Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1769

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-11-2021
Datum publicatie
26-11-2021
Zaaknummer
21/00691
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:818, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2020:2696, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2021:2418, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Verbetering kennelijke fout? Art. 31 Rv. Ingangsdatum kinderalimentatie. Hoge Raad doet zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/3187
PFR-Updates.nl 2021-0277
NJ 2021/389
RvdW 2021/1156
JPF 2022/8 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
RFR 2022/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/00691

Datum 26 november 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: de vrouw,

advocaat: A.H.M. van den Steenhoven,

tegen

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de man,

advocaat: K. Aantjes.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaak C/10/570730 / FA RK 19-2607 van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2020;

  2. de beschikkingen in de zaak 200.277.843 van het gerechtshof Den Haag van 25 november 2020 en 6 januari 2021.

De vrouw heeft tegen de beschikkingen van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot afdoening als in de conclusie onder 2.19 vermeld.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn de ouders van een minderjarig kind (hierna: de minderjarige), geboren in 2005.

(ii) Het huwelijk van partijen is in 2011 ontbonden door echtscheiding. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige.

(iii) Partijen hebben in 2010 een ouderschapsplan opgesteld, waarin onder meer is opgenomen dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige in onderling overleg zal worden bepaald en dat de kosten van verzorging en opvoeding in onderling overleg zullen worden gedragen.

2.2

De vrouw verzoekt, voor zover in cassatie van belang, vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderalimentatie).

2.3

De rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2020 bepaald dat de man met ingang van 26 maart 2019, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift van de vrouw, als kinderalimentatie € 496,-- per maand verschuldigd is.

2.4

Het hof heeft bij beschikking van 25 november 2020 de beschikking van de rechtbank vernietigd en de kinderalimentatie vastgesteld op € 205,-- per maand met ingang van 25 november 2020. Met betrekking tot de ingangsdatum van de kinderalimentatie heeft het hof het volgende overwogen:

“5.6 (…) Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Op basis van de jurisprudentie dient de rechter van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik te maken. Het hof is alles overziend van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de door de man te betalen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de bestreden beschikking. Het hof weegt hierbij mee dat de man door het tijdsverloop en de behandelingsduur van de procedure in eerste aanleg onevenredig wordt benadeeld aangezien hij door de zeer lange behandelingsduur in eerste aanleg achteraf wordt geconfronteerd met een aanzienlijke betalingsverplichting terwijl de man onvoldoende liquiditeiten heeft om aan die betalingsverplichting te kunnen voldoen. Het is eveneens voor de alimentatieplichtige van belang dat er snel duidelijkheid is met betrekking tot zijn verplichtingen. Derhalve gaat het hof in dit specifieke geval –anders dan de rechtbank – niet uit van de datum van indiening van het verzoekschrift, maar van de datum van deze beschikking, zijnde 25 november 2020.”

2.5

De vrouw heeft het hof op de voet van art. 31 Rv verzocht om verbetering van deze beschikking met het argument dat het hof een kennelijke fout heeft gemaakt door in de slotzin van rov. 5.6 en in het dictum als ingangsdatum 25 november 2020 te noemen (de datum van de beschikking van het hof) in plaats van 6 februari 2020 (de datum van de beschikking van de rechtbank).

2.6

Het hof heeft bij herstelbeschikking van 6 januari 2021 bepaald dat in rov. 5.6 van zijn beschikking van 25 november 2020 de zin

“Het hof is alles overziend van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de door de man te betalen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de bestreden beschikking.”

als volgt komt te luiden:

“Het hof is alles overziend van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de door de man te betalen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van deze beschikking van het hof, zijnde 25 november 2020.”

Het hof heeft daartoe als volgt overwogen:

“(…) Het hof is van oordeel dat sprake is van een fout die voor partijen en derden kenbaar was en die zich voor eenvoudig herstel leent. Het hof zal daarom ook het verzoek tot verbetering van hetgeen onder rechtsoverweging 5.6 is overwogen toewijzen, met dien verstande dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie zoals in de laatste volzin van overweging 5.6 en in het dictum vermeld de datum van de beschikking van het hof zal zijn, derhalve 25 november 2020. Het verzoek tot verbetering van hetgeen in het dictum is opgenomen zal het hof afwijzen.”

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof in de herstelbeschikking heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van art. 31 Rv. Gelet op de oorspronkelijke inhoud van rov. 5.6 van de beschikking van 25 november 2020 was voor partijen (en derden) wel duidelijk dat het hof een fout heeft gemaakt, maar niet dat die fout inhield dat waar het hof de woorden “de datum van de bestreden beschikking” gebruikte, het hof bedoelde “de datum van deze beschikking van het hof”. Het hof is aldus buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv getreden.

3.1.2

Omdat de vrouw klaagt dat het hof buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden, is zij, ondanks het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv, ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen de herstelbeschikking.1

3.1.3

De klacht slaagt. Van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van art. 31 Rv is sprake indien voor partijen en derden kenbaar is waarin de fout is gelegen.2Daarvan is in deze zaak geen sprake. Uit rov. 5.6 en de overige inhoud van de beschikking van 25 november 2020 is niet met voldoende zekerheid op te maken wat het hof heeft bedoeld te beslissen over de ingangsdatum van de kinderalimentatie. Zo heeft de vrouw zich in haar verzoek om herstel van de fout op het niet onbegrijpelijke standpunt gesteld dat juist de woorden “deze beschikking, zijnde 25 november 2020” in rov. 5.6 berusten op een verschrijving. Het hof is derhalve buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv getreden. Onderdeel 1 klaagt hierover terecht.

3.1.4

De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling. De Hoge Raad zal de herstelbeschikking van 6 januari 2021 vernietigen.

3.2.1

Onderdeel 2, dat voortbouwt op het slagen van onderdeel 1, betoogt dat de beslissing van het hof met betrekking tot de ingangsdatum van de kinderalimentatie in de slotzin van rov. 5.6 en in het dictum van de beschikking van 25 november 2020, onbegrijpelijk is in het licht van de overwegingen van het hof.

3.2.2

De klacht slaagt. De overwegingen van het hof dat er geen aanleiding is de kinderalimentatie eerder te laten ingaan dan op de datum van de bestreden beschikking (van de rechtbank), dat de man onevenredig wordt benadeeld aangezien hij als gevolg van de zeer lange behandelingsduur in eerste aanleg achteraf wordt geconfronteerd met een aanzienlijke betalingsverplichting en dat het ook voor de alimentatieplichtige van belang is dat er snel duidelijkheid is met betrekking tot zijn verplichtingen, kunnen niet redengevend zijn voor vaststelling van de ingangsdatum van de kinderalimentatie op de datum van de beschikking in hoger beroep.

3.3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en het debat tussen partijen over de ingangsdatum van de kinderalimentatie, ziet de Hoge Raad aanleiding zelf de ingangsdatum van de kinderalimentatie vast te stellen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld op € 496,-- per maand met ingang van 26 maart 2019, zijnde de datum van indiening van het verzoek van de vrouw. De man heeft daartegen in hoger beroep aangevoerd dat hij doende is schulden die zijn gemaakt ten tijde van het huwelijk af te lossen en dat, voor zover een verplichting tot betaling van kinderalimentatie opgelegd wordt, deze primair dient in te gaan vanaf de datum dat hij al zijn schulden heeft afgelost en subsidiair vanaf de datum van de beschikking van de rechtbank. De vrouw heeft in hoger beroep aangevoerd dat de stelling van de man dat hij schulden heeft van invloed kan zijn op zijn draagkracht maar niet op de ingangsdatum van de alimentatie. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep vermeldt niets over de ingangsdatum van de kinderalimentatie.

Het hof heeft, in cassatie onbestreden, de draagkracht van de man berekend op € 205,-- per maand en de behoefte van de minderjarige op € 528,-- per maand.

Vanaf de datum van indiening van het verzoek van de vrouw diende de man ermee rekening te houden dat hij kinderalimentatie was verschuldigd. Het hof heeft de aflossingen van de man op de schulden in aanmerking genomen bij het bepalen van zijn draagkracht. Die schulden zijn daardoor niet meer van belang bij het bepalen van de ingangsdatum van de kinderalimentatie. Gelet op de lange duur van de procedure in eerste aanleg is het redelijk de ingangsdatum van de kinderalimentatie vast te stellen op de datum van de beschikking in eerste aanleg, zijnde 6 februari 2020. De vrouw heeft in cassatie uitdrukkelijk niet geklaagd over het oordeel van het hof dat de man door de lange behandelduur in eerste aanleg wordt benadeeld indien hij wordt geconfronteerd met een betalingsverplichting over de periode vanaf de indiening van het verzoekschrift van de vrouw. De vrouw heeft in cassatie voorts opgemerkt dat de lange behandelduur in eerste aanleg een valide argument is om de alimentatieverplichting te laten ingaan op de datum van de beschikking in eerste aanleg.

De Hoge Raad zal de ingangsdatum van de kinderalimentatie daarom bepalen op 6 februari 2020, zijnde de datum van de beschikking van de rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de herstelbeschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 januari 2021;

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 25 november 2020, maar uitsluitend voor zover het hof de ingangsdatum van de kinderalimentatie heeft bepaald op 25 november 2020;

- bepaalt de ingangsdatum van de kinderalimentatie op 6 februari 2020.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 26 november 2021.

1 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 176 en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, rov. 3.2.

2 HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, rov. 5.3.2.