Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1885

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2021
Datum publicatie
14-12-2021
Zaaknummer
20/00115
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:798
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervoeren van cocaïne en amfetamine (art. 2.B Opiumwet) en voorhanden hebben boksbeugel (art. 13.1 WWM) en wapenstok (art. 27.1 WWM). Toepassing controlebevoegdheid ex art. 160.1 WVW 1994. Kan verdachte worden aangemerkt als bestuurder? Hof heeft vastgesteld dat verbalisanten een auto geparkeerd zagen staan, dat verdachte achter deze auto stond en dat zij inzage hebben gevorderd in het rijbewijs van verdachte en het kentekenbewijs. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat verbalisanten deze controle hebben uitgevoerd met gebruikmaking van de bevoegdheid ex art. 160.1 WVW 1994. Controlebevoegdheid ex art. 160.1 WVW 1994 kan worden uitgeoefend t.a.v. bestuurder van een motorrijtuig. Uit ‘s hofs vaststellingen kan niet worden afgeleid dat verdachte, t.t.v. de controle of kort daarvoor, van deze auto de bestuurder was a.b.i. artikel 1.o WVW 1994. ‘s Hofs oordeel dat verbalisanten gerechtigd waren tot het uitoefenen van deze bevoegdheid, is daarom niet toereikend gemotiveerd.

Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG gaat in op ontvankelijkheid cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0383
NJB 2022/22
RvdW 2022/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00115

Datum 14 december 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 december 2019, nummer 21-000418-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V. Senczuk, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat de tegen de verdachte als bestuurder gerichte controle van het rijbewijs en het kentekenbewijs onrechtmatig heeft plaatsgevonden en dat daarom bewijsuitsluiting moet plaatsvinden.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

hij in de periode van 11 november 2018 tot en met 12 november 2018 te Veenendaal, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende (in totaal) 180,66 gram amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende (in totaal) 0,53 gram cocaïne, zijnde amfetamine en cocaïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij in de periode van 11 november 2018 tot en met 12 november 2018 te Veenendaal, een wapen van categorie I, onder 3°, van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad;

3.

hij in de periode van 11 november 2018 tot en met 12 november 2018 te Veenendaal, een wapen van categorie IV, onder 3°, van de Wet wapens en munitie, te weten een wapenstok, heeft gedragen.”

2.2.2

De bewezenverklaring steunt onder meer op het volgende bewijsmiddel:

“2. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal van

bevindingen – gevoegd bij registratienummer PL0900-2018325803 Z (blz. 5 e.v.) – gesloten op 12 november 2018, proces-verbaalnummer PL0900-2018325545-3, door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 2] , brigadier van politie, houdende – zakelijk weergegeven - het relaas van verbalisanten of één hunner:

Op 11 november 2018, omstreeks 23.45 uur, waren wij in uniform gekleed en reden in een opvallend politievoertuig. Wij waren belast met surveillance op de autosnelwegen binnen ons werkgebied. Wij zagen bij het Tango tankstation, gelegen in Veenendaal, een zilverkleurige BMW staan. Wij zagen dat deze BMW in een donkere hoek van het tankstation geparkeerd stond. Wij zagen dat de kofferbakklep van de auto was geopend en dat er twee mannen bij de achterzijde van de auto stonden. Wij zagen dat ze met wat spullen bezig waren in de kofferbak. Wij zagen bij het naderen van het voertuig dat deze was voorzien van het Duits kenteken [kenteken] . Omdat wij in ons gebied veel te maken hebben met huurauto’s en omdat het ons ambtshalve bekend is dat veel Duitse huurauto’s gekentekend zijn met een kenteken beginnend met een M, besloten wij dit voertuig en de bestuurder te controleren.

Ik, [verbalisant 2] , vorderde van de bestuurder zijn rijbewijs en kentekenbewijs. Ik zag dat de bestuurder mij een Pools rijbewijs en een Poolse legitimatiekaart overhandigde op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] . Ik hoorde dat de bestuurder aan mij vroeg of ik ook het kentekenbewijs wilde hebben. Toen ik dit bevestigde zag ik dat hij mij het kentekenbewijs overhandigde. Ik zag direct dat hij onder het kentekenbewijs een gripzakje met wit poeder vasthield.

Wij herkenden dit als zijnde MDMA kristallen, dit valt onder lijst I van de Opiumwet en deelden hem direct de cautie mede.

Ik, [verbalisant 2] , vorderde uitlevering van de eventueel in het voertuig aanwezige drugs.

Wij zagen dat [verdachte] uit zijn jaszak nog een gripzakje wit poeder haalde, vermoedelijk cocaïne, en twee zakje met een kleine hoeveelheid, vermoedelijk hennep.

Omdat wij gezien de aangetroffen middelen uit vermoedelijk lijst I en II van de Opiumwet een redelijk vermoeden hadden dat er zich in het voertuig nog meer verdovende middelen zouden kunnen bevinden, hebben wij het voertuig onderzocht.

Toen ik, [verbalisant 1] , het bestuurdersportier van het voertuig opende zag ik direct een wapenstok liggen. Vervolgens zag ik tussen de bijrijdersstoel en de bestuurdersstoel een zwarte boksbeugel liggen. Ik zag dat onder de stoel van de bijrijder twee plastic zakjes lagen met een wit poeder er in. Ik schat deze zakjes op ongeveer 100 gram per stuk.

Wij hoorden [verdachte] zeggen dat de inhoud van het zakje MDMA was.”

2.2.3

Het hof heeft naar aanleiding van een gevoerd verweer verder nog het volgende overwogen:

“Verbalisanten zagen op zondag 11 november 2018 omstreeks 23.45 uur bij het Tango tankstation in Veenendaal in een donkere hoek van het tankstation een BMW geparkeerd staan. Zij zagen dat de kofferbakklep van de auto was geopend, dat er twee mannen bij de achterzijde van de auto stonden en dat ze met wat spullen bezig waren in de kofferbak. Verbalisanten zagen bij het naderen van het voertuig dat deze was voorzien van het volgende kenteken: [kenteken] (Duitsland). Omdat verbalisanten in hun gebied veel te maken hebben met huurauto’s en omdat het hen ambtshalve bekend is dat veel Duitse huurauto’s gekentekend zijn met een kenteken beginnend met een M, hebben zij besloten het voertuig en de bestuurder te controleren en van de bestuurder het rijbewijs en het kentekenbewijs gevorderd.

Hoewel ongelukkig geverbaliseerd, begrijpt het hof het proces-verbaal van verbalisanten aldus dat de verbalisanten het voertuig van verdachten hebben gecontroleerd op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994. Op grond van dit artikel waren de verbalisanten bevoegd om inzage te vorderen in het rijbewijs van verdachte en/of kentekenbewijs van het voertuig.”

2.4

De volgende artikelen uit de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) zijn van belang.

- Artikel 1:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder:

(...)

o. bestuurder van een motorrijtuig: degene die het motorrijtuig bestuurt of degene die, overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarde, wordt geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen;.”

- Artikel 160:

“1. Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:

a. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen;

b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs;

(...)”

2.5.1

Het hof heeft, mede gelet op het onder 2.2.2 weergegeven bewijsmiddel, onder meer vastgesteld dat de verbalisanten een auto geparkeerd zagen staan, dat de verdachte achter deze auto stond en dat zij inzage hebben gevorderd in het rijbewijs van de verdachte en het kentekenbewijs (hierna: de controle). Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verbalisanten deze controle hebben uitgevoerd met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 160 lid 1 WVW 1994.

2.5.2

De controlebevoegdheid van artikel 160 lid 1 WVW 1994 kan worden uitgeoefend ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig. Uit de vaststellingen van het hof kan niet worden afgeleid dat de verdachte, ten tijde van de controle of kort daarvoor, van deze auto de bestuurder was als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder o, WVW 1994. Het oordeel van het hof dat de verbalisanten gerechtigd waren tot het uitoefenen van deze bevoegdheid, is daarom niet toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.

2.5.3

Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2021.