Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:181

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-02-2021
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
19/03138
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:844, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:2902, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Arbeidsrecht. Procesrecht. Aansprakelijkheid universitair hoofddocent wegens handelen in strijd met subsidieregels. Uitleg CAO in relatie tot art. 7:661 BW. Maatstaf bewuste roekeloosheid. Schriftelijk pleidooi door hof buiten beschouwing gelaten. Door universiteit genoten voordeel ten onrechte niet in de vaststelling van de schadeomvang betrokken? Hoge Raad doet zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0140
NJB 2021/503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/03138

Datum 5 februari 2021

ARREST

In de zaak van

[eiseres],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

hierna: de werkneemster,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

WAGENINGEN UNIVERSITEIT,
gevestigd te Wageningen,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: WU,

advocaat: D. Rijpma.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak 230090/HA ZA 12-353 van de rechtbank Gelderland van 5 september 2012, 10 april 2013, 6 november 2013, 19 februari 2014 en 5 november 2014;

  2. de arresten in de zaak 200.170.614 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 oktober 2018 en 2 april 2019.

De werkneemster heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.

WU heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en afdoening als in de conclusie omschreven.

De advocaat van de werkneemster heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om de aansprakelijkheid van de werkneemster, universitair hoofddocent bij WU, voor schade die WU heeft geleden in verband met een door de werkneemster toegepaste constructie bij de uitvoering van een door de overheid gesubsidieerd kennisoverdrachtproject (hierna: het project). Die constructie hield, kort samengevat, in dat in strijd met de subsidieregels de verplichte eigen bijdrage van de bij het project betrokken boerenbedrijven door WU aan de boerenbedrijven werd terugbetaald. Bij de uitvoering van het project was ook de [de stichting] (hierna: [de stichting]) betrokken. De aan WU verstrekte subsidie voor het project is door de overheid teruggevorderd. De werkneemster is op grond van ernstig plichtsverzuim ontslagen.

2.2

In deze procedure vordert WU dat de werkneemster, samen met [de stichting] en de bestuurder van [de stichting] (hierna: de bestuurder), hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, bestaande in de teruggevorderde subsidie en de aan de boerenbedrijven terugbetaalde eigen bijdragen, in totaal begroot op € 1.029.800,--.

2.3

Voordat de rechtbank eindvonnis wees, hebben [de stichting] en de bestuurder met WU een schikking getroffen en is de zaak tussen WU en [de stichting] en de bestuurder doorgehaald. De rechtbank heeft bij eindvonnis de vordering jegens de werkneemster toegewezen.

2.4.1

Het hof heeft bij tussenarrest1, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

De werkneemster heeft met de door haar toegepaste constructie, waarin de eigen bijdragen per saldo niet aan de boerenbedrijven in rekening zijn gebracht en waarmee zij roekeloos het risico heeft genomen dat de subsidie werd ingetrokken, in strijd gehandeld met art. 1:17 van de CAO Nederlandse Universiteiten (welke bepaling identiek is aan art. 7:661 lid 1, eerste volzin, BW). De werkneemster is aansprakelijk voor de schade die WU daardoor heeft geleden. (rov. 5-4-5.8)

Om tot vaststelling van de schadeomvang te komen, is een vergelijking nodig van de huidige situatie met de situatie waarbij de onrechtmatige daad wordt weggedacht. (rov. 5.9)

Vergeleken met de hypothetische situatie dat het project correct zou zijn uitgevoerd en de boerenbedrijven de eigen bijdragen daadwerkelijk zouden hebben willen dragen (de eerste hypothetische situatie), vormen de terugvordering van de subsidie en de retourfacturering van de eigen bijdragen op het eerste gezicht schadeposten voor WU. Indien echter de werkneemster van het hele project zou hebben afgezien of alle dan wel een aantal boerenbedrijven niet bereid zouden zijn geweest een zodanige eigen bijdrage te betalen (de tweede hypothetische situatie), zou het project niet zijn uitgevoerd en zou WU in zoverre aanspraak op subsidie noch op eigen bijdragen hebben gehad. Vergeleken met zo’n tweede hypothetische situatie lijken de terugvordering van de subsidie en de retourfacturering van de eigen bijdragen dan geen schadeposten voor WU. De stelplicht en bewijslast rusten hier in beginsel op WU. Partijen mogen zich ter comparitie uitlaten over de hypothetische situaties waarmee de werkelijk ontstane situatie moet worden vergeleken. (rov. 5.10)

Het hof heeft behoefte aan nadere informatie van partijen over de schade. (rov. 5.12)

2.4.2

Het hof heeft bij eindarrest2 het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en de werkneemster veroordeeld tot betaling aan WU van € 35.587,--. Daarbij heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

WU heeft ter comparitie afgezien van een vergelijking met de eerste hypothetische situatie en schadebegroting verlangd op basis van de tweede hypothetische situatie. (rov. 2.4)

WU heeft netto € 483.253,-- aan [de stichting] betaald. Deze kosten, die WU in de tweede hypothetische situatie niet had behoeven te betalen, leveren in beginsel een schadepost op. [de stichting] heeft op grond van de vaststellingsovereenkomst € 447.666,-- wegens schadevergoeding aan WU betaald. Het hof gaat uit van een aansprakelijkheid van de werkneemster voor de nog resterende € 35.587,--. (rov. 2.9 en 2.11)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 2.2.1 van het middel klaagt onder meer dat het hof (in rov. 2.9 en 2.11 van het eindarrest) heeft miskend dat de werkneemster heeft aangevoerd dat WU een voordeel heeft genoten door zogenoemde WBSO-inkomsten, welke inkomsten er niet zouden zijn geweest indien de werkneemster het project niet had uitgevoerd. Dit is een gemotiveerde betwisting van de schade of had moeten worden geduid als een beroep op voordeelstoerekening, hetgeen het hof niet onbesproken had mogen laten, aldus de klacht.

3.1.2

Bij tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de schadeberekening. De werkneemster heeft vervolgens bij akte ten behoeve van de comparitie van partijen onder meer aangevoerd dat als het project niet zou zijn uitgevoerd, WU niet € 12.672,-- aan WBSO-inkomsten zou hebben gehad en dat dit bedrag dus in mindering moet worden gebracht op de door WU geleden schade. WU heeft in haar reactie op deze stellingname van de werkneemster erkend dat zij een bedrag van € 12.581,16 aan WBSO-inkomsten heeft ontvangen. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat dit het bedrag is dat in mindering moet worden gebracht op de door de werkneemster te betalen schadevergoeding (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.34). In het licht van een en ander kan het oordeel van het hof over het bedrag van de door de werkneemster te betalen schadevergoeding geen stand houden. De daarop gerichte klacht slaagt.

3.2

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dat oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.3

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de werkneemster te veroordelen tot betaling aan WU van (€ 35.587,-- minus € 12.581,16 =) € 23.005,84 in hoofdsom.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2019, voor zover [eiseres] daarbij is veroordeeld tot betaling aan WU van € 35.587,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 mei 2012 tot de dag van voldoening;

- in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [eiseres] tot betaling aan WU van € 23.005,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 mei 2012 tot de dag van voldoening;

- veroordeelt WU in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 996,72 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 5 februari 2021.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8704.

2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2902.