Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1700

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2021
Datum publicatie
16-11-2021
Zaaknummer
20/03621
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:860
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:2987
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen doodslag in Amsterdam Zuidoost met vuurwapen, art. 287 Sr. Bewijsklacht medeplegen doodslag. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:3474 m.b.t. afbakening medeplegen en medeplichtigheid en uit HR:1997:ZD0733 m.b.t. uitblijven verklaring verdachte voor omstandigheid die voor bewijs redengevend kan worden geacht. ‘s Hofs oordeel dat feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van voor medeplegen vereiste bijdrage aan delict van voldoende gewicht getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR neemt daarbij in aanmerking dat verdachte op 4 september 2013 een vuurwapen aan mededader A heeft geleverd, dat verdachte op 7 september 2013 – de dag van het schietincident – op zoek is geweest naar een vuurwapen dat hij wilde lenen, dat verdachte en A op 7 september 2013 voor het verrichten van criminele activiteiten samen zijn afgereisd naar de plaats waar slachtoffer B nadien om het leven is gebracht, terwijl voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat daarbij mogelijk een vuurwapen zou worden gebruikt, dat A aldaar B heeft doodgeschoten met door verdachte geleverd vuurwapen en dat verdachte ook nadat B door A was doodgeschoten in aanwezigheid van A is gebleven. Daarbij is van belang dat hof blijkens de bewijsvoering betekenis heeft toegekend aan inhoud van in b.m. weergegeven gesprekken, waaruit onder meer volgt dat door verdachte en A enkele dagen voorafgaand aan het schietincident is gesproken over gebruik van het vuurwapen en een geluiddemper en dat A op de avond waarop B om het leven is gebracht, in een “hit and run” stemming was en dat A die avond in bijzijn van verdachte aangaf dat er “iets heel goeds” te doen was. Tevens is door hof – niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat verdachte geen verklaring heeft afgelegd over zijn aanwezigheid bij het delict die de redengevendheid van ‘s hofs vaststellingen voor bewijs van medeplegen van doodslag ontzenuwt. Volgt verwerping. Samenhang met HR:2019:891.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0348 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/3100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03621

Datum 16 november 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 november 2020, nummer 23-005159-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens de verdachte heeft B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1

Ten laste van de verdachte is in zaak D (met parketnummer 13-689846-14) onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 7 september 2013 te Amsterdam Zuidoost, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet een vuurwapen op [slachtoffer 1] gericht en vervolgens met dat vuurwapen op korte afstand drie kogels in het hoofd en lichaam van [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden.”

2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“22. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 10003-10005). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Wij bevonden ons op 7 september 2013 omstreeks 22.25 uur op de Karspeldreef in Amsterdam. Portofonisch hoorden wij dat er zojuist een schietpartij had plaatsgevonden op de [a-straat] ter hoogte van [a-straat 1] (het hof begrijpt in Amsterdam Zuidoost). Ter plaatse zagen wij dat een man op zijn rug lag voor perceel [a-straat 1] en zagen wij de man op de grond liggen met een ruime hoeveelheid rood kleurige vloeistof die wij ambtshalve herkennen als bloed op de grond rond zijn hoofd. Wij zagen dat in het slot van de voordeur, behorende bij perceel [a-straat 1] een sleutel gestoken was. Na ongeveer vijftien minuten gereanimeerd te hebben, verzocht het ambulancepersoneel de reanimatie te staken omdat het slachtoffer overleden was.

23. Een schouwverslag van 8 september 2013, opgemaakt door A. Beijering, forensisch arts verbonden aan de GGD Amsterdam (doorgenummerde pagina 10006-10007). Dit verslag houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de arts:

Cliënt: [slachtoffer 1]
Geboren op: [geboortedatum]-1982
Plaats overlijden: Amsterdam Zuidoost op de openbare weg
Tekenen van geweld: Een viertal schotwonden zichtbaar bij de schouw. Twee in gelaat rechts en twee in rechter schouder.
Evaluatie: Man overleden na schotwonden in gelaat en schouder
Conclusie: specifieke oorzaak: schot van vuurwapen
Toelichting: van korte afstand kogels afgevuurd

24. Een proces-verbaal identificatie slachtoffer van 13 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 10001-10002). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Ik bevond mij op 12 september 2013 in het Mortuarium van het VU-ziekenhuis in Amsterdam. Daar lag een slachtoffer van een dodelijke schietpartij, genaamd [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats], opgebaard. De aanwezige vader van het slachtoffer antwoordde op vragen: “Dat is mijn zoon”.

25. Een rapport van 13 september 2013, opgemaakt door dr. B. Kubat, arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) (doorgenummerde pagina’s 10066-10078). Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van dr. Kubat:

Het overlijden van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1982, wordt verklaard door uitval van hersenstamfuncties ten gevolge van een doorschot door de hals/nek en schedelbasis.

26. Een proces-verbaal sporenonderzoek van 18 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (doorgenummerde pagina’s 10080-10089). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op 7 september 2013 werd door ons als forensische onderzoekers een onderzoek naar sporen verricht in verband met een doodslag/moord gepleegd op 7 september 2013 bij de toegangsdeur van een woning op het adres [a-straat 1] te Amsterdam-Zuidoost. Op de bestrating bij het hoofd van het slachtoffer zagen wij een gedeformeerde kogel (AAEW7024NL) liggen. Het betrof een volmantel kogel. In de capuchon ter hoogte van het linkeroor van het slachtoffer zagen wij een huls (AAEW7022) liggen van het merk Sellier&Bellot met kaliber 7,65 millimeter. Bij de dorpel van de centrale toegangsdeur, ter hoogte van de linker schoen van het slachtoffer zagen wij een huls (AAEW7021NL) liggen van het zelfde merk en kaliber als de andere huls. Ter hoogte van de dorpel van het boxcomplex zagen wij een kogel (AAEW7023NL) en een huls (AAEW7020NL) liggen wederom was de huls van hetzelfde merk en kaliber. In het hout van boxdeur 210 zat een projectief (AAEW7025NL).

27. Een rapport van 7 oktober 2013, opgemaakt door W. Kerkhoff, verbonden aan het NFI (doorgenummerde pagina’s 10154-10163). Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de deskundige:

De hulzen (AAEW7020NL, AAEW7021NL, AAEW7022NL) en de kogels (AAEW7023NL, AAEW7024NL en AAEW7025NL) zijn opgenomen in de Landelijke Verzameling Kogels en Hulzen (LVKH) van het NFI onder nummer 7768.

28. Een proces-verbaal sporenonderzoek van 7 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (doorgenummerde pagina’s D15-D17). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op 3 oktober 2013 werd een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een vermoedelijke poging tot straatroof, gepleegd op 18 september 2013. Tijdens het onderzoek werd door ons het navolgende bevonden en waargenomen. De vindplaats van het vuurwapen bevond zich in de bosschages direct grenzend aan het trottoir gelegen aan de rijbaan van de Kruislaan, vlak voor de bocht naar de Rozenburglaan (het hof begrijpt: te Amsterdam). Het vuurwapen betrof een zilverkleurige pistool met een zwartkleurige slede en zwartkleurige kolfplaten. Het patroonmagazijn was nog aanwezig in het pistool. Er bleken zeven patronen van het kaliber 7,65 mm in het patroonmagazijn te zitten. De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of het nader onderzoek veiliggesteld.
Volgnummer 1
Object: vuurwapen (pistool)
Merk/type: Walther Pp
Kaliber: 7.65
SIN: AAGI3643NL

29. Een rapport van 7 januari 2014, opgemaakt door ing. R.C. Hampel onder verantwoordelijkheid van ing. P.J.M. Pauw-Vugts (doorgenummerde pagina’s 10170-10176). Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de deskundige:

SIN Omschrijving SVO’s zoals op aanvraag
AAGI3643NL Vuurwapen Walther PP 7,65

Tijdens het vergelijkend (het hof begrijpt: onderzoek) tussen de sporen in de proefhulzen en proefkogels uit pistool (AAGI3643NL) enerzijds en die in de munitiedelen in het actieve bestand van de LVKH anderzijds, werden kenmerkende overeenkomsten waargenomen met drie hulzen en drie kogels die opgenomen zijn onder het nummer 7768. Deze hulzen en kogels zijn veiliggesteld na een schietincident met slachtoffer in Amsterdam op 7 september 2013.

Conclusie:

Er kan een relatie worden aangetoond tussen het ingestuurde vuurwapen (AAGI3643NL) en de munitiedelen opgenomen in de LVKH onder het nummer 7768.

Hulzen:

Voor het pistool (AAGI3643NL), kaliber 7,65 mm Browning merk FEG model PA-63 enerzijds en de drie hulzen LVKH 7768 anderzijds, zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: de hulzen zijn verschoten met het pistool

Hypothese 2: de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.

De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

Kogels:

Voor het pistool (AAGI3643NL) enerzijds en de drie kogels LVKH 7768 anderzijds, zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 3: de kogels zijn afgevuurd uit de loop van het pistool

Hypothese 4: de kogels zijn afgevuurd uit de loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het pistool.

De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 juist is, dan wanneer hypothese 4 juist is.

30. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (doorgenummerde pagina’s 10702 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Uit onderschepte gesprekken in onderzoek 13Taberka is gebleken dat [betrokkene 1] en [verdachte] op 3 september 2013 een telefoongesprek voeren. [betrokkene 1] vraagt aan [verdachte] in versluierde taal vermoedelijk naar een vuurwapen met demper. Daarnaast wordt er gezegd dat het “vuil” is. In het criminele milieu wordt hier veelal mee bedoeld dat het wapen gebruikt is bij het plegen van strafbare feiten. In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:

3 september 2013 om 21:21:56

[betrokkene 1] = [betrokkene 1]

[verdachte] = [verdachte]

[betrokkene 1]: Ehmm, dat ene ding, dat ding dat je erop zet, als je het brengt, je hoort het toch niet he?

[verdachte]: Je hoort het, je hoort het low (laag).

[betrokkene 1]: Low (laag)?

[verdachte]: Ja, je hoort het wel, maar laag.

[betrokkene 1]: Ja, die is goed.

[verdachte]: Ehmm

[betrokkene 1]:Maar kan ik, kan ik, kan ik, kan ik ermee dansen of alleen maar mee rondlopen en terugkomen. Of kan ik echt ermee dansen

[verdachte]: Het is vuil, het is heel erg vuil.

[betrokkene 1]: Dat maakt niets uit

[verdachte]: Dan is het goed je kan ermee rondlopen.

[betrokkene 1]: Alleen maar om te gebruiken, als ik het kan gebruiken is het goed.

[verdachte]: Ja, je kan het gebruiken.

[betrokkene 1]: Als je tegen mij zou zeggen om het NIET te gebruiken zal ik het zeker niet gebruiken

[verdachte]: Broer, gebruik dat klote ding (lachend).

[betrokkene 1]: Maar je weet het, ik hou ervan om eerst te vragen, je weet het nooit.

[verdachte]: Je moet/je kan/gebruik het man.

31. Een geschrift, te weten een weergave van een tapgesprek van 3 september 2013 om 21.51.56 uur (doorgenummerde pagina’s 11805 e.v.). Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Beller: [telefoonnummer 2] (NNman, het hof begrijpt: [betrokkene 1])

Gebelde: [telefoonnummer 4] ([verdachte])

[verdachte] wordt gebeld door NNman

NNman: Zie ik je morgen.

[verdachte]: Ja vriend.

NNman: Man... maar ik heb dat ding nodig.

[verdachte]: Wie moet je ....opsluiten

NNman: Wat zeg je? nee, ik heb dat ding morgen zelfs nodig.

[verdachte]: Dat is goed, het komt goed.

32. Een geschrift, te weten een weergave van een tapgesprek van 4 september 2013 om 12.52.47 uur (doorgenummerde pagina’s 11808 e.v.). Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Beller: [telefoonnummer 2] (NNman: het hof begrijpt: [betrokkene 1])

Gebelde: [telefoonnummer 4] ([verdachte])

NNman: Ga ik je straks zien, ik ga nu douchen.

[verdachte]: Is goed, nu zit ik in Noord. We kunnen in de stad afspreken.

NNman: We kunnen in de stad afspreken. Ik moet namelijk daar een paar mensen ontmoeten. We kunnen daar effe zitten en bijpraten weet je.

NNman: Maar heb je wel voldoende eieren voor dat ding?
[verdachte]: Voldoende broer.

NNman: Wat zeg je?

[verdachte]: Veeeeel broer.

NNman: Oke, kaki (super), kaki, ik heb dat ding nodig.

NNman: We kunnen bij de Dam of zo ontmoeten, ik zal je twintig minuten voordat ik daar ben bellen.

[verdachte]: Is goed.

NNman: Je heb er geen moeite mee om met dat ding rond te lopen.

[verdachte]: Nee ik heb dat ding bij me.

NNman: Is goed dan.

33. Een geschrift, te weten een weergave van een tapgesprek van 4 september 2013 om 15.50.44 uur (doorgenummerde pagina 11811). Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Beller: [telefoonnummer 2] (NNman: het hof begrijpt: [betrokkene 1])

Gebelde: [telefoonnummer 4] ([verdachte])

[verdachte]: Ik kom er aan, we zijn net vertrokken.

NNman: Is goed, heb je het?

[verdachte]: Uhum uhum (ja ja)

NNman: Klaar. Ik wacht op je, ik ben nu met mijn chickie.

34. Een geschrift, te weten een weergave van een tapgesprek van 4 september 2013 om 16.05.32 uur (doorgenummerde pagina’s 11812 e.v.). Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Beller: [telefoonnummer 2] (NNman: het hof begrijpt: [betrokkene 1])

Gebelde: [telefoonnummer 4] ([verdachte])

[verdachte]: Ik ben onderweg.

NNman: Is dat zo?

[verdachte]: Ja man. Ik ben met de bus.

NNman: Oke, oke, oke broeder. Moet ik naar je toe komen, of moet ik hier op je wachten?

[verdachte]: Maar ik het andere stuk/deel ook nodig, ik heb alleen maar een stuk/deel.

[verdachte]: Ik moet dat nog ophalen.

NNman: Wat moet je nog doen?
[verdachte]: Wacht, je moet eventjes wachten, als ik daar ben zal ik je bijpraten.

35. Een proces-verbaal van bevindingen van 25 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] (doorgenummerde pagina’s 10226-10229). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Uit onderzoek naar onderschepte telecommunicatie rondom het schietincident [a-straat] d.d. 7 september 2013 is gebleken dat de telefoon van [verdachte] ([telefoonnummer 1], hierna [telefoonnummer 1]) tussen 22:08 uur en 22:16 uur gebruik maakt van de telefoonmast op de locatie [d-straat 1] te Amsterdam. Tussen 22:16 en 23:27 uur is er geen telecommunicatieverkeer met het nummer geregistreerd. Na 23:17 maakt de telefoon van [verdachte] gebruik van de telefoonmasten op de locaties [b-straat 1], [e-straat 1-100] en [f-straat 1].

[betrokkene 1] gebruikt het nummer [telefoonnummer 2] (hierna [telefoonnummer 2]).

Uit de historische printgegevens bleek dat de telecommunicatiemiddelen van [verdachte] en [betrokkene 1] voor en na het schietincident op [a-straat] instraalden op zendmasten zeer dicht in de buurt van de Plaats Delict.

- Het telecommunicatienummer [telefoonnummer 5] had contact met het nummer [telefoonnummer 2] op 7 september 2013 te 20:18 uur, paallokatie [g-straat 1] te Amsterdam

- Het telecommunicatienummer [telefoonnummer 2] had contact met portalmmm.nl op 8 september (het hof begrijpt: 2013) te 00:09 uur, paallokatie [b-straat 1] te Amsterdam

- Het telecommunicatienummer [telefoonnummer 1] had contact met het telecommunicatienummer [telefoonnummer 6] op 7 september 2013 te 22:07 uur, paallokatie [d-straat 1] te Amsterdam

- Het telecommunicatienummer [telefoonnummer 1] had contact met het telecommunicatienummer [telefoonnummer 7] op 7 september 2013 te 20:22 uur, paallokatie [c-straat 1] te Amsterdam

- Het telecommunicatienummer [telefoonnummer 1] had contact met het telecommunicatienummer [telefoonnummer 8] op 7 september 2013, te 20:22 uur, paallokatie [b-straat 1] te Amsterdam.

36. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] (doorgenummerde pagina’s 10476-10481). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 13 december 2013 is [betrokkene 1] aangehouden in een Suzuki Swift met kenteken [kenteken]. In het voertuig werd het volgende goed in beslag genomen (goednummer: 4665690): Samsung telefoon, simkaartnummer [telefoonnummer 3]. Uit analyse van historische printgegevens bleek dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna [telefoonnummer 3]) op 7 september 2013 te 21:39 uur, 21:40 uur, 21:41 uur, 21:45 uur uitpeilde op een mast gelegen aan de [e-straat 1] in Amsterdam Zuidoost en om 21:57 uur uitpeilde op een mast gelegen aan de [b-straat 1] te Amsterdam Zuidoost. Deze laatste locatie ligt op korte afstand van de plaats delict [a-straat]. Op 8 september 2013 om 1:30 uur peilde de telefoon uit op de [f-straat 1] in Amsterdam Zuidoost.

37. De verklaring van medeverdachte [betrokkene 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2018. De verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb op 4 september 2013 een wapen, munitie en een geluidsdemper ontvangen. Het klopt dat de politie foto’s van dat wapen met die demper op mijn telefoon heeft aangetroffen. Die foto’s zijn met mijn telefoontoestel gemaakt op 4, 6 en 14 september 2013. Ik had het wapen op die dagen in mijn bezit.

38. Een proces-verbaal van vergelijkend foto onderzoek vuurwapen van 3 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (pagina 10256 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Ik heb een vergelijkend onderzoek verricht tussen de foto’s, die zijn veiliggesteld uit de telefoon van [betrokkene 1] en de foto’s, die zijn gemaakt ten behoeve van het wapenrapport van 10 oktober 2013.

De vraagstelling luidde: “Is het vuurwapen dat is te zien op de foto’s uit de telefoon van [betrokkene 1] mogelijk hetzelfde vuurwapen dat op 3 oktober 2013 door de politie in beslag is genomen en volledig beschreven en gefotografeerd is in het proces-verbaal van wapenonderzoek op 10 oktober 2013.” (...)

Alle foto’s werden digitaal aangeleverd. Ten behoeve van dit vergelijkend onderzoek heb ik gebruik gemaakt van een fotobewerkingsprogramma. Voor dit onderzoek heb ik hoofdzakelijk de zoomfunctie, contrastverbetering, kleurverbetering en de optie knippen gebruikt.

Ik zag dat op alle foto’s een tweekleurig (zwart/zilver) vuurwapen was afgebeeld. Op de foto’s uit de telefoon van verdachte [betrokkene 1] was een geluiddemper te zien. Omdat er geen geluiddemper bij de inbeslagneming van het vuurwapen aanwezig was, is de geluiddemper niet meegenomen in dit vergelijkend onderzoek.

Onderzoek linkerzijde van het vuurwapen:

Nadat ik foto 1 (uit de telefoon van de verdachte [betrokkene 1]) had ingezoomd zag ik aan de linkerzijde het serienummer [001]. Tevens zag ik dat het merkteken boven de trekker beschadigd (weggekrast) was. Deze krasbeschadigingen hadden een karakteristieke vorm. Op de foto van de linkerzijde van het vuurwapen uit het wapenrapport zag ik het serienummer [001]. Verder zag ik dat het merkteken boven de trekker beschadigd was (weggekrast). Deze krasbeschadigingen hadden een karakteristieke vorm en kwamen exact overeen met de krasbeschadigingen die te zien waren op de foto’s, afkomstig uit de telefoon verdachte.

Onderzoek rechterzijde 1 onderzijde van het vuurwapen:

Aan de onderzijde van het vuurwapen nabij de monding van de loop zag ik een ovaalvormige beschadiging/slijtage. Op de foto van de rechterzijde van het vuurwapen uit het wapenrapport zag ik aan de onderzijde van het vuurwapen nabij de monding van de loop een ovaalvormige beschadiging/slijtage. Ik zag dat de beschadiging/slijtage aan de onderzijde van het vuurwapen op de aangeleverde foto’s op exact dezelfde locatie bevonden en dat zij nagenoeg dezelfde vorm hadden.

Gezien mijn bevindingen en in het bijzonder de overeenkomsten in de karakteristieke vorm van de krasbeschadigingen en de overeenkomsten van het serienummer, acht ik met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat op alle foto’s het vuurwapen is afgebeeld dat op 3 oktober 2013 door de politie in beslag is genomen.

39. Een geschrift, te weten een weergave van een tapgesprek van 8 september 2013 om 19:14 uur, zijnde een uitgaand gesprek van [betrokkene 1] met NN6393 (doorgenummerde pagina’s 12146-12150).

NN6393: je heb me nooit laten weten dat je het bericht ontvangen hebt. Je zei (opmerking vertaler: [betrokkene 1] dus) dat je gisterenavond in een....ntv “hit and run” stemming was.

[betrokkene 1]: ehmm

(...)

[betrokkene 1]: in de late avonduren beantwoord ik geen enkel berichten omdat ik weer wat werk te doen heb/had, want gisteravond... (wordt onderbroken)

40. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] (doorgenummerde pagina’s 10230-10255). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Ten tijde dat het dodelijk schietincident op 7 september 2013 op [a-straat] in Amsterdam plaatsvond, werden gesprekken opgenomen en uitgeluisterd. Het nummer [telefoonnummer 2] is van [betrokkene 1]. [verdachte] maakt gebruik van nummer [telefoonnummer 4]. [betrokkene 3] maakt gebruik van het nummer [telefoonnummer 9]

Pag 10246/10247:

Gesprek 6 september 2013 om 20:00:12 uur

NN117 (het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 3]): Hoe is het broer?

[verdachte]: Rustig man. Ey ik heb die dingen van je nodig. Die ijzer

(...)

Pag 10250:

Gesprek 7 september 2013 om 10:50:43 uur

SMS bericht van verdachte aan [telefoonnummer 10]

“Ey leen me je piece voor vandaag 38”

Gesprek 7 september 2013 om 19:12:53 uur

Gesprek tussen [verdachte] en gebruiker nummer [telefoonnummer 9] (NN117)

NN117: Ben je bij mij in de straat

[verdachte]: huh?

NN117: ben je bij ons daarzo?

[verdachte]: ja man.

NN117: ik ben rustig voor de deur

[verdachte]: oke. Bel aan ja

Gesprek 7 september 2013 om 19:17:56 uur

Gesprek tussen [verdachte] en gebruiker [telefoonnummer 9] (NN117)

NN117: (ntv)

[verdachte]: oke brada, no spang. Kom kom kom kom

Pag 10251:

Gesprek 7 september 2013 om 21:44:05 uur

[verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) wordt gebeld door [betrokkene 2].

[verdachte] zet [betrokkene 1] aan de lijn in het gesprek met [betrokkene 2] (het hof begrijpt: de verdachte geeft de telefoon over aan [betrokkene 1] voor het gesprek met [betrokkene 2]):

(...)

[betrokkene 1]: er is iets goeds te doen, begrijp je

[betrokkene 2]: is goed, is goed?

[betrokkene 1]: iets heel goeds om te doen.

Pag 10253

Gesprek 7 september 2013 om 23:20:00 uur

[betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4], verder [betrokkene 4]) wordt gebeld door [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte, verder [verdachte])

[betrokkene 4]: Waar ben je vraag ik je

[verdachte]: ik ben in de Bijlmer

[betrokkene 4]: Want bij wie ben jij dan?

[verdachte]: (...) Ik ben bij [betrokkene 1], dat is het

41. Een proces-verbaal bevindingen van 12 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] (doorgenummerde pagina’s 10869-10897, in het bijzonder pagina 10278). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

De verdachte [betrokkene 1] voerde gesprekken met een tweetal Franse nummers. Een daarvan is nummer [telefoonnummer 11]. Op 13 augustus 2014 om 11:35 belt [betrokkene 1] uit met dit nummer, in gebruik bij (het hof begrijpt:) zijn moeder.

[betrokkene 1]: Vandaag moet ik naar de rechtbank voor een moordzaak. Ik heb het dossier van de moord gezien, ze hebben niet veel tegen mij.

Ze verdenken me met iemand, maar ze kunnen niet echt weten wie de persoon heeft gedood, of ik dat ben of dat het mijn man (gabber) is die het gedaan heeft.

42. Een proces-verbaal bevindingen van 12 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] (doorgenummerde pagina’s 10276-10288, in het bijzonder pagina 10278). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Er is onderzoek verricht naar de historische WhatsApp gesprekken uit de telefoon van [betrokkene 1] met nummer [telefoonnummer 2]. Een van de gebruikers waar [betrokkene 1] WhatsApp contact mee heeft maakt gebruik van nummer [telefoonnummer 12]. De gebruiker van dit nummer is geïdentificeerd als [betrokkene 4]. Op 8 september 2013 om 13:47 uur vindt het volgende WhatsApp gesprek plaats:

[betrokkene 4]: “nee ik ga naar mijn ex”

[betrokkene 1]: “wat”

[betrokkene 4]: “met mijn zus” “ja” “net als jouw broer”

[betrokkene 1]: “ga je nu naar jouw ex-vriendje”

[betrokkene 4]: “wat hij doet, kan ik ook doen”

En om 13:49 uur:

[betrokkene 1]: “als je dat doet hebben jij en ik een serieus probleem”, “geloof me”, “hij (het hof begrijpt: de verdachte) doet geen shit met geen meisje”

[betrokkene 4]: “liegen”

[betrokkene 1]: “met geld zijn we mee bezig voor jou”

43. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Met “piece” in het gesprek van 7 september 2013 bedoel ik een vuurwapen.”

2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“Op 7 september 2013 omstreeks 22.22 uur is [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), op het moment dat hij de toegangsdeur van de woning op het adres [a-straat 1] in Amsterdam wilde openen, neergeschoten. Hij is vrijwel direct aan zijn verwondingen overleden.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met de hiervoor genoemde [betrokkene 1] verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 1]. Daartoe heeft zij, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. [slachtoffer 1] is met een vuurwapen gedood dat bij de verdachte en [betrokkene 1] in gebruik was. Laatstgenoemden waren op 7 september 2013 samen op pad en bevonden zich rond het tijdstip van het overlijden van [slachtoffer 1] in de buurt van de plaats delict. De verdachte en [betrokkene 1] hebben in de periode voorafgaand aan 7 september 2013 en op die dag zelf nauw en bewust samengewerkt: zij hebben plannen gemaakt, een wapen gedeeld en zijn samen opgetrokken. De combinatie van de belastende feiten en omstandigheden zoals deze naar voren komen uit het dossier, in onderling verband en samenhang bezien, de samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] en het feit dat de verdachte vervolgens niet een verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van deze bewijsmiddelen ontzenuwt, maken dat de verdachte en [betrokkene 1] als medeplegers van de doodslag op [slachtoffer 1] moeten worden gezien.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd, samengevat weergegeven, dat het dossier geen bewijs bevat dat de verdachte ten tijde van de schietpartij op de plaats delict was. Evenmin bevat het dossier zodanig belastend bewijs dat van de verdachte kan worden verlangd dat hij een dat bewijs ontzenuwende verklaring geeft. Overigens heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op de vragen die hem zijn gesteld een antwoord gegeven. De verdachte is weliswaar op de avond van de schietpartij enige tijd in aanwezigheid van [betrokkene 1] geweest, maar dat was niet gedurende de hele avond: in de loop van de avond is hij even weggegaan. Ten tijde van de schietpartij waren hij en [betrokkene 1] niet samen. Bovendien heeft het hof eerder [betrokkene 1] veroordeeld voor het plegen van de doodslag en daarbij expliciet overwogen dat van medeplegen geen sprake is geweest. De verdachte wist niet dat [betrokkene 1] die avond een vuurwapen had en evenmin was hij op de hoogte van een eventueel plan van [betrokkene 1] om [slachtoffer 1] te doden.

Oordeel van het hof

Historische verkeersgegevens

In het dossier bevinden zich historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte en die van [betrokkene 1]. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld waar die toestellen zich op diverse momenten op 7 september 2013 hebben bevonden.

De telefoon van de verdachte met nummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1]) straalde op 7 september 2013 de volgende masten in Amsterdam Zuidoost aan:

- om 20.22 uur, [b-straat 1];

- om 20.22 uur, [c-straat 1];

- om 22.07 uur, [d-straat 1];

- tussen 22.08 en 22.16 uur, [d-straat 1]; en

- na 23:17 uur, [b-straat 1], [e-straat 1-100] en [f-straat 1].

Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat er geen telefoonverkeer was tussen 22:16 uur en 23:17 uur.

De telefoon van [betrokkene 1] met nummer [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2]) straalde op 7 september 2013 om 20.18 uur een mast aan op de [g-straat 1] in Amsterdam Zuidoost en op 8 september om 00.09 een mast op de [b-straat 1] in Amsterdam Zuidoost.

De telefoon van [betrokkene 1] met nummer [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 3]) straalde op 7 september 2013 om 21.39 uur, 21.41 uur en 21.45 uur telkens een mast aan op de [e-straat 1] in Amsterdam Zuidoost en om 21.57 uur een mast op de [b-straat 1] in Amsterdam Zuidoost. De telefoon straalde daarna om 01.30 uur een mast aan op de [f-straat 1] in Amsterdam Zuidoost.

Aldus blijkt dat de telefoons die in gebruik waren bij de verdachte en bij [betrokkene 1] in de uren rondom het schietincident bij de [a-straat] masten aanstraalden in de nabijheid van de plaats delict. Nu het dossier geen aanwijzingen bevat en door de verdachte ook niet is gesteld dat de telefoons door anderen dan hemzelf en [betrokkene 1] werden gebruikt, gaat het hof er vanuit dat de verdachte en [betrokkene 1] steeds op de plaatsen waren waar hun telefoons zijn waargenomen.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte en [betrokkene 1] ten tijde van het schietincident niet alleen in de nabijheid van, maar ook op de plaats delict waren, is vervolgens van belang om de relatie tussen het bij het schietincident gebruikte wapen en [betrokkene 1] nader te beschouwen.

Gebruikte wapen

Op de plaats delict zijn hulzen en kogels aangetroffen. Op 3 oktober 2013 is in het hiervoor genoemde onderzoek Olpe (betreffende het slachtoffer [slachtoffer 2]) een vuurwapen aangetroffen. De verdachte is in dat onderzoek aangehouden. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de hulzen en kogels die bij de [a-straat] zijn aangetroffen afkomstig zijn uit het op 3 oktober 2013 aangetroffen wapen dan uit een ander wapen. Het hof stelt op grond hiervan vast dat het wapen dat op 3 oktober 2013 is aangetroffen hetzelfde wapen is waarmee de dodelijke schoten op [slachtoffer 1] zijn gelost.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [betrokkene 1] dit wapen met munitie op 4 september 2013 uit handen van de verdachte in bezit heeft gekregen en dat hij in ieder geval op 14 september 2013 nog over dit wapen kon beschikken. Het hof leidt dit onder meer af uit de door [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring dat met zijn telefoon op 4, 6 en 14 september 2013 foto’s van het wapen zijn gemaakt en dat hij op die dagen over het wapen kon beschikken. Dat het wapen niet meer in het bezit van [betrokkene 1] was, bleek pas bij – kort gezegd – de poging [slachtoffer 2] te beroven op 18 september 2013, waarbij de verdachte betrokken is geweest en de medeverdachte Ignacio het wapen heeft gebruikt.

Tussenconclusie 1

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat (i) uit de historische verkeersgegevens van de telefoons van [betrokkene 1] blijkt dat hij ten tijde van het schietincident in de nabijheid van de plaats delict was en (ii) [betrokkene 1] op dat moment in het bezit was van het wapen waarmee [slachtoffer 1] is doodgeschoten. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen de conclusie dat [betrokkene 1] degene is geweest die de fatale schoten op [slachtoffer 1] heeft gelost. Deze conclusie vindt ook steun in de inhoud van het opgenomen en afgeluisterde gesprek dat [betrokkene 1] op 8 september 2013 heeft gevoerd waarin hij volgens zijn gesprekspartner eerder had opgemerkt dat hij de avond ervoor in een ‘hit and run’-stemming was en dat hij in de late avond niet bereikbaar was geweest (zijn telefoon niet had beantwoord) omdat hij werk te doen had.

Aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict

Vervolgens dient het hof te beoordelen of ook de verdachte ten tijde van het schietincident op de plaats delict aanwezig was en, zo ja, wat daarbij zijn rol was.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte en [betrokkene 1] kort voor en kort na het schietincident samen waren. Om 21.44 uur is de verdachte immers gebeld door een zekere [betrokkene 2]. Uit het verloop van dat gesprek blijkt dat de verdachte op dat moment bij [betrokkene 1] was: op enig moment gaf de verdachte de telefoon immers over aan [betrokkene 1], waarna deze onder meer aan [betrokkene 2] zei dat ‘er iets heel goeds te doen’ is. Om 23.20 uur belde de verdachte met zijn vriendin, aan wie hij vertelde dat hij met [betrokkene 1] was.

Gelet op het feit dat (i) [betrokkene 1] ten tijde van het schietincident – zoals hiervoor is vastgesteld – op de plaats delict aanwezig was, (ii) de verdachte kort voor en kort na de schietpartij in aanwezigheid was van [betrokkene 1] en (iii) de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte uitwijzen dat hij ook zeer kort voor het schietincident (namelijk om 22.16 uur, een aantal minuten voorafgaand aan het incident) in de directe omgeving van de plaats delict was, is de conclusie op zich gerechtvaardigd dat de verdachte ten tijde van het schietincident samen met [betrokkene 1] op de plaats delict was. Deze conclusie vindt ook steun in een op 13 augustus 2014 door [betrokkene 1] met zijn moeder gevoerd telefoongesprek, waarin [betrokkene 1] zegt dat ‘ze voor de moord niet veel tegen hem hebben, dat hij er wel met een ander van wordt verdacht, maar dat ze niet echt kunnen weten wie de persoon heeft gedood’ en ‘of ik dat ben of dat het mijn man (gabber) is die het gedaan heeft’. Nu het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat een derde persoon betrokken is geweest bij het schietincident, gaat het hof er vanuit dat [betrokkene 1] in dit gesprek met ‘mijn man’ de verdachte bedoelt.

Vraag is vervolgens of de verdachte een aannemelijke verklaring kan geven waaruit volgt dat hij - anders dan uit de bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd - toch niet ter plaatse was en die aldus deze belastende aspecten van het bewijs over zijn aanwezigheid ter plaatse kan verklaren.

Hierin is de verdachte niet geslaagd. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft hij geen vragen ter zake willen beantwoorden. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij zich niet meer precies kan herinneren wat hij die avond heeft gedaan. Vervolgens heeft de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep op 21 oktober 2020 verklaard dat hij die avond in de buurt van de plaats delict, ‘boven het winkelcentrum de Amsterdamse Poort’ is geweest ‘bij vrouwen’, in aanwezigheid van [betrokkene 1], waarna hij rond half tien/tien uur ‘is weggegaan’ en toen niet bij [betrokkene 1] was. De verdachte heeft niet nader verklaard op welke precieze locatie hij is geweest en hij heeft geen gegevens willen verstrekken van de vrouwen met wie hij was. Onder deze omstandigheden acht het hof deze verklaring, gelet op het tijdstip waarop deze is afgelegd en gelet op het feit dat deze niet op enige wijze is onderbouwd, laat staan verifieerbaar is, niet aannemelijk geworden.

Tussenconclusie 2

Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat (i) [betrokkene 1] degene is geweest die de fatale schoten op [slachtoffer 1] heeft gelost en (ii) de verdachte daarbij aanwezig was.

Medeplegen

Vervolgens dient het hof te beoordelen of de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van deze doodslag.

Het hof stelt voorop dat om als medepleger te kunnen worden aangemerkt sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit leidt in beginsel tot de kwalificatie ‘medeplegen’.

De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo’n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

Op basis van bewijsmiddelen kan het hof ter zake van de rol van de verdachte het volgende vaststellen:

 de verdachte heeft daags voor het schietincident verschillende keren telefonisch contact gehad met [betrokkene 3] over de levering van een ‘ijzer’ (naar het hof begrijpt: een vuurwapen). Op de dag van het schietincident, om 10.50 uur, stuurde de verdachte een sms-bericht aan een onbekend gebleven persoon dat hij vandaag diens ‘piece 38’ wil lenen. Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd dat hij daarmee een vuurwapen bedoelde. Uit de verdere telefonische gesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 3] leidt het hof af dat laatstgenoemde vervolgens om 19.17 uur bij de woning is gekomen waar de verdachte op dat moment verbleef om iets aan de verdachte af te leveren.

 binnen (in ieder geval) enkele uren zijn, zoals hiervoor is overwogen, de verdachte en [betrokkene 1] vervolgens samengekomen. In aanwezigheid van de verdachte heeft [betrokkene 1] telefonisch tegen de genoemde [betrokkene 2] gezegd dat er ‘iets heel goeds’ te doen is.

 ongeveer een half uur later hebben [betrokkene 1] en de verdachte zich begeven naar de [a-straat], waar [slachtoffer 1] door [betrokkene 1] is doodgeschoten.

 daags na het schietincident heeft [betrokkene 1] via WhatsApp contact gehad met [betrokkene 4], de vriendin van de verdachte. In dat gesprek kondigde [betrokkene 4] aan dat ze naar haar ex-vriend zou gaan, want wat de verdachte doet ‘kan zij ook doen’. [betrokkene 1] zei vervolgens dat de verdachte ‘geen shit doet met geen meisje [...] met geld zijn we bezig voor jou’.

Op basis van deze omstandigheden staat voor het hof vast dat (i) de verdachte en [betrokkene 1] op 7 september 2013 naar de plaats van het op handen zijnde delict zijn afgereisd voor het verrichten van criminele activiteiten, (ii) [betrokkene 1] toen een drie dagen voordien door de verdachte aan hem geleverd vuurwapen voorhanden had, en, vervolgens, (iii) het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest – mede in aanmerking genomen het belang om ook zelf die avond over een vuurwapen te kunnen beschikken – dat bij die activiteiten mogelijk gebruik zou worden gemaakt van een vuurwapen. Aldus is op basis van deze bewijsmiddelen op zichzelf genomen de conclusie gerechtvaardigd dat de bijdrage van de verdachte aan het delict dat vervolgens is gepleegd van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. De verdachte heeft vervolgens geen verklaring afgelegd over zijn aanwezigheid bij dit delict die de redengevendheid van dit bewijs ontzenuwt.

Eindconclusie

Aldus concludeert het hof dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte medepleger is van de doodslag op [slachtoffer 1].”

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring door het hof van het medeplegen van doodslag.

3.2.1

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. (Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.)

3.2.2

De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. (Vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733).

3.3

Het hof heeft in zijn bewijsvoering gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen van doodslag is bewezen. Het oordeel van het hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een voor medeplegen vereiste bijdrage aan het delict van voldoende gewicht, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 4 september 2013 een vuurwapen aan mededader [betrokkene 1] heeft geleverd, dat de verdachte op 7 september 2013 – de dag van het schietincident – op zoek is geweest naar een vuurwapen dat hij wilde lenen, dat de verdachte en [betrokkene 1] op 7 september 2013 voor het verrichten van criminele activiteiten samen zijn afgereisd naar de plaats waar [slachtoffer 1] nadien om het leven is gebracht, terwijl het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat bij die activiteiten mogelijk een vuurwapen zou worden gebruikt, dat [betrokkene 1] aldaar [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten met het door de verdachte geleverde vuurwapen en dat de verdachte ook nadat [betrokkene 1] [slachtoffer 1] had doodgeschoten in aanwezigheid van [betrokkene 1] is gebleven. Daarbij is van belang dat het hof blijkens de bewijsvoering betekenis heeft toegekend aan de inhoud van de in de bewijsmiddelen weergegeven gesprekken, waaruit onder meer volgt dat er door de verdachte en [betrokkene 1] enkele dagen voorafgaand aan het schietincident is gesproken over het gebruik van het vuurwapen en van een geluiddemper en dat [betrokkene 1] op de avond waarop [slachtoffer 1] om het leven is gebracht, in een “hit and run” stemming was en dat [betrokkene 1] die avond in het bijzijn van de verdachte aangaf dat er “iets heel goeds” te doen was. Tevens heeft het hof – niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat de verdachte geen verklaring heeft afgelegd over zijn aanwezigheid bij het delict die de redengevendheid van de door het hof gedane vaststellingen voor het bewijs van het medeplegen van doodslag ontzenuwt.

3.4

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

4 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 november 2021.