracht uit te oefenen. In dat geval is er sprake van een luchtverwurging.

41. De Inspectie Veiligheid en Justitie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie concludeert dat het omvatten van de nek als controletechniek een veel gebruikte en bruikbare techniek is die in beginsel, mits technisch correct toegepast, weinig risico met zich brengt. Aan de bloed- en luchtverwurging zijn wel (ernstige) risico's verbonden. Zo kan schade ontstaan aan het strottenhoofd, er kan zich hersenletsel voordoen door zuurstoftekort of de betrokkene kan overlijden.

42. Een controletechniek kan tijdens een worsteling (bedoeld of onbedoeld) overgaan in een verwurging. De uitvoerder kan bijvoorbeeld vanuit een omvatting van de nek van achteren met de elleboog druk op het borstbeen uitoefenen. Dit geeft een pijnprikkel. Als de betrokkene desondanks niet meewerkt, kan de uitvoerder de klem strakker aantrekken, zodat de bloedtoevoer naar de hersenen wordt belemmerd. De uitvoerder kan ook van achteren met de onderarm voorlangs tegen de adamsappel duwen. Dat is op zichzelf al onaangenaam voor de betrokkene. Wanneer die toch verzet blijft bieden, kan de uitvoerder de klem sterker aanzetten, zodat ook de luchttoevoer wordt belemmerd.

(...)

59. Blijkens de beelden ligt [slachtoffer] op zijn buik op de grond met meerdere politieagenten om hem heen. Vanaf het begin van de beelden tot 22.06.03 uur zit DH01 op zijn knieën naast het hoofd, van [slachtoffer] op de grond. DH01 heeft al die tijd zijn linkerarm om de hals/nek van [slachtoffer] geslagen. De arm van DH01 bevindt zich voortdurend onder de kin van [slachtoffer] en wordt door DH01 kennelijk met kracht in die positie gehouden. Wanneer de linkerarm van [slachtoffer] geboeid op zijn rug zit, wordt er door DH05 aan de rechterarm van [slachtoffer] getrokken. Te zien is dat [slachtoffer] in eerste instantie zijn rechterarm nog terugtrekt onder zijn lichaam, maar dat DH05 zijn arm uiteindelijk kan pakken en naar zijn rug draait. Op dat moment zit de arm van DH01 nog om de nek van [slachtoffer] en hangt [slachtoffer] met zijn bovenlichaam in die klem. Om 22.06.03 uur laat DH01 het hoofd van [slachtoffer] (die dan kennelijk is geboeid) los, waarna zijn hoofd op de grond valt. DH01 zet daarna zijn knie achter op het hoofd dan wel de nek. [slachtoffer] maakt dan geen enkele waarneembare beweging meer.

(...)

65. De verklaring van DH01 dat hij nimmer een nekklem heeft aangezet (in de zin van met kracht aantrekken), maar slechts een hoofdklem heeft toegepast, moet worden gepasseerd. Die verklaring is immers niet alleen strijdig met de verklaringen van de hierboven weergegeven getuigen en deskundigen, maar ook met de waarneming door het hof van de ter terechtzitting afgespeelde beelden. Op die beelden is duidelijk een krachtig aangezette klem om de nek te zien. Nu niet alleen DH01 zelf, maar ook diverse getuigen hebben verklaard dat DH01 reeds vanaf het begin van de aanhouding het hoofd van [slachtoffer] heeft omvat (naar eigen zeggen met de bedoeling om hem via een verwurging een black-out te bezorgen) en daarna het hoofd van [slachtoffer] niet meer heeft losgelaten totdat deze zijn verzet staakte, moet het er voor worden gehouden dat DH01 vanaf een moment gelegen in de hiervoor aangeduide eerste fase van de aanhouding (die begon rond 22.03.30 uur) tot aan het staken van het verzet bij [slachtoffer] die nekklem heeft toegepast. Het geconstateerde letsel aan de hals kan ook niet door iets anders dan door die nekklem zijn veroorzaakt, nu de zojuist geciteerde medisch deskundigen dat aannemelijk vinden en een andere oorzaak voor dat letsel niet is gebleken. Ook dat wijst op een nekklem, en wel één die mogelijk is begonnen als een poging tot bloedverwurging, maar uiteindelijk is uitgelopen op een klem die druk heeft uitgeoefend op de luchtpijp en het strottenhoofd.

66. De slotsom is dat het hof met de rechtbank, en anders dan de verdediging, bewezen acht dat DH01 met kracht gedurende enige tijd de nek/hals van [slachtoffer] met een arm heeft afgeklemd.

De beoordeling van de rechtmatigheid van de door DH01 verrichte handelingen

67. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat DH01 heeft besloten om ter aanhouding van [slachtoffer] een nekklem te hanteren die tot bloedverwurging kon leiden, nog niet met zich brengt dat reeds daarom niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het verzet van [slachtoffer] was zodanig krachtig dat niet reeds op voorhand gezegd kan worden dat de beoogde nekklem een onaanvaardbaar middel was om de aanhouding tot stand te brengen, te vergemakkelijken of te bespoedigen.

68. Wel heeft het hof vastgesteld dat moet worden aangenomen dat de omklemming van de nek al op een moment gelegen in de hiervoor aangeduide eerste fase van de aanhouding is aangevangen en dat deze tot het einde van de worsteling heeft geduurd, en blijkens de beelden in elk geval in de hiervoor aangeduide tweede fase van de worsteling met onmiskenbare kracht.

69. Zoals hiervoor reeds is aangeduid is de bloedverwurging een handeling die binnen enkele seconden het beoogde effect moet hebben. Indien dat effect niet optreedt, zoals in de onderhavige zaak, is de klem kennelijk niet goed aangelegd, maar dat wil niet zeggen dat dan geen beschadigende effecten kunnen worden veroorzaakt. Het risico dat schade wordt veroorzaakt is nadrukkelijk aanwezig. DH01 moet bekend geweest zijn met de risico’s nu hij, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting bij de rechtbank, zowel de hoofdklem als de nekklem aangeleerd heeft gekregen en het hof ervan uitgaat dat, anders dan de verdachte ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard, daarbij ook is gewezen op die risico's. Door het te lang voortzetten van de krachtige nekklem hebben deze risico's zich verwezenlijkt en is aanmerkelijk letsel in de hals/nek van [slachtoffer] opgetreden. Het handelen van DH01 was in dit opzicht, mede in het licht van de omstandigheid dat nog vier agenten bezig waren met het onder controle brengen van [slachtoffer], hetgeen DH01 gelet op zijn positie bij [slachtoffer] moet hebben waargenomen, verwijtbaar niet proportioneel en derhalve onrechtmatig. In dit verband kan in het midden blijven of gedurende de omklemming de belemmering van de ademhaling en bloedtoevoer volledig is geweest en/of onafgebroken heeft geduurd.

Anders dan de verdediging is het hof dus van oordeel dat DH01 geen beroep toekomt op de rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof verwerpt de verweren op dit punt.”

3.3

Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde:

- artikel 42 Sr:

“Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.”

- artikel 3 Politiewet 2012:

“De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.”

- artikel 7 lid 1 en 5 Politiewet 2012:

“1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

(...)

5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.”

3.4

Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 Sr moet onder meer worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677). In een geval als het onderhavige, waarin een politieambtenaar wordt vervolgd wegens een geweldsmisdrijf omdat hij ter aanhouding van een verdachte geweld heeft aangewend, volgt uit het hiervoor weergegeven juridisch kader dat een succesvol beroep op artikel 42 Sr slechts mogelijk is als is gehandeld overeenkomstig de mede in artikel 7 lid 1 en 5 Politiewet 2012 tot uitdrukking gebrachte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1488).

3.5.1

Het hof is ervan uitgegaan dat de verdachte in de gegeven omstandigheden bevoegd was om [slachtoffer] aan te houden en heeft overwogen dat niet reeds op voorhand kan worden gezegd dat de beoogde nekklem een onaanvaardbaar middel was om de aanhouding tot stand te brengen, te vergemakkelijken of te bespoedigen. Met betrekking tot de door de verdachte (gedurende tenminste 75 seconden) toegepaste nekklem heeft het hof onder meer vastgesteld dat een nekklem die tot bloedverwurging leidt binnen enkele seconden het beoogde effect moet hebben, dat de klem niet goed is aangelegd indien dat effect niet optreedt en dat dan het risico dat schade wordt veroorzaakt nadrukkelijk aanwezig is.

3.5.2

Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte geen beroep toekomt op de strafuitsluitingsgrond van artikel 42 Sr. Aan dat oordeel heeft het hof in de kern ten grondslag gelegd dat de verdachte zijn bevoegdheid om een nekklem toe te passen heeft overschreden door deze krachtige nekklem te lang voort te zetten, waardoor hij in strijd heeft gehandeld met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat oordeel geeft, ook als - met het hof - zou worden aangenomen dat de aanleg van de beoogde nekklem met bloedverwurging in de gegeven omstandigheden niet een onaanvaardbaar middel was om de aanhouding tot stand te brengen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat nog vier agenten bezig waren met het onder controle brengen van [slachtoffer] die tijdens de toepassing van de nekklem op zijn buik lag.

3.6

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 7] is voorgesteld

4.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte heeft beslist dat het aan de benadeelde partij [benadeelde 7] toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding in de vorm van gederfd levensonderhoud niet wordt vermeerderd met de wettelijke rente, “nu een deel van deze kosten weliswaar betrekking heeft op het verleden, maar daartegenover staat dat een ander deel van deze kosten ‘vooruit’ moet worden betaald”. In het bijzonder klaagt het cassatiemiddel dat de toekomstige schade is begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens en dat in geval van een dergelijke schadebegroting aanspraak kan worden gemaakt op wettelijke rente vanaf de peildatum van deze kapitalisatie.

4.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 251 tot en met 253.

5. Beoordeling van de cassatiemiddelen van de verdachte en de benadeelde partijen voor het overige

5.1

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.2

Naar aanleiding van het eerste cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 7] is voorgesteld, overweegt de Hoge Raad nog het volgende. Omdat de schriftuur van de benadeelde partij op grond van artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering alleen een ‘rechtspunt’ mag betreffen dat de civiele vordering raakt, is in een cassatieprocedure als de onderhavige niet voorzien in een veroordeling van de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in die aanleg heeft gemaakt, zoals gevorderd in de schriftuur van de benadeelde partij [benadeelde 7].

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat het aan de benadeelde partij [benadeelde 7] toegewezen bedrag van € 1635,75 niet wordt vermeerderd met de wettelijke rente;

- bepaalt dat het aan deze benadeelde partij toegewezen bedrag van € 93,75 wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2016;

- bepaalt dat het aan deze benadeelde partij toegewezen bedrag van € 225 wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2017;

- bepaalt dat het aan deze benadeelde partij toegewezen bedrag van € 1317 wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2018;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2021.