Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:192

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2021
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
19/00708
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:742
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen van grote geldbedragen, art. 420ter Sr. Loopproces-verbaal inhoudende interpretaties en conclusies van verbalisant, na controle hof a.d.h.v. b.m., gebruikt voor bewijs.

O.g.v. art. 359.3 Sv moet de beslissing dat tlgd. feit door verdachte is begaan, steunen op inhoud van b.m. die voor die beslissing redengevende f&o bevatten. Deze b.m. moeten in beginsel worden opgenomen in vonnis, dan wel in aanvulling a.b.i. art. 365a.2 Sv. HR herhaalt vervolgens relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AF7985 m.b.t. motiveringsvereisten voor redengevende f&o in bewijsoverweging.

Hof heeft geoordeeld dat verdachte wetenschap had dat in bewezenverklaring genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, gelet op o.m. “de OVC-gesprekken die in de b.m. worden genoemd”. Daarbij heeft hof in aanvulling b.m. de inhoud van relaas van bevindingen van verbalisant A weergegeven m.b.t. aantal specifiek aangeduide afgeluisterde gesprekken, “OVC-gesprekken”, waaraan verdachte heeft deelgenomen. Die weergave bevat samenvatting van die gesprekken en conclusies van verbalisant over wat uit inhoud gesprekken blijkt m.b.t. wetenschap verdachte over handel in verdovende middelen door zijn zoon.

Door op deze wijze relaas van bevindingen van verbalisant A in aanvulling b.m. op te nemen heeft hof verklaring gebruikt die voor bewijs ontoelaatbare conclusies inhoudt (vgl. o.m. ECLI:NL:HR:2011:BR2847). Dergelijk gebruik van b.m. hoeft niet onder alle omstandigheden tot cassatie te leiden, bijv. als door hof gemaakte gevolgtrekking overeenkomt met in verklaring getrokken conclusie (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BW9189). Ook in dat geval gelden echter voorschriften m.b.t. b.m. waarop deze gevolgtrekking berust. In onderhavige geval heeft hof niet de wettige b.m. – i.h.b. relevante onderdelen van p-v’s waarin afgeluisterde gesprekken zijn weergegeven – opgenomen waaraan het voor die gevolgtrekking redengevende f&o heeft ontleend. Hof heeft evenmin met voldoende nauwkeurigheid naar die f&o verwezen. Enkele vermelding dat hof inhoud van relaas van bevindingen van verbalisanten B en C waarin onderzoeksresultaten – waaronder bevindingen van verbalisant A – zijn weergegeven, heeft gecontroleerd en dat hof zich met daarin verwoorde interpretaties en conclusies kan verenigen, is daarvoor niet voldoende. Oordeel hof is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/00707.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0034 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/587
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00708

Datum 9 februari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 januari 2019, nummer 20-001673-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1.

Het cassatiemiddel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, in het bijzonder over het gebruik voor het bewijs van het in het cassatiemiddel en hierna onder 2.2.2 weergegeven brondocument met een relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3].

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 15 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), waaronder in elk geval

- ongeveer 12.800 euro en

- ongeveer 68.000 euro, althans ongeveer 42.000 en

- ongeveer 48.500 euro en

- ongeveer 35.000 euro, voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

2.2.2

De aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) houdt onder meer het volgende in:

“De hierna opgesomde bewijsmiddelen zijn - tenzij anders vermeld - opgenomen in het zaaksdossier witwassen [verdachte] en [betrokkene 1], nummer 2611128HZ-3962, opgemaakt en ondertekend d.d. 26 februari 2015 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], met een loopproces-verbaal (blz. 1 t/m 18) en doorgenummerde onderliggende stukken (blz. 1 t/m 759).

Opmerking hof vooraf

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben hun onderzoekbevindingen ter zake de witwasverdenking van [verdachte] in samenvattende vorm weergegeven in een relaas van bevindingen met bijbehorende verwijzingen naar de onderliggende brondocumenten (p. 1 t/m 8). Het hof heeft de samenvattende onderzoeksbevindingen van genoemde verbalisanten gecontroleerd aan de hand van onderliggende bewijsmiddelen en heeft hierin geen noemenswaardige verschillen geconstateerd. Het hof verenigt zich met de inhoud van het relaas van bevindingen en de daarin verwoorde interpretaties en conclusies van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en maakt die tot de zijne. Het hof neemt de samenvattende weergave van de bewijsmiddelen als uitgangspunt en volstaat in de bewijsbijlage met telkens de vermelding en vindplaats van de onderliggende brondocumenten. De hieronder gebruikte nummering is van het hof zelf.

1. Aanleiding

(loopproces-verbaal p. 4) Uit de opgenomen en afgeluisterde vertrouwelijke communicatie (OVC) is het ernstige vermoeden ontstaan dat [verdachte] geld afkomstig uit enig misdrijf, zijnde drugshandel van zijn zoon, in zijn antiekzaak [A], gevestigd aan de [a-straat 1] te Eindhoven bewaarde/verborg/voorhanden had en/of overdroeg. Deze antiekzaak betreft een eenmanszaak en wordt voor risico en rekening gedreven van [verdachte]. Uit deze OVC-gesprekken is namelijk het vermoeden ontstaan dat [verdachte] kennis droeg van de betrokkenheid van zijn zoon [betrokkene 2] bij de handel in verdovende middelen.

(...)

Brondocument: relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 12 februari 2015 (p. 15-33)

Tijdens het onderzoek Gutenberg werd in de antiekzaak van [verdachte], [A], [a-straat 1] te Eindhoven vertrouwelijke communicatie (OVC) opgenomen en af geluisterd. Uit een aantal OVC-gesprekken is gebleken dat [verdachte] wetenschap droeg van het feit dat zijn zoon [betrokkene 2] en [betrokkene 4] zich bezig hielden met de handel in verdovende middelen. De gesprekken worden hieronder kort samengevat weergegeven.

OVC-gesprek 11-10-2013. 16.10 uur (p. 15 en p. 20-21)

[verdachte] en [betrokkene 2] bevinden zich in de antiekzaak met nog enkele mannen. [betrokkene 2] wil een van de mannen iets meegeven om te proberen in het weekend. [betrokkene 2] zegt dat ze super schijnen te zijn. Een van de mannen wil er wel een paar. [verdachte] zegt: “Je kunt wel dat zakje even meenemen, dat zakje met schoenpoets.” [betrokkene 2] zegt dat ze heel goed moeten zijn.

(Opmerking verbalisant: [betrokkene 2] deelt kennelijk xtc pillen uit aan bezoekers van de antiekzaak in aanwezigheid van [verdachte]).

OVC-gesprek 11-10-2013, 16.16 uur (p. 16 en p. 22-24)

[verdachte] en [betrokkene 2] bevinden zich in de antiekzaak met nog enkele mannen. Het gesprek gaat over xtc pillen die door [betrokkene 2] “housenootjes ” worden genoemd. [betrokkene 2] heeft verschillende soorten liggen die hij kennelijk aan de aanwezigen laat zien en mee wil geven om te laten proberen. [verdachte] is daarbij aanwezig.

(Opmerking verbalisant: [betrokkene 2] deelt xtc pillen uit aan bezoekers van de antiekzaak in aanwezigheid van [verdachte]).

OVC-gesprek 14-10-2013, 12.44 uur (p. 16 en p. 26-27)

[verdachte] bevindt zich in de antiekzaak als er een man binnenkomt die [betrokkene 5] wordt genoemd. [betrokkene 5] vraagt aan [verdachte] om [betrokkene 4] of [betrokkene 2] even langs te sturen. [verdachte] zegt dat hij [betrokkene 4] wel even laat sturen. [betrokkene 5] zegt dat die verzending naar de kloten is gegaan een paar weken geleden. [verdachte] zegt dat [betrokkene 2] in Spanje zit. [betrokkene 5] zegt dat hij heeft gezegd dat “ze” eens langs moeten komen en hij dan precies zal zeggen hoe “ze” het wel moeten doen. [betrokkene 5] zegt dat het altijd fout kan gaan, maar dat het kanariepietjeswerk is. [verdachte] zegt: “Ja, maar we zien maar weer. [betrokkene 2] zie ik deze week zeker niet. Ik ga de maandag even bellen.” [betrokkene 5] zegt vervolgens: “Het flikkerde er gewoon uit gewoon een volle tas weed. Hé vier a vijf tassen tegelijk, hier bij [betrokkene 6]. Dat verwacht toch niemand of wel. Dat is gewoon super brutaal. En dan via een omweg aanleveren en dan ehh computerspul. Breekbare stickers erop en dinge, die werden daar afgezet en die gingen met een vracht naar Engeland. Alleen [betrokkene 6] die rijdt elke dag op Engeland en die wordt niet gecontroleerd. En als je bij [betrokkene 6] weed komt brengen dan ben je echt gek of niet? Dat doet niemand. Die denken dat daar iedereen alles controleert, maar dat is een andere afdeling”.

(Opmerking verbalisant: [betrokkene 5] komt aan [verdachte] melden dat er een zending weed is ontdekt en wil contact met [betrokkene 2] of [betrokkene 4])

OVC-gesprek 15-10-2013. 12.45 uur (p. 16, p. 29)

[verdachte] bevindt zich in de antiekzaak als er een man binnenkomt die [betrokkene 5] wordt genoemd. De man verontschuldigt zich dat hij een beetje laat is en zegt tegenslag te hebben gehad. De man zegt: “weer een auto afgepakt en een hoop geld gevonden en een groot hok uit de grond gehaald, ik zit daar allemaal met die wagen bouwen... onverstaanbaar... ik weet het ook niet. Nee ik heb hier die grote dinge bij. Die was terug van ehh, die doen we wel verrekenen, dan heb je toch je centen.” [verdachte] zegt dat het goed is. De man zegt dat hij van de week [betrokkene 2] nog aan de lijn had. De man zegt verder: “anders is het niet zo erg, want ze kunnen beter een groot hok oppakken dan dat ze je geld vinden.” [verdachte] zegt hierop: “Oh dat is kut, dat ze je hok vinden, is allebei kut maar dat geld, contant dat is dan ook weg he en moet je maar weer eens kijken wat je moet doen voor je dat terug hebt liggen, he jongen.” [verdachte] zegt vervolgens: “Ja, ik hoor het ook van onze [betrokkene 2] terug, het valt ook allemaal nog niet mee he. Die beurt dan wel maar het is allemaal nog niet eenvoudig, want de meeste haken af die doen niks meer.”

(Opmerking verbalisant: Dit laatste slaat zeer vermoedelijk op de henneptelers, die momenteel door politie/justitie ook financieel worden aangepakt)

OVC-gesprek 30-01-2014. 12.33 uur (p. 16, p. 31-33)

[verdachte] krijgt bezoek van [betrokkene 4]. Het gesprek gaat aanvankelijk over [betrokkene 2] die op dat moment vast zit in verband met een zware mishandeling. [verdachte] zegt dat hij twee telefoontjes van [betrokkene 2] heeft liggen en vraagt of [betrokkene 4] die moet hebben. [betrokkene 4] zegt even niet want ik heb ook een klein probleempje gehad. [betrokkene 4] zegt dat ze achter hem aanreden met drie auto’s en even niks doet. [betrokkene 4] zegt dat andere mensen het ook hebben gezien en hij niet gek is. [betrokkene 4] zegt dat “ze” met drie auto’s waren, hij ergens bij mensen is geweest en “ze” hem waarschijnlijk van daaruit hebben gevolgd. [betrokkene 4] zegt dat hij maar 1 dag gevolgd is, even twee weken rustig aan doet en thuis alles opgeruimd heeft. [verdachte] zegt iets over aan de overkant wegleggen. [betrokkene 4] zegt dat hij ze morgen wel oppakt. [betrokkene 4] zegt dat hij handel heeft gedaan en dat het goed is gegaan, maar “ze” wel achter hem aan hebben gereden. [verdachte] zegt dat je op een gegeven moment toch wel in de gaten hebt dat ze je achtervolgen. [verdachte] zegt dat hij het zelf niet kan nalaten ’s morgens, altijd kijkt wat voor auto er staat, of er iemand in zit, of er iemand zit te kijken, even heen en weer loopt en zo eens links en rechts kijkt.

(Opmerking verbalisant: Op 28/01/2014 vond een observatie plaats op [betrokkene 4] toen hij met zijn bestelbus zeer vermoedelijk een partij verdovende middelen ophaalde in Hoorn/Zwaag en hij kennelijk het observatieteam die dag heeft opgemerkt.)”

2.3.

Op grond van artikel 359 lid 3 Sv moet de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die de voor die beslissing redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Deze bewijsmiddelen moeten in beginsel worden opgenomen in het vonnis, dan wel in de aanvulling zoals bedoeld in artikel 365a lid 2 Sv. Indien de rechter zich beroept op feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring maar die niet zijn vermeld in de in het vonnis of de in artikel 365a lid 2 Sv bedoelde aanvulling opgenomen bewijsmiddelen, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Als het daarbij gaat om feiten of omstandigheden die zijn vermeld in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, moeten die stukken ter terechtzitting zijn voorgelezen of moet daarvan daar de korte inhoud zijn medegedeeld. (Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985.)

2.4.1

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte wetenschap had dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, gelet op onder meer “de OVC-gesprekken die in de bewijsmiddelen worden genoemd”. Daarbij heeft het hof in de onder 2.2.2 genoemde aanvulling met bewijsmiddelen de inhoud van een relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] weergegeven met betrekking tot een aantal specifiek aangeduide afgeluisterde gesprekken, “OVC-gesprekken”, waaraan de verdachte heeft deelgenomen. Die weergave bevat een samenvatting van die gesprekken en conclusies van deze verbalisant over wat uit de inhoud van die gesprekken blijkt met betrekking tot de wetenschap van de verdachte over de handel in verdovende middelen door zijn zoon.

2.4.2

Door op deze wijze het relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] in de aanvulling met bewijsmiddelen op te nemen heeft het hof een verklaring gebruikt die voor het bewijs ontoelaatbare conclusies inhoudt (vgl. onder meer HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2847). Een dergelijk gebruik van een bewijsmiddel hoeft niet onder alle omstandigheden tot cassatie te leiden, bijvoorbeeld als de door het hof gemaakte gevolgtrekking overeenkomt met de in de verklaring getrokken conclusie (vgl. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9189). Ook in dat geval gelden echter de hiervoor onder 2.3 weergegeven voorschriften met betrekking tot de bewijsmiddelen waarop deze gevolgtrekking berust. In het onderhavige geval heeft het hof niet de wettige bewijsmiddelen – in het bijzonder relevante onderdelen van processen-verbaal waarin de afgeluisterde gesprekken zijn weergegeven – opgenomen waaraan het de voor die gevolgtrekking redengevende feiten en omstandigheden heeft ontleend. Het hof heeft evenmin met voldoende nauwkeurigheid naar die feiten en omstandigheden verwezen. De enkele vermelding dat het hof de inhoud van een relaas van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarin de onderzoeksresultaten – waaronder ook de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] – zijn weergegeven, heeft gecontroleerd en dat het hof zich met de daarin verwoorde interpretaties en conclusies kan verenigen, is daarvoor niet voldoende. Het oordeel van het hof is daarom ontoereikend gemotiveerd.

2.5

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2021.