Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1720

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-2021
Datum publicatie
19-11-2021
Zaaknummer
21/00450
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:779
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHARL:2020:10667
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Is het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende op een aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening van de notaris? Art. 25 lid 3 Wet op het notarisambt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/3099
RvdW 2021/1127
RN 2022/10
JOR 2022/53 met annotatie van Heyman, H.W.
NJ 2022/193 met annotatie van S. Perrick
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/00450

Datum 19 november 2021

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

DIENST VOOR HET KADASTER EN DE OPENBARE REGISTERS,
zetelend te Apeldoorn,

APPELLANT in hoger beroep,

hierna: het Kadaster,

advocaten in de prejudiciële procedure: J.W.H. van Wijk en P.J. Tanja,

tegen

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE in hoger beroep,

hierna: [verweerder],

advocaat in de prejudiciële procedure: J. Streefkerk.

1. De prejudiciële procedure

Bij tussenarrest in de zaak 200.253.262 van 22 december 2020 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op de voet van art. 392 Rv een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld.

Beide partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot beantwoording van de aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vraag als voorgesteld onder 3.16 in de conclusie.

De advocaat van [verweerder] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze uitspraak gaat over de vraag of het Kadaster rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening vanwege de aan de notaris in rekening gebrachte inschrijvingskosten en recherchekosten.

2.2

Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(i) Notariële Diensten Bewind & Executele (N.D.B.E.) B.V. (hierna: Anotaris) exploiteerde een notariskantoor. Anotaris is op 5 juli 2016 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van H. Dulack tot curator (hierna: de curator).

(ii) Anotaris beschikte over een kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna.

(iii) Het Kadaster factureert periodiek aan iedere notaris die aktes ter inschrijving heeft aangeboden, de daarvoor verschuldigde kadastrale rechten (inschrijvingskosten) en de verschuldigde vergoedingen voor inzagen in het kadaster (recherchekosten).

(iv) In de periode van 29 maart 2016 tot en met 26 september 2016 heeft het Kadaster aan Anotaris voor ongeveer € 140.000,-- gefactureerd wegens kadasterkosten (inschrijvingskosten en recherchekosten). Vanaf 29 maart 2016 heeft Anotaris de rekeningen van het Kadaster niet meer betaald.

(v) Anotaris zond in de regel aan de partij die het aanging, een nota van afrekening met daarin onder meer vermeld de overdrachtsbelasting en onder de kosten van levering: honorarium leveringsakte, recherchekosten kadaster en (onbelaste) inschrijvingskosten levering.

(vi) [verweerder] is van 27 juni 2016 tot en met 6 juli 2016 als notaris benoemd tot waarnemer in het protocol van de feitelijk handelende notaris bij Anotaris die per 19 juni 2016 als notaris was geschorst.

(vii) Na de faillietverklaring van Anotaris heeft de curator op 14 juli 2016 een bedrag van € 316.424,22 overgemaakt van een spaarrekening die was gekoppeld aan een lopende betaalrekening op naam van Anotaris (die de curator niet als kwaliteitsrekening aanmerkte) naar die bijbehorende betaalrekening en vervolgens naar de boedelrekening.

(viii) De gelden op de hiervoor onder (vii) bedoelde spaarrekening stonden in de boekhouding van Anotaris geadministreerd als derdengelden. Volgens [verweerder] is zo een tekort in de bewaring op de kwaliteitsrekening(en) ontstaan. Dat tekort is volgens hem per 19 juli 2016 berekend op € 167.265,--.

(ix) De curator heeft de onderneming voortgezet tot 22 augustus 2016. Per die datum is [verweerder], na andere waarnemers, opnieuw benoemd tot waarnemer in het protocol. Als zodanig was en is [verweerder] beheerder van de kwaliteitsrekening(en) van Anotaris.

(x) Aan het Kadaster zijn vanaf de kwaliteitsrekening(en) na faillissement geen betalingen verricht. Aan cliënten van Anotaris zijn wel betalingen vanaf die rekening(en) verricht. Op de kwaliteitsrekening(en) staat thans nog een bedrag van in totaal € 6.225,51.

2.3

Het Kadaster vordert in deze procedure – voor zover van belang voor de beantwoording van de prejudiciële vraag – een verklaring voor recht dat de kadasterkosten zoals gefactureerd en onbetaald gelaten, aan het Kadaster toekomende derdengelden zijn als bedoeld in art. 25 Wna, althans aan het Kadaster toekomen dan wel voor hem zijn bestemd, en aan hem dienen te worden vrijgegeven dan wel uitbetaald.

2.4

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Kadaster niet is aan te merken als rechthebbende in de zin van art. 25 lid 3 Wna en heeft de vorderingen van het Kadaster afgewezen.1

2.5

Het hof heeft in zijn hiervoor onder 1 genoemde tussenarrest2 de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld:

Is het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende in de zin van artikel 25, derde lid, van de Wet op het notarisambt op (een aandeel in) de kwaliteitsrekening(-en) van een notaris?

3 Beantwoording van de prejudiciële vraag

3.1

Art. 25 lid 1, eerste volzin, Wna bepaalt dat een notaris verplicht is bij een bank een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt (hierna: de notariële kwaliteitsrekening). Op grond van art. 25 lid 1, tweede volzin, Wna moeten gelden die aan de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, op die notariële kwaliteitsrekening worden gestort.

3.2

Uit de wetsgeschiedenis van art. 25 Wna blijkt dat met de invoering van de figuur van de notariële kwaliteitsrekening is beoogd een regeling te treffen die het mogelijk maakt om gelden van derden die de notaris tijdelijk onder zich heeft, buiten het eigen vermogen van de notaris te houden en te vrijwaren voor verhaal door zijn schuldeisers. De notariële kwaliteitsrekening beoogt in de eerste plaats bescherming te bieden aan de financiële belangen van de cliënten van een notaris. Die cliënten moeten erop kunnen vertrouwen dat de bij de notaris gestorte gelden terechtkomen bij degenen voor wie zij bestemd zijn, aldus de memorie van toelichting.3 Daarnaast biedt de notariële kwaliteitsrekening bescherming aan derden. Blijkens de toelichting op art. 25 Wna is beoogd om derden voor wie de notaris in verband met zijn werkzaamheden in zijn hoedanigheid tijdelijk geld onder zich neemt, te beschermen tegen déconfitures, fraude daaronder begrepen.4

3.3

Art. 25 lid 3, eerste en tweede volzin, Wna bepaalt dat het vorderingsrecht voortvloeiende uit de notariële kwaliteitsrekening toebehoort aan de gezamenlijke rechthebbenden en dat het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op die kwaliteitsrekening is gestort. Op grond van art. 25 lid 4 Wna heeft een rechthebbende alleen aanspraak op zijn aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening en dus niet op de aandelen in het saldo die toekomen aan de overige rechthebbenden. Een en ander houdt in de kern in dat rechthebbenden op het saldo van de notariële kwaliteitsrekening diegenen zijn ten behoeve van wie geldbedragen op die kwaliteitsrekening zijn gestort, onder de voorwaarden die gelden in hun onderlinge verhoudingen.5

3.4

Het strookt met de hiervoor in 3.2 weergegeven bestaansgrond van de notariële kwaliteitsrekening om te aanvaarden dat niet alleen de cliënten van de notaris, maar ook derden kunnen worden aangemerkt als rechthebbenden op een met inachtneming van art. 25 lid 3 Wna te berekenen aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening. Daarvoor is in het bijzonder grond indien een partij bij de rechtshandeling waarvoor de notaris is ingeschakeld, ten behoeve van een derde een geldbedrag op de notariële kwaliteitsrekening bijschrijft of laat bijschrijven in direct verband met die rechtshandeling. In een dergelijk geval moet die partij erop kunnen vertrouwen dat dit geldbedrag terechtkomt bij de derde voor wie het is bestemd, ongeacht of de derde een schuldeiser is van die partij of van de notaris.

3.5

Het vorenstaande betekent dat bij de overdracht van dan wel de vestiging van een beperkt recht op een registergoed, de verkrijger dan wel de vervreemder het geldbedrag dat in verband met deze overdracht of vestiging door betrokkenen aan het Kadaster is verschuldigd, kan bijschrijven of laten bijschrijven op de kwaliteitsrekening van de door betrokkenen ingeschakelde notaris. Het ten behoeve van het Kadaster op de notariële kwaliteitsrekening bij te schrijven geldbedrag kan zien op de kosten van de inschrijving van de in art. 3:89 lid 1 BW bedoelde notariële akte in de daartoe bestemde openbare registers (de zogeheten inschrijvingskosten) en op de kosten van de recherche die de notaris in verband met de overdracht of de bezwaring van een registergoed in opdracht van betrokkenen pleegt te verrichten (de zogeheten recherchekosten). Het Kadaster wordt daardoor rechthebbende op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, welk aandeel moet worden berekend met inachtneming van art. 25 lid 3 Wna.

Of de verkrijger dan wel de vervreemder ten behoeve van het Kadaster een geldbedrag op de notariële kwaliteitsrekening heeft bijgeschreven of heeft laten bijschrijven, en op welk aandeel in het saldo van die kwaliteitsrekening het Kadaster rechthebbende is, kan in het geval van de overdracht of de bezwaring van een registergoed onder meer worden afgeleid uit de door de notaris opgemaakte nota’s van afrekening en uit de facturen die het Kadaster aan de notaris stuurt.

3.6

Opmerking verdient dat het Reglement beperking uitbetaling derdengelden6 (hierna: BUD) – een door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie opgestelde regeling – de notaris niet belet om het met de inschrijvingskosten en de recherchekosten gemoeide geldbedrag rechtstreeks over te maken van de notariële kwaliteitsrekening naar de rekening van het Kadaster. In art. 1 BUD is immers tot uitdrukking gebracht dat er omstandigheden kunnen zijn waarbij (een deel van) het geld dat de notaris onder zich heeft, moet worden aangewend om bepaalde schulden te voldoen en dat de notaris in een dergelijk geval mag uitbetalen aan een ander dan de rechthebbende (dat wil zeggen: degene die als partij optreedt bij de akte en aanspraak kan maken op de uitbetaling op grond van de rechtshandeling die in de akte is neergelegd). In de algemene toelichting op het BUD wordt in dit verband de eis gesteld dat het gaat om een betaling die in nauw verband staat met de transactie zelf en waarvan het bestaan ook eenvoudig controleerbaar is, waarbij als voorbeeld wordt gewezen op een betaling in opdracht van de rechthebbende aan semi-overheden. Aan deze voorwaarden is voldaan bij betaling aan het Kadaster van de inschrijvingskosten en de recherchekosten in verband met de overdracht of de bezwaring van een registergoed.

3.7

Op grond van het vorenstaande moet de prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wna op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, indien een partij bij de overdracht van of de vestiging van een beperkt recht op een registergoed in direct verband met die rechtshandeling een geldbedrag ten behoeve van deze vorderingen van het Kadaster op die kwaliteitsrekening heeft bijgeschreven of heeft laten bijschrijven.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- beantwoordt de vraag op de hiervoor in 3.7 weergegeven wijze;

- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van het Kadaster en € 1.800,-- aan de zijde van [verweerder].

Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 19 november 2021.

1 Rechtbank Midden-Nederland 10 oktober 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4705.

2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10667.

3 Kamerstukken II 1993/94, 23706, nr. 3, p. 10.

4 Kamerstukken II 1993/94, 23706, nr. 3, p. 28.

5 Vgl. HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, rov. 3.1.4.

6 Zie voor de tekst van en de toelichting op het BUD de website www.wet-en-regelgeving-notariaat.nl.