Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1702

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2021
Datum publicatie
23-11-2021
Zaaknummer
19/04933
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:843
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:2735
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben patronen (art. 26.1 WWM) en boksbeugel (art. 13.1 WWM) en medeplegen gewoontewitwassen van panden door growshopexploitant (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). 1. Verjaring WWM feiten begaan op 15-4-2008, art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr. 2. Algemene beschouwingen over bewijs van “gewoonte”. Is sprake van maken van “gewoonte” van witwassen?

Ad 1. M.b.t. WWM feiten is het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. HR verklaart OM in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging en vermindert de door hof opgelegde straf.

Ad 2. Het maken van een “gewoonte” fungeert soms als wettelijke strafverzwaringsgrond, in de vorm van een extra bestanddeel of als bijzondere strafbepaling. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een “gewoonte”, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan o.m. betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Daarbij geldt niet de eis dat wordt vastgesteld dat verdachte ‘de neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan het misdrijf (vgl. HR:2021:734), of dat die gedragingen zich met een bepaalde minimumfrequentie hebben voorgedaan. Het maken van een gewoonte van het misdrijf moet worden tlgd. en bewezenverklaard, wil daaraan het wettelijke strafverzwarende gevolg zijn verbonden. In tll. komt aan de term “gewoonte” voldoende feitelijke betekenis toe (vgl. HR:2015:1770). Als wordt bewezenverklaard dat verdachte van het plegen van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt, moet ook dit onderdeel van de bewezenverklaring uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid. Verdachte heeft samen met ander in periode van 4-3-2006 tot en met 3-5-2007 driemaal een pand verworven en voorhanden gehad en verhuld wie rechthebbende op die panden was. ‘s Hofs oordeel dat sprake is van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0349 met annotatie van J.H.J. Verbaan
RvdW 2021/1159
NJ 2022/78 met annotatie van N. Jörg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04933

Datum 23 november 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 oktober 2019, nummer 22/002006-11, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot (i) vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover deze de feiten (DV I) 6A en 6B (parketnummer 09-754083-06) betreft, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, en het in zoverre niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie in de vervolging, (ii) tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover deze de overige feiten betreft, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en (iii) tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel voert aan dat wat betreft de feiten 6A en 6B in de zaak met parketnummer 09-754083-06 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.

2.2.1

Aan de verdachte is, kort samengevat en voor zover hier van belang, tenlastegelegd:

in de zaak met parketnummer 09-754083-06:

- onder 3: medeplegen van opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en verkopen en afleveren van 4.000 gram hennep,

- onder 6A: voorhanden hebben van munitie van categorie III, te weten 2 patronen van het kaliber .22 long rifle en 1 patroon van het kaliber 6.35 millimeter,

- onder 6B: voorhanden hebben van een wapen van categorie I, te weten een boksbeugel,

en in de zaak met parketnummer 09-650013-11:

het medeplegen van het maken van een gewoonte van witwassen door drie panden te verwerven en voorhanden te hebben en te verhullen wie de rechthebbende op die panden is.

2.2.2

Het hof heeft het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 09-754083-06 onder 3, 6A en 6B en in de zaak met parketnummer 09-650013-11 bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

2.3

De hiervoor onder 2.2.1 vermelde feiten 6A en 6B zijn bij artikel 26 lid 1 en 13 lid 1 in samenhang met artikel 55 lid 1 en artikel 56 Wet wapens en munitie strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden is gesteld.

2.4

Deze feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan op of omstreeks 15 april 2008. Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren.

Daarom is wat betreft het in de zaak met parketnummer 09-754083-06 onder 6A en 6B tenlastegelegde het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. De Hoge Raad zal wat betreft die feiten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging en zal de door het hof opgelegde straf verminderen.

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 09-650013-11 tenlastegelegde en klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat sprake is van het maken van een “gewoonte” van witwassen.

3.2.1

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 09-650013-11 overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 4 maart 2006 tot en met 3 mei 2007, in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader(s) telkens

- van onderstaande voorwerpen verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen is en/of

- onderstaande voorwerpen verworven en voorhanden gehad, te weten de panden

- [b-straat 1] te Leiden; en

- [c-straat 1] en [c-straat 2] te Leiden; en

- [d-straat 1] en [d-straat 2] te Leiden;

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) telkens wist(en) dat die voorwerpen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”

3.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer overwogen:

“8.5.3 Panden

De ten laste gelegde (gewoonte)witwas-feiten strekken zich uit over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 15 april 2008. Ten behoeve van de inzichtelijkheid van de opeenvolgende handelingen zal het hof de witwasfeiten in chronologische volgorde bespreken en niet in de volgorde als ten laste gelegd. (...)

8.5.3.5 [b-straat 1] te Leiden

Het hof gaat uit van de navolgende feiten met betrekking tot dit pand:

- Op 8 maart 2006 wordt op een ten name van [betrokkene 4] staande bankrekening € 165.000,- bijgeschreven onder de vermelding van “lening”. Dit bedrag is overgemaakt vanaf een bankrekening die ten name staat van [betrokkene 5] uit [plaats]. Op 3 april 2006 wordt vanaf de bankrekening ten name van [betrokkene 4] € 176.232,07 overgemaakt naar de derdenrekening van de behandelend notaris.

- Op 4 april 2006 wordt het pand [b-straat 1] te Leiden geleverd aan [betrokkene 4]. De koopsom bedraagt € 165.000,-. In de leveringsakte staat dat het pand leeg wordt geleverd en vrij van huur of gebruik. Er wordt op dat moment geen recht van hypotheek op dat pand gevestigd.

- Vanaf 3 april 2006 wordt 12 maanden achter elkaar € 687,50 overgemaakt vanaf die bankrekening van [betrokkene 4] naar de bankrekening van [betrokkene 5] onder vermelding van “5% rente lening € 165.000,-”.

- Op 20 september 2007 is [betrokkene 5] gehoord. Zijn verklaring houdt onder meer in: “Ik heb een lening van 165.000 euro verstrekt. De 165.000 euro is aan de mevrouw verstrekt. De broer van deze mevrouw wilde een pand kopen en daarvoor verstrekte ik haar, dan wel hem het bedrag van 165.000. Het geld was dus voor de broer bestemd. Ik weet dat het een pand in vermoedelijk Leiden betrof. Die broer wilde mij eerder terugbetalen. Ik kreeg 5 procent rente voor deze lening. Ik kreeg van de broer van de mevrouw als borg een som van 50.000 euro contant uitbetaald. (...) Waarschijnlijk is dit (hof: [betrokkene 4]) de mevrouw van de lening van de 165.000. Ik wist eerder de naam niet te herinneren. Nu noemt u de naam en kan ik mij de naam van de mevrouw herinneren. (...)

Vraag: welke zekerheid is er voor deze lening gegeven?

Antwoord: Ik heb de 165.000 en de zekerheid van 50.000 euro contant ontvangen en kom dus totaal op 215.000 euro. Ik heb dit geld van die broer contant ontvangen. Dit is het geld dat u bij de doorzoeking in mijn woning heeft aangetroffen.

- Op 12 december 2006 wordt het pand aan de [b-straat] bezwaard met een recht van hypotheek ten gunste van Fortisbank ASR. Fortis ASR heeft aan [betrokkene 4] een lening verstrekt van € 452.000.- in verband met de aankoop van drie panden door [betrokkene 4], te weten de panden in de [b-straat 1], de [e-straat 1] en de [c-straat 1/2] te Leiden. In het betreffende hypotheekdossier van Fortisbank ASR is een nota van aflossing opgenomen, waarin wel de aflossing van een lening voor het pand [e-straat 1] te Leiden is opgenomen, maar niet de lening van € 165.000,- van [betrokkene 5]. Tevens bevindt zich in dit hypotheekdossier een schriftelijke huurovereenkomst, waaruit blijkt dat [betrokkene 4] het pand aan de [b-straat 1] verhuurt aan [betrokkene 6] vanaf 1 maart 2006 voor € 1.500,- per maand.

- Vanaf oktober 2006 wordt op de bankrekening van [betrokkene 4] maandelijks € 1.500,- contant gestort met de omschrijving “huur [b-straat 1] te Leiden”. Vaak staat ook de naam [betrokkene 6] vermeld.

- Op 27 maart 2007 is in het perceel [b-straat 1] een hennepkwekerij ontdekt en ontmanteld.

- Het pand wordt hierna ontruimd. Vanaf mei 2007 vinden verbouwingswerkzaamheden in het pand plaats.

- De contante huurstortingen vinden ook na 27 maart 2007 en de ontruiming en na mei 2007 ononderbroken plaats.

(...)

Het hof neemt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een vermoeden van witwassen (stap i) tot uitgangspunt dat op 8 maart 2006 giraal € 165.000,- is overgemaakt door [betrokkene 5] aan [betrokkene 4] onder de vermelding van “Lening”. Op 3 april 2006 wordt vanaf de bankrekening ten name van [betrokkene 4] € 176.232,07 overgemaakt naar de derdenrekening van de behandelend notaris. Op 4 april 2006 wordt het pand aan de [b-straat] geleverd aan [betrokkene 4]. Verder is vanaf april 2006 maandelijks een bedrag overgemaakt door [betrokkene 4] aan [betrokkene 5] onder de vermelding “5 % rente lening € 165.000”. Op grond van dit samenstel van feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat door [betrokkene 5] € 165.000,- is geleend ten behoeve van de koop van dit pand.

De verklaring van [betrokkene 5] dat de broer, waarmee hij naar het hof begrijpt doelt op de verdachte, hem contant € 165.000,- heeft betaald, vindt bevestiging in de omstandigheid dat uit de nota van aflossing van medio december 2006 blijkt dat de door [betrokkene 5] verschafte lening niet is afgelost, alsmede in het onder [betrokkene 5] contant aangetroffen geldbedrag van € 213.000,- en het ontbreken van enige vorm van girale aflossing van de hoofdsom.

Het hof acht het opvallend dat ten aanzien van het pand [b-straat 1] te Leiden geen recht van hypotheek is gevestigd ten behoeve van [betrokkene 5] terwijl dit ten aanzien van de in feite particuliere geldschieters [B] B.V. inzake het pand aan de [a-straat 1] te Leiden, ten aanzien van [betrokkene 4] inzake het pand van het [f-straat 1] in Nieuw Vennep en ten aanzien van [betrokkene 7] inzake de [e-straat 1] te Leiden wel is gebeurd. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat [betrokkene 5] familie van de verdachte dan wel [betrokkene 4] is. Uit de hiervoor weergegeven verklaring van [betrokkene 5] leidt het hof af dat de verdachte en [betrokkene 4] ook geen goede bekenden van [betrokkene 5] zijn. Op grond van de hiervoor weergegeven verklaring van [betrokkene 5] bezien in onderling verband en samenhang met de hoogte van het onder [betrokkene 5] aangetroffen geldbedrag neemt het hof aan dat door de verdachte aan [betrokkene 5] zekerheid voor het terugbetalen van de lening in de vorm van het contant betalen van een geldbedrag van € 50.000,- is gegeven.

(...)

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat door [betrokkene 5] in maart 2006 € 165.000,- giraal is betaald aan [betrokkene 4] ten behoeven van de aankoop van dit pand, dat geen recht van hypotheek op dit pand ten gunste van [betrokkene 5] is gevestigd, en dat de verdachte de bedragen van € 165.000 en € 50.000,- contant heeft betaald aan [betrokkene 5]. Gelet op de hoogte van de bedragen waarvan sprake is, de korte tijdspanne tussen de contante betaling door de verdachte aan [betrokkene 5] en de girale betaling door [betrokkene 5] aan [betrokkene 4], alsmede de hoogte van de borg als zekerheid voor de terugbetaling van de lening naast de gedurende één jaar betaalde rentevergoeding, strekt deze constructie er naar het oordeel van het hof toe om te verhullen dat het geld gebruikt voor de koop van dit pand feitelijk afkomstig was van de verdachte en dat hij in feite eigenaar van dit pand was. Een criminele herkomst van het bedrag van € 165.000,- kan slechts als enige aanvaardbare verklaring voor de hele gang van zaken gelden.

Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat het door verdachte aan [betrokkene 5] contant betaalde bedrag afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dat wist. In dat kader acht het hof het mede van belang dat verdachte in het kader van de financiering van andere panden herhaaldelijk giraal geld overmaakt van zijn bankrekening dan wel een bankrekening van de Growshop naar zijn zus [betrokkene 4], maar dat dit ten aanzien van dit pand in het geheel niet is gebeurd.

(...)

De slotsom luidt dat het hof bewezen acht dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen ten aanzien van het pand aan de [b-straat]. (...)

8.5.3.6 [c-straat 1/2]

Het hof gaat uit van de navolgende feiten met betrekking tot dit pand:

- [betrokkene 8] heeft als getuige op 24 september 2008 verklaard dat de verdachte interesse had in het pand [c-straat 1/2]. Zij hebben het pand samen bekeken en kwamen een prijs overeen. Verder heeft de getuige verklaard dat de verdachte het met de notaris moest regelen. De verdachte wist nog niet of hij het pand zelf zou kopen of dat zijn zuster het zou kopen. [betrokkene 8] heeft [betrokkene 4] ooit wel eens gezien. Bij de verkoop van dit pand heeft hij geen zaken met haar gedaan. Hij heeft nooit zaken met haar gedaan. [betrokkene 4] was niet bij de onderhandelingen.

- Op 14 september 2006 koopt [betrokkene 4] het pand [c-straat 1/2] te Leiden van [betrokkene 8] voor € 225.000,-.

- Op 2 november 2006 wordt dit pand aan [betrokkene 4] geleverd.

- Fortis ASR heeft aan [betrokkene 4] een lening verstrekt van € 452.000,- in verband met de aankoop van drie panden door [betrokkene 4], te weten de panden in de [b-straat 1], de [e-straat 1] en de [c-straat 1/2] te Leiden. Deze panden waren op dat moment niet belast met een eerder gevestigd recht van hypotheek. In het betreffende hypotheekdossier van Fotisbank ASR is een nota van aflossing opgenomen, waarin de aflossing van een lening voor het pand [e-straat 1] te Leiden ad € 120.000,- is opgenomen. De lening voor het pand in [b-straat 1] te Leiden wordt niet vanuit deze geldlening afgelost.

- Uit het eerste verhoor van [betrokkene 9] en het overzicht dat als bijlage 1 bij het tweede verhoor van [betrokkene 9] is gevoegd, leidt het hof af dat [betrokkene 9] vanaf 4 november 2006 door de verdachte is ingeschakeld voor het maken van bouwtekeningen voor dit pand. Er moesten appartementen in het pand gemaakt worden. De getuige [betrokkene 9] is contant en zwart betaald door de verdachte in het pand aan de [a-straat] in Leiden. [betrokkene 9] heeft wel eens contact gehad met [betrokkene 4], maar de verdachte regelde eigenlijk alles. Hij zag de verdachte als opdrachtgever. Hij heeft met [betrokkene 4] geen zaken gedaan.

- Op 14 november 2006 wordt door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leiden vastgesteld dat er op 11 november 2006 bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsvonden in het pand [c-straat 1/2] te Leiden zonder dat daartoe de benodigde bouw- en monumentenvergunningen zijn verleend. De in uitvoering zijnde werkzaamheden zijn met onmiddellijke ingang stilgelegd.

- Bij besluit van 28 januari 2008 wordt door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leiden de door [betrokkene 4] gevraagde vergunning tot het wijzigen van het pand aan de [c-straat 1/2] gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd.

Vaststaat dat ten aanzien van het pand aan de [b-straat] sprake is van witwassen door onder meer de verdachte en [betrokkene 4] en dat als gevolg van die handelingen er geen op [betrokkene 4] of op de verdachte rustende schulden zijn inzake dat pand. De door Fortisbank ASR verstrekte geldlening houdt verband met de eerdere aankoop van de panden aan de [e-straat 1] en de [b-straat] en de voorgenomen aankoop van het pand aan de [c-straat 1/2]. De financiële verplichtingen inzake deze drie panden werden onder één paraplu gebracht. Alle drie de panden werden belast met een recht van hypotheek ten gunste van de bank. Dit brengt mee dat als gevolg van het witwassen van het pand aan de [b-straat] in feite meer geld uit hoofde van deze door Fortisbank ASR verstrekte geldlening beschikbaar is ter vrije besteding dan anders het geval zou zijn geweest. De witgewassen gelden zijn vermengd geraakt met legale gelden afkomstig uit de paraplu-hypotheek. Bovendien wordt naar buiten toe de schijn gewekt dat geïnvesteerd geld afkomstig is uit een door [betrokkene 4] met een bank gesloten overeenkomst van geldlening, terwijl het opwekken van deze schijn alleen maar mogelijk is doordat er geen financiële verplichtingen meer zijn ten aanzien van het pand in de [b-straat] als gevolg van het witwassen door de verdachte en onder andere zijn zus. Aldus werkt het witwassen ten aanzien van het pand aan de [b-straat] door ten aanzien van dit pand aan de [c-straat] en later in de tijd. Met andere woorden: door het eerdere witwassen van het pand [b-straat] wordt ook verhuld hoe de geldstromen gelopen zijn en wat de herkomst van het geld is.

(...)

Op grond van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden neemt het hof een ernstig vermoeden van witwassen aan (stap i). De verdachte heeft erop gewezen dat de aankoop van dit pand gefinancierd is door een hypothecaire geldlening (stap ii), die afgelost kon worden met behulp van de huurinkomsten uit andere panden. Deze verklaring is weliswaar concreet, verifieerbaar en niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijk (stap iii), maar heeft niet tot gevolg dat wordt toe- of afgedaan aan de vermenging van legaal en witgewassen vermogen. Daarom kan deze verklaring het ernstig vermoeden van witgewassen vermogen niet ontkrachten. Bij deze stand van zaken acht het hof het bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen ten aanzien van het pand aan de [c-straat 1/2].

8.5.3.7 [d-straat 1/2] te Leiden

Het hof gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden met betrekking tot dit pand:

- Op 3 april 2007 wordt aan [betrokkene 4] het pand aan de [d-straat 1/2] te Leiden geleverd. Hiervoor is een koopsom van € 180.000,- betaald. Er wordt geen recht van hypotheek verleend.

- Van de door Fortisbank ASR verstrekte geldlening van € 452.000,- resteert ten minste € 107.000,- na aftrek van de betaling aan [betrokkene 7] van € 120.000,- en de betaling van de € 225.000,- voor de [c-straat 1/2].

- Op 14 maart 2007 wordt op de postbankrekening van [betrokkene 4] € 100.000,- ontvangen van de privé bankrekening van de verdachte met vermelding “Nieuw Vennep gedeelte aflossing HPT” (hof: hypotheek). Dit bedrag is aangewend voor de aankoop van het pand [d-straat 1/2] te Leiden.

- De getuige [betrokkene 10] heeft verklaard dat ergens halverwege 2006 [betrokkene 4] haar belde dat zij interesse had het pand te kopen. Zij heeft [betrokkene 4] een paar keer gesproken voordat alles rond was. De verdachte is in beeld gekomen doordat hij met [betrokkene 4] mee kwam. Volgens de getuige was [betrokkene 4] alleen en vroeg zij advies aan haar broer. [betrokkene 4] had belang bij het pand en wilde het pand aanschaffen. De verdachte adviseerde zijn zus.

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van dit pand sprake van medeplegen van witwassen door de verdachte en [betrokkene 4]. [betrokkene 4] koopt het pand. De verdachte adviseert zijn zus daarbij. De gang van zaken rond de aflossing van het pand aan de [b-straat] en de gevolgen die dat heeft voor de vermenging met en daardoor verruimde beschikbaarheid van geld met een legale herkomst (de Fortisbank paraplu-hypotheek) zijn dermate in het oog springende omstandigheden dat daaruit een gezamenlijk opzet op witwassen van de verdachte en [betrokkene 4] door het verwerven van dit pand en het gebruik maken daarvan afgeleid kan worden.

Inzake het pand aan de [d-straat 1/2] is sprake van een ernstig vermoeden van witwassen (stap i) als gevolg van de gang van zaken rond de aflossing van het pand aan de [b-straat] en de verruimde beschikbaarheid van van de bank afkomstig geld, te weten het bedrag van ten minste € 107.000,-. De verdachte heeft aangegeven waar het geld benodigd voor de koop van dit pand vandaan komt. Ook hij wijst op het door de notaris aan [betrokkene 4] betaalde restant bedrag uit de lening van Fortisbank ASR. Hiermee is op zichzelf voldaan aan stap ii. Echter, deze verklaring heeft niet tot gevolg dat wordt toe- of afgedaan aan de eerder vastgestelde vermenging van legaal en witgewassen vermogen. Daarom kan deze verklaring het ernstig vermoeden van witwassen niet ontkrachten. Door het eerdere witwassen van het pand [b-straat] wordt ook verhuld hoe de geldstromen zijn en wat de herkomst van het geld is en dus wie de werkelijke rechthebbende op het pand aan de [d-straat 1/2] was. Bij deze stand van zaken acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van witwassen ten aanzien van het pand van de [d-straat 1/2] te Leiden.”

3.3.1

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 420bis lid 1 Sr:

“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft (...):

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”

- Artikel 420ter lid 1 Sr:

“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft (...).”

3.3.2

De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 09-650013-11 is toegesneden op artikel 420ter lid 1 Sr in verbinding met artikel 420bis lid 1 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woord “gewoonte” is gebruikt in de betekenis die dat woord heeft in artikel 420ter lid 1 Sr.

3.4.1

Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Het maken van een “gewoonte” fungeert soms als wettelijke strafverzwaringsgrond, in de vorm van een extra bestanddeel of als bijzondere strafbepaling. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een “gewoonte”, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Daarbij geldt niet de eis dat wordt vastgesteld dat de verdachte ‘de neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan het misdrijf (vgl. HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:734), of dat die gedragingen zich met een bepaalde minimumfrequentie hebben voorgedaan.

3.4.2

Het maken van een gewoonte van het misdrijf moet worden tenlastegelegd en bewezenverklaard, wil daaraan het wettelijke strafverzwarende gevolg zijn verbonden. In de tenlastelegging komt aan de term “gewoonte” voldoende feitelijke betekenis toe (vgl. HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770). Als wordt bewezenverklaard dat de verdachte van het plegen van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt, moet ook dit onderdeel van de bewezenverklaring uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid.

3.5

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en) in de periode van 4 maart 2006 tot en met 3 mei 2007 driemaal een pand heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft verhuld wie de rechthebbende op die panden was. Het hof heeft daarbij onder meer geoordeeld dat het witwassen ten aanzien van het pand [b-straat 1] doorwerkte ten aanzien van het pand [c-straat 1/2] en ten aanzien van het pand [d-straat 1/2], omdat door het eerdere witwassen van het pand [b-straat 1] ook is verhuld hoe de geldstromen zijn gelopen en wat de herkomst van het geld is. Mede in aanmerking genomen de aard van deze witwashandelingen en de hiervoor weergegeven omstandigheden waaronder deze zijn verricht, geeft het oordeel dat de verdachte in dit geval een “gewoonte” heeft gemaakt van het plegen van witwassen – gelet op wat onder 3.4 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

3.6

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

4 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Ook dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof wat betreft (i) de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 09-754083-06 onder 6A en 6B tenlastegelegde, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, en (ii) de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de in de zaak met parketnummer 09-754083-06 onder 6A en 6B tenlastegelegde feiten;

- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze elf maanden en een week beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2021.