Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:178

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-02-2021
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
19/03030
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:882, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:2663, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Beroep op schending mededelingsplicht (art. 7:928 BW); vereiste dat verzekeraar tijdig heeft gewezen op niet-nakoming mededelingsplicht onder vermelding gevolgen (art. 7:929 lid 1 BW); vraag aan wie die kennisgeving kan worden gedaan in geval van vermissing of overlijden verzekeringnemer. Stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/502
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/03030

Datum 5 februari 2021

ARREST

In de zaak van

AEGON LEVENSVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Den Haag,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: Aegon,

advocaat: R.P.J.L. Tjittes, aanvankelijk ook J.W. de Jong en P.J. Tanja.

tegen

1. [verweerster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna gezamenlijk: [verweerders] ,

advocaat: M.M. van Asperen, aanvankelijk M.E.M.G. Peletier.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/17/125770/HA ZA 13-76 van de rechtbank Noord-Nederland van 23 oktober 2013, 17 september 2014 en 9 september 2015;

  2. de arresten in de zaak 200.180.241/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018 en 26 maart 2019.

Aegon heeft tegen het arrest van het hof van 26 maart 2019 beroep in cassatie ingesteld.

[verweerders] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Aegon mede door P.J. Tanja.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De advocaat van Aegon heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerders] zijn de kinderen van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ).

(ii) [betrokkene 1] voerde een accountantspraktijk in zijn praktijkvennootschap [A] B.V. (hierna: de praktijkvennootschap).

(iii) [betrokkene 1] heeft op 1 april 2005 bij Aegon een overlijdensrisicoverzekering gesloten (hierna: de verzekeringsovereenkomst). Het verzekerd kapitaal per 1 juli 2005 bedroeg € 668.149,--, uit te keren terstond na overlijden van de verzekerde ( [betrokkene 1] ) voor 1 april 2010. [betrokkene 1] heeft achtereenvolgens zijn echtgenote en zijn kinderen als begunstigden onder de polis aangewezen.

(iv) [betrokkene 1] heeft voor het aangaan van de verzekeringsovereenkomst een daartoe door Aegon verstrekt vragenformulier ingevuld. Bij de vraag naar de geschatte waarde van zijn bezittingen en schulden heeft hij als bezittingen opgegeven € 50.000,-- en als schulden € 600.000,--.

(v) [betrokkene 1] is sinds 6 maart 2006 vermist geweest. Op 2 mei 2006 is het faillissement van de praktijkvennootschap uitgesproken, met aanstelling van mr. J.J. Reiziger als curator (hierna ook: de curator).

(vi) Bij brief van 1 november 2007 heeft Aegon aan de curator bericht dat [betrokkene 1] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst zijn schuldenpositie niet naar waarheid heeft opgegeven, daar hij op het vragenformulier slechts een bedrag van € 600.000,-- aan schulden heeft vermeld terwijl in het faillissementsverslag nummer 4 staat dat de praktijkvennootschap per 31 december 2003 een vordering had van € 1.200.000,-- op [betrokkene 1] in privé, en dat dit bedrag sinds die tijd alleen maar is toegenomen. Aegon heeft in die brief de vernietiging van de verzekeringsovereenkomst wegens verzwijging ingeroepen.

(vii) De echtgenote van [betrokkene 1] , tevens de moeder van [verweerders] , is in december 2010 overleden.

(viii) In april 2011 is het stoffelijk overschot van [betrokkene 1] gevonden in een kanaal.

(ix) [verweerders] zijn de eerst begunstigden onder de verzekeringsovereenkomst en hebben jegens Aegon aanspraak gemaakt op uitkering van het verzekerde kapitaal.

(x) Aegon heeft uitkering geweigerd met een beroep op schending van de mededelingsplicht door [betrokkene 1] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst.

2.2

[verweerders] vorderen in dit geding een verklaring voor recht dat Aegon gehouden is dekking te verlenen onder de verzekeringsovereenkomst en veroordeling van Aegon tot uitkering van de verzekerde som. De rechtbank heeft het door Aegon gedane beroep op schending van de mededelingsplicht (zie ook hiervoor in 2.1 onder (x)) gehonoreerd en op die grond de vorderingen afgewezen.

2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [verweerders] alsnog toegewezen.1 Daartoe heeft het hof, samengevat, het volgende overwogen.

Op grond van hetgeen omtrent de langdurige verdwijning van [betrokkene 1] is gesteld en gezien het feit dat zijn stoffelijk overschot in een kanaal is gevonden, houdt het hof het ervoor dat [betrokkene 1] op [datum] 2006 is overleden. (rov. 4.3)

Op grond van art. 7:929 lid 1 BW kan een verzekeraar wegens het niet-nakomen van de mededelingsplicht slechts gevolgen inroepen indien hij de verzekeringnemer daarvoor binnen twee maanden na ontdekking heeft gewaarschuwd. (rov. 4.5)

Op grond van art. 7:929 lid 1 BW dient de daarin bedoelde mededeling te worden gedaan aan de verzekeringnemer. Gelet op het belang dat aan de waarschuwingsplicht moet worden gehecht vanwege de gevolgen die een beroep op schending van een mededelingsplicht voor een verzekeringnemer heeft, kan op grond van art. 7:943 lid 3 BW niet ten nadele van een particuliere verzekeringnemer (zoals in dit geval [betrokkene 1] ) van art. 7:929 lid 1 BW worden afgeweken. Op Aegon rust de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan art. 7:929 BW is voldaan. (rov. 4.7)

Aegon heeft haar brief van 1 november 2007 niet geadresseerd en verzonden aan [betrokkene 1] (als verzekeringnemer), maar aan mr. Reiziger in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de praktijkvennootschap. De curator was niet bevoegd om als vertegenwoordiger van [betrokkene 1] (of diens echtgenote of [verweerders] ) mededelingen als de onderhavige van Aegon in ontvangst te nemen. Het argument dat Aegon de brief niet aan [betrokkene 1] zelf kon sturen in verband met zijn vermissing en enkel aan de curator overtuigt niet: niet valt in te zien waarom Aegon de brief niet aan het adres van [betrokkene 1] heeft kunnen sturen (vgl. art. 7:933 lid 1, tweede zin, BW). (rov. 4.8)

Met haar brief van 1 november 2007 aan de curator heeft Aegon derhalve niet voldaan aan het dwingendrechtelijke vereiste van art. 7:929 lid 1 BW, ook al zou de curator – zoals door Aegon is gesteld – die brief direct aan de echtgenote van [betrokkene 1] hebben doorgestuurd en met haar over de inhoud ervan hebben gesproken. (rov. 4.9)

Aegon komt derhalve geen beroep toe op (de gevolgen van) niet-nakoming van de mededelingsplicht door [betrokkene 1] en haar beroep op vernietiging van de verzekeringsovereenkomst heeft geen doel getroffen. (rov. 4.12)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt (onder A) dat het oordeel van het hof dat Aegon de in art. 7:929 lid 1 BW bedoelde kennisgeving had moeten doen aan [betrokkene 1] als verzekeringnemer door hem op zijn adres aan te schrijven, in de door het hof vastgestelde omstandigheden getuigt van een te formalistische en dus onjuiste uitleg dan wel toepassing van art. 7:929 lid 1 BW, althans onbegrijpelijk is. Het valt niet in te zien waarom het Aegon rechtens zou kunnen worden tegengeworpen dat zij niet heeft getracht om [betrokkene 1] per post te bereiken, nu vaststaat dat dit niet zou zijn gelukt, aldus het onderdeel. Verder klaagt het onderdeel (onder B) dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat met het aanschrijven van [betrokkene 1] in dit geval niet het door art. 7:929 lid 1 BW beoogde doel kon worden gediend. Het onderdeel voert aan dat vanwege de afwezigheid c.q. het overlijden van [betrokkene 1] geen relevante maatregelen genomen hadden kunnen worden naar aanleiding van het beroep op schending van de mededelingsplicht, zoals het sluiten van een nieuwe verzekering. Het hof is volgens het onderdeel bovendien in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten door dit betoog van Aegon, alsmede haar stelling dat de echtgenote van [betrokkene 1] de premies voor een nieuwe verzekering niet zou hebben kunnen voldoen, niet kenbaar in zijn beoordeling te betrekken.

3.1.2

Op grond van art. 7:928 lid 1 BW is de verzekeringnemer verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Niet-nakoming van deze mededelingsplicht kan onder omstandigheden ertoe leiden dat de verzekeraar de verzekering met dadelijke ingang kan opzeggen (art. 7:929 lid 2 BW) of dat de verzekeraar niet of niet onverkort is gehouden tot uitkering onder de verzekering (art. 7:930 leden 3-5 BW). Art. 7:929 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat niet is voldaan aan de in art. 7:928 BW omschreven mededelingsplicht, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen (hierna ook: de kennisgevingsplicht). Deze kennisgeving dient schriftelijk te geschieden (art. 7:933 lid 1, eerste volzin, BW).

3.1.3

Uit de parlementaire geschiedenis2, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.7.1-3.7.4, blijkt dat aan de kennisgevingsplicht de gedachte ten grondslag ligt dat de verzekeraar zijn wederpartij niet in onzekerheid mag laten over de vraag of hij zich een beroep op schending van de mededelingsplicht wil voorbehouden, en de zaak niet op haar beloop mag laten. Verder blijkt uit die parlementaire geschiedenis dat de wetgever met de kennisgevingsplicht ook meer specifieke belangen van de verzekeringnemer heeft willen beschermen. Zo kan het voor de verzekeringnemer van belang zijn snel duidelijkheid te hebben over de vraag of de verzekeraar dekking weigert, omdat de verzekeringnemer dan nog de gelegenheid heeft elders een verzekering te sluiten of een derde aan te spreken.

3.1.4

Gelet op doel en strekking van art. 7:929 BW lid 1 BW (zie hiervoor in 3.1.3) kan de verzekeraar de kennisgeving dat aan de in art. 7:928 BW omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, slechts doen aan de verzekeringnemer zelf, dan wel diens rechtsopvolger(s). De verzekeraar kan zich daarbij houden aan het laatste hem bekende adres van de verzekeringnemer dan wel diens rechtsopvolger(s). Dit volgt uit art. 7:933 lid 1, tweede volzin BW, waar met ‘woonplaats’ adres wordt bedoeld.3 De desbetreffende schriftelijke verklaring van de verzekeraar heeft haar werking op het moment dat zij op dat adres is afgeleverd (art. 3:37 lid 3 BW), ook indien de verzekeringnemer niet van de inhoud van die verklaring kan kennisnemen, bijvoorbeeld als gevolg van afwezigheid of vermissing.

Het hof heeft (in rov. 4.8, in cassatie niet bestreden) vastgesteld dat de curator niet bevoegd was om als vertegenwoordiger van [betrokkene 1] mededelingen als de onderhavige van Aegon in ontvangst te nemen. Het oordeel van het hof dat Aegon met haar brief van 1 november 2007 aan de curator (zie hiervoor in 2.1 onder (vi)) niet heeft voldaan aan de kennisgevingsplicht geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende gemotiveerd. In zoverre faalt het onderdeel.

3.1.5

Indien de verzekeraar niet tijdig heeft voldaan aan de kennisgevingsplicht, kan hij zich op grond van art. 7:929 lid 1 BW niet meer op zijn rechten ter zake van de niet-nakoming van de mededelingsplicht beroepen. Dit gevolg treedt in ongeacht of de verzekeringnemer daadwerkelijk nadeel ondervindt van het niet tijdig voldoen aan de kennisgevingsplicht. Dit strookt met de hiervoor in 3.1.3 vermelde, aan art. 7:929 lid 1 BW ten grondslag liggende gedachte dat de verzekeraar de verzekeringnemer niet in onzekerheid mag laten over de vraag of hij een beroep wil doen op de schending van de mededelingsplicht. Ook in zoverre faalt het onderdeel.

3.2.1

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof dat Aegon ook niet heeft voldaan aan de kennisgevingsplicht als de curator de brief van 1 november 2007 dadelijk aan de echtgenote van [betrokkene 1] heeft doorgestuurd en deze brief met haar heeft besproken. Het onderdeel wijst erop dat, naar het hof heeft aangenomen (in rov. 4.3), [betrokkene 1] ten tijde van het verzenden van die brief reeds was overleden zodat zijn echtgenote onherroepelijk de eerst begunstigde onder de verzekeringsovereenkomst was geworden. Het onderdeel betoogt dat de waarschuwing van art. 7:929 lid 1 BW ook kan worden gedaan aan een derde wiens belang is verzekerd, zoals een derde-verzekerde of een begunstigde, althans dat dit kan onder omstandigheden als hier aan de orde.

3.2.2

Ook in geval van overlijden van de verzekeringnemer die tevens verzekerde is onder een levensverzekering, kan de verzekeraar ter voldoening aan de kennisgevingsplicht niet volstaan met een kennisgeving aan de eerst begunstigde of een andere derde. De erfgenamen kunnen immers, als rechtsopvolgers van de verzekeringnemer, een eigen, van dat van de begunstigde of andere derde te onderscheiden belang erbij hebben op de hoogte te worden gesteld van het beroep op schending van de mededelingsplicht. De kennisgeving zal in het hier bedoelde geval moeten worden verzonden aan de erfgenaam of erfgenamen van de verzekeringnemer als diens rechtsopvolger(s) onder algemene titel. De verzekeraar kan zich ook in dat geval houden aan het laatste hem bekende adres van de verzekeringnemer, zolang hem niet een ander adres is medegedeeld waarop de erven kunnen worden aangeschreven (art. 7:933 lid 1, tweede volzin, BW). Aan de verplichting tot kennisgeving aan de verzekeringnemer of diens rechtsopvolger(s) doet niet af dat de verzekeraar onder omstandigheden daarnaast gehouden is bepaalde derden, onder wie een begunstigde die zijn aanwijzing heeft aanvaard, in kennis te stellen van het beroep op niet-nakoming van de mededelingsplicht (zie art. 7:983 lid 3 BW).

3.2.3

Het onderdeel faalt derhalve.

3.3.1

Onderdeel 3, dat ziet op de verdeling van stelplicht en bewijslast ter zake van de naleving van de kennisgevingsplicht van art. 7:929 lid 1 BW, kan in verband met het falen van de onderdelen 1 en 2 niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang. De Hoge Raad ziet niettemin aanleiding daarover het volgende op te merken.

3.3.2

De stelplicht en de bewijslast ter zake van de vraag of de verzekeraar aan de kennisgevingsplicht heeft voldaan, rusten op de verzekeraar. Dit volgt uit de hoofdregel van bewijslastverdeling (art. 150 Rv), nu naleving van de kennisgevingsplicht nodig is voor het slagen van een beroep door de verzekeraar op de rechtsgevolgen van niet-nakoming van de mededelingsplicht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt ook dat de wetgever bij de totstandkoming van art. 7:929 lid 1 BW ervan is uitgegaan dat stelplicht en bewijslast met betrekking tot de naleving van de kennisgevingsplicht op de verzekeraar rusten.4

3.4

De overige onderdelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.5

Het principale beroep faalt. Daarmee is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld, zodat het geen behandeling behoeft.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het principale beroep;

- veroordeelt Aegon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 2.091,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Aegon deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 5 februari 2021.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2663.

2 Parl. Gesch. Verzekering, p. 30-34.

3 Parl. Gesch. Verzekering, p. 53-54.

4 Parl. Gesch. Verzekering, p. 33.